Atlantis bouwen in de polder

Maakbaarheid Een compleet dorp bouwen in het laagste gebied van ons land, kan dat? Alleen als je de natuur erbij betrekt, stelt .

Foto Walter Herfst

Op het allerlaagste punt van Nederland zit een zwaan te broeden. De plek, 6,76 meter onder het zeeniveau, ligt midden in een weiland. Op 51º59’13″ noorderbreedte en 4º38’9″ oosterlengte, om precies te zijn. Daar komen is nog best een toer, maar toen onlangs bekend werd dat de gemeente Zuidplas uitgerekend hier een compleet nieuw dorp wil laten verrijzen – achtduizend woningen, aan de rand van het Groene Hart bij Gouda, werktitel: ‘het Vijfde Dorp’ – moest en zou ik eens fysiek op die laagste coördinaten staan.

Jawel, er is een monument, een verrassend afzichtelijk geval, een soort stalen zwembadtrap van zeven meter hoog, langs de A20 bij Nieuwerkerk aan den IJssel, op het parkeerterrein van vrachtwagendealer Van Vliet, maar dat staat er alleen voor de bermtoeristen. Het werkelijke laagste punt ligt honderden meters daarachter, in het gras tussen snelweg en spoorlijn.

Ooit liep er een wandelroute langs, die is omgelegd, maar zelfs als je brutaalweg over het hek klimt en het drassige strookje op wandelt waar het moet zijn volgens de tekst op een oud met graffiti overspoten informatiebordje, klopt het nét niet met de GPS-gegevens. Het is aan de overkant van de brede sloot. Omlopen dus. Ik klim over andere hekken, spring wat greppeltjes over, en hoe dichter ik mijn doel nader – dat juist door die obstakels ineens onzinnig belangrijk wordt, alsof mij daar een openbaring wacht – hoe meer watervogels er wegschieten. Eenden vluchten spetterend weg uit de slootjes, meerkoeten zoeken dekking in het ritselende riet, en er zijn opvliegende ganzen die schor hun alarmkreten uitstoten naar wat er verder allemaal leeft onder deze Zuid-Hollandse hemel van zachtblauw en schapenwolken.

En dan, nog geen vijftien meter van het einddoel, waggelt er een zwaan op mij af. Hij blijft staan, net als ik, rekt zijn hals uit en spreidt zijn vleugels wat – verblindend sneeuw in het zonlicht. Een aankomende zwanenvader, wiens vrouw hier ergens haar nest moet hebben, vlakbij of wie weet wel exact óp dat allerlaagste punt. „Rustig maar”, prevel ik hardop. „Ik kom alleen maar kijken.” De vleugels wijken terug, maar de hele houding blijft achterdochtig.

Oog in oog met die één meter zestig aan sierlijke agressie gaan de gedachten uit naar Bruno Latour. In Waar kunnen we landen? (2018) betoogt de Franse filosoof en antropoloog dat wat hij ‘het Aardse’ noemt zelf ook belangen heeft en daarvoor opkomt. In het licht van de klimaatcrisis roeren ook niet-menselijke aardbewoners zich steeds nadrukkelijker, als tegenreactie op ons handelen. Dieren, de atmosfeer, de zee: die hele „kwetsbare laag die de aarde omspant”, is niet langer de passieve achtergrond van ons menselijke handelen, het is alsof „het decor, de coulissen, het achtertoneel en het hele gebouw het toneel zijn opgeklommen”.

Foto’s
Walter Herfst
Foto’s Walter Herfst

Het verhaal van het menselijke ingrijpen op deze plek is vrij overzichtelijk. Het begon zo’n beetje toen de Romeinen hier nederzettingen bouwden in het moeraslandschap van elzen en wilgen. Die werden in de Middeleeuwen gekapt, en windmolens legden gedeeltes droog voor akkerbouw. In de zestiende eeuw werden er steeds meer turflagen uitgestoken, en ontstond er een diepe plas, die koning Willem I in 1841 besloot droog te leggen met stoomgemalen, gevolgd door die typische verkaveling in smalle stroken en lanen, die er vanuit vliegtuigen altijd zo mathematisch uitzien en je doordringen van het besef dat in ons land elke millimeter benut, verruild, verpacht en verhandeld is.

Deze hele omgeving is in feite industrieel gebied: landbouw, kassen, veeteelt. De verscheidenheid aan weidevogels, bloemen en planten daalt. Er zijn wat aannemersbedrijven, autosloperijen, caravanstallingen. Mooi is het niet, wel heel saai en verrommeld.

„Dit landschap vráágt om een ingreep”, stelde Hugo Hasper, programmamanager landschap tijdens een digitale informatieavond voor omwonenden in de gemeente Zuidplas, op 15 april. „En het is ook niet toekomstbestendig.” Hij had het puur over dit gebiedje, maar zijn woorden slaan evengoed op bijna heel niet-stedelijk Nederland.

Twee derde van onze grond is productiegrond, waarvan de opbrengsten grotendeels bestemd zijn voor de export. En dat in een landje met extreme woningnood, ontbossing en anderszins krimpende natuur. Deze allerlaagste hectaren vatten ons land in die zin vrij adequaat samen: een vrachtwagenbedrijf en agrarische grond.

Je moet iets. Maar wat? Jan Rotmans, hoogleraar transities en duurzaamheid aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, noemde het Vijfde Dorp een „onzalig plan”, onverantwoord in het licht van de klimaatverandering. Gelijkgestemde critici pleitten ervoor om het gebied helemaal tot duurzame, gevarieerde natuur om te vormen.

Aan de andere kant zijn er de voorstanders die hier juist kansen zien om in één klap iets tegen de woningnood én de afgenomen biodiversiteit te doen. Het nieuwe masterplan van 161 pagina’s bulkt van de schitterende groene polderlandschappen, blije kinderen op trekvlotten, houten huizen, rietoevers, bloemenvelden, energielandgoederen, lokaal geproduceerde ‘biobased’ bouwmaterialen. Er komt een Koning Willem I-bos en een recreatiegebied met als werknaam ‘De Watertuin van de Zuidelijke Randstad’.

„Voor wie moet je nog klimaatbeleid maken? Voor wie moet je de dijken nog ophogen?”

Zo is de laagste plek van de lage landen ook een breukvlak tussen utopisch en dystopisch denken. Tussen maakbaarheid versus het onafwendbare noodlot. Nederland is altijd de overtreffende trap van maakbaar geweest. God created the world but the Dutch created the Netherlands.

Is het Vijfde Dorp een laatste stuiptrekking van die overmoed, van het plompverloren ergens iets neerzetten à la Almere, Lelystad of Zoetermeer? Of zien we hier straks een nieuwe vorm van maakbaarheid, die het hele ecosysteem meerekent, met alle belangen van niet-menselijke aardebewoners erbij, met dus een nederigere positie voor de mens, of zoals Bruno Latour dit noemt: „Handelen vanuit de hervonden deugden van de afhankelijkheid.”

Tijdens de informatieavond benadrukte wethouder Jan Hordijk (VVD) uiteraard de idyllische kanten. Een mooi dorp, wonen tussen het groen, in tijden van woningnood is dit een mooie kans. Bovendien komt er 30 procent sociale huur en 50 procent woningen in de categorie ‘betaalbaar’.

Listig wees hij erop dat er een eerder plan van Rotterdam was om hier maar liefst dertigduizend woningen te bouwen. „Met ons plan kunnen we zelf de regie houden en kunnen we het beperken tot achtduizend woningen.”

Tot zover de utopische stemmen. Aan de dystopische kant wordt er toch wel gevreesd voor het stijgende water. In Museum Gouda, in de stad die stilaan wegzinkt in het veen, zou nu de tentoonstelling Koele Wateren te zien zijn. Gesloten natuurlijk, maar de bijbehorende film Atlantis Gouda staat online. Hierin is de kaas- en stroopwafelstad in 2200 een gezonken stad, alleen nog geschikt voor onderwatertoerisme.

Allemaal gebracht met een speelse, ironische toets, maar zorgen zijn er, bleek ook tijdens de digitale informatieavond. Is het Vijfde Dorp een toekomstig Atlantis? Agnes van Zoelen, van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, sprak relativerend: „Het maakt niet uit of je op min zes of op min vier NAP zit, het gaat om de sterkte van de waterkeringen en daar zijn we continu mee bezig in het landelijke Deltaprogramma.” Maar als het klimaat verandert, moet je hier dan wel willen wonen? „Dan zou je in heel westelijk Nederland niet kunnen wonen. De vraag is dus: kun je preventie inzetten, waar en op welke manier?”

Weerman en klimaatwetenschapper Peter Kuipers Munneke schreef in 2018 in NRC dat het niet de vraag was of, maar wanneer Nederland onder water verdwijnt. „Voor wie moet je nog klimaatbeleid maken? Voor wie moet je de dijken nog ophogen? Voor de komende drie generaties? De komende tien? Hoe lang moet de arm van je beleid zijn?”

Onoplosbare vragen misschien, maar ze plaatsen ons handelen wel in perspectief: alles wat we doen is per definitie eindig. Dus concentreert het Waterschap zich nu maar op de meer acute kwesties.

Foto’s Walter Herfst

Zo is er momenteel een vicieuze cirkel rond het waterpeil ontstaan. Voor de agrariërs is de bodem te nat. Maar door het water weg te pompen klinkt de bodem juist in, zakt de grond dichter bij het water, en moet je opnieuw pompen. Dit is een van de redenen dat Gouda jaarlijks drie millimeter zakt, waardoor het water op sommige plekken nu al de kades op klotst. De oplossing van het Waterschap: verschillende zones met aparte waterpeilen creëren, ook in het toekomstige Vijfde Dorp.

Er is een uiterst delicaat evenwicht nodig tussen akkerbouw, woningen, bedrijven, en recreatie. Al die belanghebbenden verdringen elkaar, zwengelen aan de gemalen, timmeren hun dammetjes, pompen de reservoirs vol, of draaien die juist open. Er hoeft maar iets mis te gaan en dat hele kwetsbare, delicate bouwsel tuimelt om.

En dat is nog buiten al die factoren gedacht die transitiedenkers als Bruno Latour graag aan die Gordiaanse knoop willen toevoegen: de belangen van flora, fauna en atmosfeer.

Aan de andere kant, er is geen alternatief. Het is een misvatting te denken dat als wij ons maar gedeisd houden er hier vanzelf een natuurlijke harmonie ontstaat. Als we in Nederland niets doen, stroomt het grotendeels vol, als een badkuip. In ons land zijn we gewend dat alles mensenwerk is, ook de natuur. Er zijn wetenschappers die voorstellen onze huidige tijd tot het ‘antropoceen’ te dopen, het geologische tijdperk waarin de mens een doorslaggevende impact op de aarde heeft.

Ons land kan laten zien dat we ons niet radicaal hoeven terug te trekken, maar dat we die invloed op een heilzame manier kunnen aanwenden, juist omdat we al gewend zijn met zoveel belangen rekening te houden. Juist zo’n tabula rasa als hier in de Zuidplaspolder is een prachtig kantelmoment om iets neer te zetten dat echt een voorbeeld kan zijn.

Het masterplan voor dit gebied is nog geen gedetailleerde blauwdruk, maar een schets waar nog invloed op mogelijk is. Nu krijg je de indruk dat het nog steeds vrij eenzijdig vanuit het menselijke perspectief is vormgegeven, volgens de oude visie met de natuur als decor: „Het bos gaat helpen de verblijfskwaliteit van het gebied te vergroten en de woonkwaliteit te verbeteren. Je hoort het verkeer en de bedrijven misschien nog wel tussen de ruisende bladeren, maar je ziet ze niet meer.”

Je leest veel over watersystemen, recreatiemogelijkheden en een gezonde leefomgeving, allemaal gebaseerd op de impliciete aanname dat dit dienend aan de menselijke bewoners gaat zijn. De karige paragraafjes ‘ecologie’ en ‘milieu’ doen daarvoor nog wat te plichtmatig aan.

Mij zou het schitterend lijken als hier echt een alternatief ontstaat van hoe wij ons land kunnen inrichten

Maar ik ben niet somber of cynisch, of liever: ik wil dat niet zijn. En ik zie elders in Nederland toch geregeld voorbeelden van hoe zoiets best goed kan uitpakken. Bij Vleuten bijvoorbeeld, wordt momenteel de wijk Haarzicht gebouwd, bij landgoed Haarzuilens. Dorps, vriendelijk, de eerste gasloze wijk van Utrecht bovendien, maar vooral is er een prachtig natuurgebied naast, het Wielrevelt, waar Natuurmonumenten een paar jaar terug een heel fijn en gevarieerd natuurgebiedje heeft ingericht, met de wandelroute ’t Natte Laand, met trekpontjes voor de kinderen, stokken om te fierljeppen over de slootjes.

Die dorpse bouwstijl, gecombineerd met dit type recreatie en allerlei duurzaamheidsinitiatieven: ik kom ze op allerlei plekken tegen en ze stemmen me best optimistisch over wat er mogelijk is.

In een uitzending van VPRO’s Tegenlicht vertelde Bruno Latour, telg uit een familie beroemde wijnmakers, dat je nieuwe, duurzamere technologieën, net als wijn moet uitproberen en proeven. Haarzicht en zijn Natte Laand smaken naar meer. En ook de nieuwe Zuidplaspolder kan zo’n proeftuin worden, als die ecologische dimensie tenminste nog wat versterkt wordt in de uitwerking.

Mij zou het schitterend lijken als hier echt een alternatief ontstaat van hoe wij ons land kunnen inrichten, als er werkelijk een nieuwe manier wordt gevonden van wonen en samenleven mét in plaats van tegen de achtergrond van dit landschap, waar ik nog altijd sta, oog in oog met mijn zwaan.

Het zal hoogstens een seconde of twintig zijn dat we, allebei star van ontzetting, elkaar blijven aankijken, terwijl er een angst door ons heen raast waarvan niet meer is uit te maken aan wie die toebehoort. Wat doe ik hier, midden in het broedseizoen? Ik keer om en laat mijn onbenullige reisdoel los.

Wat de bouwplannen voor zijn achter-achter-kleinkinderen zullen betekenen, weet ik niet, maar nu ik hem in dat gedeelde angstmoment heel eventjes als iets anders ben gaan zien dan als decorstuk, is het haast alsof hij meer stond te verdedigen dan alleen dat nageslacht.