Reportage

Op de set van ‘De Oost’: filmen terwijl het leger toekijkt

Setreportage | De Oost Tijdens het draaien van ‘De Oost’, over de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië, zuchtten cast en crew onder de hitte, overstromingen en tropische ziekten op Java. En afgevaardigden van het leger kwamen langs op set.

Foto Milan van Dril / New Amsterdam Film Company

De rubberen aap krijgt nog een extra lik vaseline over zijn kop en wat verse rode vloeistof rond zijn schotwond voordat ze de scène nog een keer opnemen. „En dan nu de variant dat-ie de aap van de grond oppakt.” Regisseur Jim Taihuttu kijkt aan de rand van het veld mee op een scherm.

Het is begin april 2019 en de crew van De Oost is aan het draaien op het Indonesische eiland Java, enkele tientallen kilometers ten zuiden van Bandung. Ze nemen scènes op uit het begin van de film. Hoofdpersoon Johan de Vries, gespeeld door Martijn Lakemeier, is net uit Nederland aangekomen en treft een club verveelde soldaten die amper iets te doen hebben. De aap die ze hebben geschoten hangt in de film een scène later zwartgeblakerd aan het spit. Johan krijgt een stuk aangeboden: „Hier, net varkensvlees.”

Militaire insteek

De filmcrew bivakkeert bij de oude villa van Karel Albert Rudolf Bosscha, een Nederlandse opzichter die in de koloniale tijd met veel succes theeplantages exploiteerde in dit koele heuvelgebied. ‘Ru’ Bosscha ligt een paar honderd meter verderop begraven. Zijn grafmonument en het tuintje erom heen worden keurig bijgehouden; Bosscha had hier een goede naam omdat hij de regio sterk vooruit hielp. Nog steeds staan de glooiende velden vol theestruiken. De strohoeden van de theeplukkers steken net boven het knalgroen van de planten uit.

In de film is van die theevelden maar weinig terug te zien. Het theehuis is omgebouwd tot kwartier van Nederlandse militairen die in 1946 en 1947 orde op zaken moeten komen stellen in wat volgens de lokale bevolking dan al de republiek Indonesië heet, maar waar Nederland op dat moment nog niets van wil weten. Aan de muur hangen kaarten met Japanse tekens, een verwijzing naar de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Langs de kant staan rijen geweren opgesteld.

Die geweren en de militaire insteek van de film in het algemeen maken de productie een lastige klus, vertelt de Indonesische coproducent Shanty Harmayn: „We hebben apart toestemming moeten vragen aan het leger om wapens te mogen gebruiken.” Harmayn is al sinds 2014 bij de productie van De Oost betrokken. Jarenlang zocht ze mee naar de beste locaties om te filmen. Uiteindelijk kiezen ze vier hoofdlocaties waar ze ruim twee maanden draaien. Allemaal op Java, al speelt een deel van de film op het eiland Sulawesi, het vroegere Celebes.

Shanty Harmayn heeft ook alle plannen en het script vertaald en voorgelegd aan de Indonesische overheid om film- en werkvergunningen te regelen. Zij ziet de film als pro-Indonesisch: „En dat heeft zeker uitgemaakt bij de goedkeuring van alle aanvragen. Voor mij persoonlijk maakt het ook uit. Mijn opa heeft ook tegen de Nederlanders gevochten in die jaren.” In Indonesië zijn de wreedheden die begaan werden door kapitein Raymond Westerling, in de film gespeeld door Marwan Kenzari, standaard onderdeel van het geschiedenisonderwijs over de onafhankelijkheidsoorlog. Harmayn: „Maar ik begreep dat hij in Nederland helemaal niet algemeen bekend is.”

Spanningen op de set

Het naspelen van koloniaal geweld op Indonesisch grondgebied veroorzaakte af en toe spanningen op de set, vertelt acteur Martijn Lakemeier een paar weken nadat hij teruggekeerd is in Nederland aan de telefoon. Bijvoorbeeld als hoge ambtenaren of afgevaardigden van het leger langskwamen: „Die zaten dan ergens op een speciale plek in de schaduw. Dan denk je wel twee keer na voor je een gekke bek trekt. Dat was natuurlijk anders geweest als we een romantische komedie hadden opgenomen.”

De argwaan kwam soms van twee kanten, zegt Lakemeier, want bureaucratische rompslomp is aan de orde van de dag in Indonesië: „We hadden veel gedoe met het aanvragen van verblijfsvergunningen. Dan vraag je je wel af: is dit één hoge kolonel die iets van ons wil, of is het serieus ingewikkeld om te regelen? Eén ding is zeker, het duurde allemaal ontzettend lang.” Ze hebben het filmen een paar maanden moeten uitstellen omdat de vergunningen voor de acteurs niet rond kwamen. Daar kwam de vertraging van het draaien in Nederland door de coronamaatregelen in maart vorig jaar nog bovenop.

Schorpioen in de nek

Terug op de set bij Bandung rent tussen de scènes door steeds een assistent naar Martijn Lakemeier om een grote paraplu boven zijn hoofd te houden tegen de zon. Al beginnen ze vaak al met draaien om 6 uur ’s ochtends en smeren de acteurs zich in met zonnebrandcrème van factor 100, zonnesteken komen geregeld voor onder de crew. Van opnameleiders tot figuranten, niemand ontkomt aan de tropische hitte.

En de lijst ontberingen is langer. Met een club van ongeveer 300 man maken ze van alles mee: voedselvergiftiging, dengue, malaria. Er lopen zelfs twee figuranten buiktyfus op. Een van de regieassistenten voelt tijdens het draaien iets kriebelen in haar nek. Ze graait ernaar en gelukkig steekt de schorpioen die ze er aantreft in haar hand en niet in haar hals. En als ze eens in een droge bedding filmen maar het verderop landinwaarts regent en dat water plotseling komt aanstromen, verdrinkt een deel van de apparatuur.

De maanden op Java waren „zowel mentaal als fysiek een enorme uitdaging, maar ook een geweldig avontuur”, zegt Lakemeier over hun ontberingen. „En Indonesiërs zijn geweldig vriendelijk, ze doen hun werk met een grote lach.” Op het veldje achter het theehuis staan partytenten klaar voor de lunch, buffetstijl met grote bakken Indonesische rijsttafel. Het eten is hem na een maand of twee wel gaan tegenstaan, zegt Lakemeier: „Iedere dag hetzelfde. Gelukkig konden we op een gegeven moment toast met pindakaas regelen als ontbijt.”