Opinie

De moeder (33) en zoon (30) die omkwamen tijdens het klimmen

Michel Krielaars

Aangezien mijn wandelvakantie in de Italiaanse Alpen door de corona-pandemie niet doorging, zocht ik mijn toevlucht bij een bergboek. In mijn jonge jaren las ik graag over de avonturen van stoere bergbeklimmers. Mijn favoriet was Die Weisse Spinne, Heinrich Harrers spannende verslag van zijn beklimming van de Eiger Nordwand in 1938. Diezelfde Harrer zou jaren later wereldberoemd worden door de verfilming van zijn boek Sieben Jahre in Tibet.

Toch heeft dat bergklimmen me nooit echt getrokken, omdat ik liever niet in een afgrond stort. Wel wandel ik graag in de bergen. Twintig jaar geleden heb ik in de Himalaya zelfs een hoogte van 6000 meter bereikt. Maar als ik tijdens die tocht klimmers op mijn pad tegenkwam, die nog hoger gingen, dan was ik ergens toch een beetje jaloers.

Door de poëtische roman Zuurstofschuld van Toine Heijmans ben ik terug in die wereld. Het boek is het verhaal van Walter Welzenbach. Hij leerde het klimmen als student in Nijmegen van zijn vriend Lenny, een jongen met rode hanenkam, die hem de wand van een Rijnbrug liet bestijgen. Vanaf dat moment klom hij steeds hoger en verder weg.

Zuurstofschuld begint op 8188 meter hoogte in de Himalaya. En meteen besef je de magie van die plek: het is de weg naar het niets, naar de absolute eenzaamheid. Ook Walter wil alleen zijn en geen rekening hoeven houden met anderen, want ‘het uitschakelen van gevoel is noodzakelijk, in dit terrein.’ Zijn sitiuatie verandert als de Amerikaan Monk naast hem neerploft, die alles ‘geweldig’ vindt en vooral tegen zijn camera praat.

Als Walter een dwaalspoor kiest om Monk van zich af te schudden, stuit hij op een vrouw, die deel uitmaakt van een Chinese expeditie. Met opgetrokken knieën zit ze tegen een sneeuwbult. Ze is dood, Walter kijkt in ‘bevroren ogen: wijd open. Een flauwe glimlach, ze is gestold in een grimas.’ Alsof sterven in de hoogte eenvoudiger is, omdat je toch al op weg bent naar dat zaligmakende grote niets.

Heijmans voert allerlei beroemde klimmers uit het verleden op. Hun levensverhalen staan keurig gerangschikt bij Lenny in de boekenkast. Zo is er Alison Hargreaves. Zonder touwen, zuurstofflessen, dragers en hoogtesherpa’s beklom deze 33-jarige Britse moeder van twee kleine kinderen in mei 1995 de Mount Everest. Maar in augustus van datzelfde jaar werd ze tijdens de afdaling van de K2 overvallen door een storm en kwam ze om. Door hun telescopen zagen andere klimmers haar lichaam als ‘een vlek in de sneeuw. Te ver weg om te bergen.’ Wrang is dat haar zoon Tom Ballard in 2019 op een vergelijkbare manier zou omkomen op de Nanga Parbat in Pakistan. Hij was toen 30 jaar oud.

Groot is Walters ontgoocheling als Lenny na al die jaren ineens met klimmen ophoudt. In Chamonix, waar zijn vriend in een bergsportwinkel werkt, heeft hij een vrouw ontmoet met wie hij een gezin begint. Terug in Nederland krijgt Lenny een goede baan als manager van een buitensportbedrijf. Hij scheert zijn hanenkam af en doet zijn klimspullen weg. Walter ervaart het als verraad. In zijn eentje keert hij terug naar de bergen, om er, zoals hij beweert, voorgoed te blijven. Opnieuw grijpt Heijmans terug op de verslagen van beroemde klimmers, om te eindigen met Ludwig Hohl, die in 1926 schreef: ‘Om uit de gevangenis te ontsnappen, daarom klimmen wij bergen.’ Meteen verlangde ook ik naar dat grote niets.