Matthijs van Boxsel

Merlijn Doomernik

Interview

Domheidsspecialist Matthijs van Boxsel: ‘De domme Nederlandse steden werden bespot’

Domheid Jarenlang werkte ‘domgeer’ Matthijs van Boxsel aan een allesomvattende theorie over de domheid. Nu is het hem gelukt. In zijn nieuwe boek legt hij uit waarom sommige Nederlandse steden het slachtoffer zijn van spot. „Iemand ‘dom’ noemen, is diegene buitensluiten.”

Een paar jaar geleden kreeg Matthijs van Boxsel (63) een verzoek van zijn huisbaas. Of hij alsjeblieft niet nog meer boeken het huis in wilde slepen. „Straks zak je nog door de vloer.” Wie bij de schrijver arriveert op de bovenste verdieping van zijn woning in Amsterdam-Zuid, begrijpt waar de huisbaas op doelde. Overal staan kasten met boeken, knipsels en rijen ordners. Achter een groot bureau hangt een enorme landkaart, op de grond slingeren papieren en Middeleeuwse prenten. Ja, het is duidelijk, hier wordt nagedacht, en wel over de domheid.

Al enkele decennia verdiept Van Boxsel, die in 1983 aan de Universiteit van Amsterdam cum laude afstudeerde in de literatuurwetenschap, zich in de menselijke domheid. Als 22-jarige las hij voor het eerst Der Mann ohne Eigenschaften van Robert Musil. „Dat boek had op mij een enorme impact. Musil schreef: domheid is geen gebrek aan intelligentie, het is een eigenschap.” Het spoorde hem aan het overige werk van de Oostenrijkse schrijver te lezen, waaronder zijn laatste werk, Über die Dummheit. „Ik kwam erachter dat je een serieuze studie over de domheid kunt schrijven.” Eenmaal bezig ontdekte Van Boxsel dat zijn omgeving nogal verontrust reageerde op zijn scriptie-onderwerp. „Men vond mij arrogant: wie denk jij wel dat je bent om je aan de domheid te wagen? Docenten waren bang dat ik hen zou bekritiseren.” Domheid, zo ontdekte hij, is een taboe. „Wie zijn toevlucht neemt tot het woord ‘dom’ weet volgens Musil niet goed waar hij het over heeft. Je noemt namelijk iemand ‘dom’ omdat je iets van die ander niet te pakken krijgt. In feite duw je zo een ander uit de conversatie, een gesprek wordt daarna onmogelijk. Het is de laatste stap voordat men tot fysiek geweld overgaat.”

Gelukzaligheid en manie

Dat ‘de domheid’ zijn leven volledig zou gaan beheersen, kon Van Boxsel destijds nog niet bevroeden. Inmiddels heeft hij acht boeken op zijn naam staan, waaronder het recent uitgebrachte De Topografie van de Domheid, en reist hij als ‘domgeer’ de wereld rond om lezingen te geven. Dat dit laatste boek – hij noemt het met trots het ‘moederboek’ waar alle andere boeken uit geboren zijn – eindelijk in de boekhandel ligt, is voor hem een ware opluchting. „Ik ben volledig uitgeput, maar ontzettend dankbaar.”

Jarenlang brak hij zich het hoofd over een allesomvattende theorie over de domheid. Zo bevlogen was hij dat hij er bijna aan onderdoor ging. „In 1986 gaf ik het eerste deel van De Encyclopedie van de Domheid uit. Ik had allerlei verhalen en grappen over domme steden in Nederland verzameld. Dat zette me aan het denken. Waarom waren juist die steden het slachtoffer van de spot? Die vraag had ik beter niet kunnen stellen.” In zijn zoektocht stuitte hij op een enorme hoeveelheid materiaal. „Ik verkeerde in een roes, werkte dag en nacht, een totaal gelukzalige toestand, maar ook een manische periode.” Hij zocht naar een soort logica van de domheid, een causale lijn, maar een sluitende theorie kwam er maar niet.

In 1992 ging het goed mis. Hij kreeg last van boezemfibrillaties. „Ik had een totale instorting. Op een gegeven moment keek ik naar het A-4tje waarop ik al eerder mijn theorie had uitgewerkt, ineens kon ik er geen touw meer aan vastknopen.” Hij was, zoals hij het zelf noemt, op zijn eigen ‘domheidspunt’ beland. „Dat was het moment waarop ik een hometrainer heb aangeschaft. Iedere dag zat ik op dat ding, al draaiende herhaalde ik telkens dezelfde theorie in mijn hoofd en iedere dag dacht ik de oplossing te hebben gevonden, maar telkens was het toch niet het geval.”

Toen, een jaar later, zag hij het licht. „Mijn theorie volgde telkens een causale lijn, ineens dacht ik: nee, ik moet dit in een spiraalvorm vatten!” Hij pakt een papier met daarop een tekening, getiteld ‘De Stultodroom’. Het is, wat hij noemt, ‘zijn literaire eenmanstheorie’. Als ’patafysicus (iemand die met behulp van denkbeeldige oplossingen een evident absurde theorie ontwikkelt, red.) wilde hij geen wetenschap bedrijven maar probeerde hij op zijn eigen manier „in het reine te komen met de idiotie van het bestaan.” Hij toont een wereldomvattende spiraal met termen als ‘Paradijs’, ‘Domheid als erfzonde’ en ‘Harmonie met domsteden’. „Zie je wel!” Opgetogen kijkt hij op en barst, bij het zien van de verbijsterde blik van zijn interviewer, in lachen uit.

U legt mij in een paar minuten een theorie uit waar u jaren aan heeft gewerkt. Het spijt me, maar ik ben de weg kwijt.

„Het is ook lastig. Ik besteed in mijn laatste boek bewust niet te veel aandacht aan de Stultodroom. Ik houd me met name bezig met de vraag welke rol de domheid speelt in onze identiteit.”

Bij uw boek is een topografische kaart toegevoegd met daarop alle ‘spreekwoordelijke domoorden van Nederland’. Hoe zijn die domme steden ontstaan?

„Het is een eeuwenoude menselijke behoefte om de ander te beschimpen. Uit de klassieke oudheid zijn al verhalen over domme steden geleverd. De Grieken vertelden grappen over de inwoners uit de stad Abdera, in de Arabische wereld werden verhalen verteld over de domheid van de Syrische Hims. Uiteindelijk kent elk land binnen en buiten de landsgrenzen steden en provincies die bekend staan als dom. Nederlanders noemen de Belgen dom, en die bespotten weer de Luxemburgers en die weer de Duitsers en ga zo maar door. Dat is de stultodroom, een zwalkende meridiaan van de domheid die zich over de wereld slingert. Hij kan samenvallen met bergketens, rivieren en grenzen. Maar ook binnen Nederland kennen we maar liefst 52 domoorden, waaronder Kampen en Dokkum.”

Wanneer kwamen die domme steden op?

„In de zestiende eeuw. Toen de grenzen van Nederland werden bepaald en er een eenheid van taal en religie ontstond, zag je dat de spot zich ging concentreren op een aantal steden. Die kregen, wat ik noem, een ‘spreekwoordelijk domme rol’. Uit die periode stamt ook het oudste verhaal over Kampen.”

Kampen zou sinds 1563 de onbetwiste hoofdstad van de domkoppen zijn.

„Uit dat jaar stamt het verhaal dat de inwoners zout zouden hebben gezaaid om zoutplantjes te kweken. En zo zijn er veel meer Kamper uien – epische kluchten waarin de domheid van inwoners, en met name de bestuurders, wordt bespot.

„Beroemd is het verhaal van een bisschop die in Kampen op bezoek komt. De burgemeester wil hem een steur serveren maar wanneer het bezoek wordt afgezegd, wordt de steur met een belletje teruggezet in de IJssel. Men hoopt hem later weer te kunnen vangen. En dan is er nog het verhaal van de veldwachter: om te voorkomen dat hij het graan vertrapt, dragen vier Kampenaren hem over de akker.”

Is dit ook echt gebeurd?

„Dat valt niet te bewijzen. Sterker nog, er worden al eeuwenlang identieke spotverhalen verteld over verschillende steden wereldwijd. Zelfs in hun domheid zijn die steden niet origineel. Dat verhaal over die veldwachter vind je ook terug in India, alleen gaat het dan over een olifantje dat door twintig man over een rijstveld wordt getild.”

Waarom zijn die verhalen er dan?

„Die gaan uiteindelijk over onze identiteit. Je kunt een Nederlander onderscheiden van een Engelsman, Belg of een Duitser in taal, voeding of gewoonten. Dat is de buitengrens van onze identiteit. Maar vraag je wie er binnen Nederland de ‘Ware Nederlander’ is, dan ontstaat er direct ruzie tussen Nederlanders onderling. Is het Erasmus? Cruijff? Beatrix? Deze tweespalt staat de eenheid en identiteit van het land in de weg. Ik draai de redenering om: pas in de vergeefse pogingen onszelf als Nederlanders te bewijzen worden we Nederlanders. Die mislukking vormt de kern van onze identiteit. Omdat we dit niet aan kunnen, wijzen we naar domoorden die de eenheid in de weg staan. Zo worden die steden de zondebokken waar we heimelijk onze tweespalt verheerlijken.”

Via moppen lachen we dus onze eigen domheid uit?

„Ja, domoorden zijn een kwestie van staatsraison.”

U schrijft dat vroeger op marktpleinen veel spotverhalen werden verteld. Liep de spotter ook gevaar?

„Jazeker, spot kon ontaarden in geweld. Vanaf de Middeleeuwen tot de zeventiende eeuw werd in Europa een schandmasker gebruikt om wangedrag te bestraffen. Er waren ook spotters bij wie een narrenkap over het hoofd werd getrokken met belletjes, via een fluitje in de knevel trok hij de aandacht. En Noord-Holland had een wet die bepaalde dat je tong kon worden vastgespijkerd op een plank. In Syrië kon de spotter zelfs worden gekruisigd.”

Werd de vrijheid van meningsuiting soms wettelijk vastgelegd om de spot tegen te gaan?

„Om de rechters houvast te geven, stelden de Franken in de Middeleeuwen een tarievenschaal op voor de beboeting van spot. Iemand uitschelden voor ‘Keuteltje’ (Concacatus) kostte de dader drie tot zes gouden matten, dat was een flink bedrag. Vrije meningsuiting kon makkelijk leiden tot pogroms, dat werd toen al via dit soort wetgeving beteugeld.”

Kunnen we tegenwoordig nog wel grappen maken over de ander?

„We spotten om de ander te kwetsen. Maar er bestaan ook gemakzuchtige moppen over domme blondjes, Surinamers of Turken die alleen maar vooroordelen bevestigen. Anderzijds, als alle spot verboden wordt, zal de agressie en discriminatie een andere weg zoeken. Door de huidige identiteitspolitiek zijn we als de dood om de ander te kwetsen. Maar, zoals ik al eerder zei, in de kern weet uiteindelijk niemand wat zijn of haar identiteit daadwerkelijk inhoudt. Daar kom je pas via het conflict met de ander achter.”

Zullen we de ander altijd van domheid blijven betichten?

„Ongetwijfeld. Maar realiseer je wel: waar twee mensen zijn, is de één dommer dan de ander. Ik zeg altijd: geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen, dus hoe kun je dan de ander van domheid betichten? Je kunt niet buiten je eigen wijsheid gaan staan om hier de domheid van te bepalen.”

Op die manier kun je dus eindeloos over de domheid doorschrijven zonder ooit een conclusie te bereiken?

„Precies.”