‘Onderwijsprogramma is schieten met hagel op achterstanden’

Leerachterstanden Experts zijn positief over plannen van de overheid tegen leerachterstanden. Maar ze hebben twijfels over hun effectiviteit.

Een onderwijzer op een Hilversumse basisschool geeft online les tijdens de lockdown.
Een onderwijzer op een Hilversumse basisschool geeft online les tijdens de lockdown. Foto Sander Koning/ANP/HH

‘Scholen pakken leerachterstanden aan met bewezen interventies’. Zo luidde de kop boven het persbericht dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap maandagochtend publiceerde. Het ging over het Nationaal Programma Onderwijs dat de besteding van 8,5 miljard euro regelt. Scholen en universiteiten kunnen uit deze enorme pot geld putten voor de bestrijding van achterstanden die leerlingen en studenten hebben opgelopen als gevolg van de twee lockdowns in het onderwijs.

‘Bewezen interventies’ slaat op een reeks oplossingen waarvoor scholen kunnen kiezen en daarvoor dus (eenmalig) geld krijgen; per leerling gemiddeld zo’n 700 euro. Op een website die maandag door OCW werd gelanceerd, wordt per oplossing aangegeven wat er bekend is over de effectiviteit van de betreffende aanpak, hoe stevig de bewijsvoering ervoor is, en hoeveel de aanpak kost.

Niet eerder kregen scholen en leraren zulke grondig onderbouwde [...] kennis zo toegankelijk en praktisch

Ministerie OCW

Uiteenlopende opties komen langs, zoals klassenverkleining, verlenging van de schooldag, meer bijles, extra sportactiviteiten en meer digitale middelen zoals laptops. „Niet eerder hebben scholen en leraren in Nederland zulke grondig onderbouwde wetenschappelijke kennis zo toegankelijk en praktisch gekregen”, aldus het persbericht van het ministerie.

Onderwijsonderzoekers die NRC sprak, verwelkomen het keuzemenu als goede eerste stap, maar zijn er aanmerkelijk minder zeker van dat de aangereikte oplossingen daadwerkelijk gaan helpen. Ze wijzen erop dat het succes van de genoemde interventies niet bewezen is, althans, niet in Nederland. De genoemde effecten zijn gebaseerd op Brits onderzoek naar scholen in het VK en de VS, blijkt uit verwijzingen op de website van het ministerie. Maar die verschillen bijvoorbeeld qua hoeveelheid lestijd van de Nederlandse scholen. Ook ontbreken hier omstandigheden die bijdragen aan de effectiviteit van achterstandsbestrijding, zoals bleek uit het Britse onderzoek: voldoende aanbod van goed getrainde leraren en instructeurs, strenge eisen aan tutorprogramma’s, ontwikkelde curricula voor zomerscholen, en de aanwezigheid van instellingen die scholen helpen om vernieuwingen te implementeren.

„Ik vind de menukaart een erg goed initiatief”, zegt onderwijssocioloog Thijs Bol van de Universiteit van Amsterdam. „We kunnen er gerichter mee gaan schieten op opgelopen achterstanden. Maar het blijft toch een beetje een schot hagel.” Bol is lid van het Outbreak Management Team voor het onderwijs dat scholen helpt bij de bestrijding van achterstanden. De Britse ervaringen en kennis zijn behulpzaam maar bieden volgens Bol een te smalle basis om goed te kunnen bepalen wat in Nederland werkt. „In de VS zijn bijvoorbeeld de schoolvakanties langer dan in Nederland, dus is het logisch dat zomerscholen daar goed werken”, zegt Bol. „In Nederland is tot nu toe maar één studie gedaan naar zomerscholen die overigens wel een positief effect liet zien.”

Digitale dichtheid

Andere verschillen tussen het VK en Nederland hebben te maken met digitale technologie. Zo kennen arme delen van Engeland veel cold spots zonder digitale infrastructuur. Dat maakt de potentiële inhaalslag met wifi en laptops bij Britse achterstandsprogramma’s veel groter dan in Nederland, dat een grote digitale dichtheid kent.

Iets wat in het ene land goed werkt, hoeft niet per se te werken in het andere

Tijana Breuer onderwijsdeskundige

„Iets wat in het ene land goed werkt, hoeft niet per se te werken in het andere”, zegt ook onderwijsdeskundige Tijana Breuer. „Je moet de elementen die werken zo goed mogelijk kopiëren, aanpassen aan de nieuwe context en vervolgens evalueren. Daarvoor is veel tijd nodig.”

Breuer, die parttime werkt voor de Universiteit Maastricht en parttime voor de Onderwijsinspectie, ziet het keuzemenu van OCW „als een overzicht van kansrijke opties”. Tutoring (les aan kleine groepen), bijvoorbeeld, en het geven van gerichte feedback aan leerlingen zijn „krachtige, werkzame interventies die, mits goed uitgevoerd, in verschillende contexten kunnen werken”.

Leraren en schoolleiders moeten bij de implementatie geholpen worden, beklemtoont Breuer. „Alleen kennis over de schutting gooien bij scholen is niet voldoende”, zegt ze. „We moeten samen met de leraren nadenken hoe die kennis landt binnen de scholen.” Het Verenigd Koninkrijk sleutelt daar al tien jaar aan. „Dat levert daar mooie initiatieven op, maar ook die zijn nog niet altijd effectief” . Zelf levert Breuer een bijdrage aan de vertaalslag in Nederland van onderzoek naar onderwijs. Via het mede door haar opgerichte Education Lab in Maastricht helpt ze onderzoek naar wat effectief is in de strijd tegen onderwijsachterstanden, toegankelijker te maken.

Ook Melanie Ehren, net als Bol lid van het onderwijs-OMT en hoogleraar gedrags- en onderwijswetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, hamert op het belang van de implementatie. „Je kunt nog zulke veelbelovende programma’s aanbieden, maar als leerlingen niet komen opdagen heb je daar niet veel aan.” Helderheid over verplichtingen voor leerlingen om deel te nemen en (sport)activiteiten ter afwisseling van (saaie of zware) leerprogramma’s zijn daarom belangrijk, zegt ze.

Inmiddels zijn er de nodige Nederlandse organisaties zoals de PO-Raad, het onderwijs-OMT en haar onderzoeksinstituut Learn! van de VU, die veel weten over die randvoorwaarden, aldus Ehren. „Ik vind de menukaart een goed begin, maar ik mis op de website verwijzingen naar die specifieke Nederlandse ervaringen en initiatieven. ”

Alarm slaan

Tot slot, wie achterstanden wil bestrijden, moet wel weten wat die precies zijn. In het basisonderwijs bestaat daar enige kennis over, constateert Mark Verhagen, onderzoeker aan de universiteit van Oxford, maar binnen het voortgezet onderwijs veel minder. Basisscholen werken met leerlingvolgsystemen die de resultaten van de gestandaardiseerde toetsen opslaan. Middelbare scholen hebben die nauwelijks.

Verhagen werd tijdens de ontwikkeling van de menukaart geraadpleegd door het ministerie. Hij heeft het ministerie gewezen op „moeilijkheden en complexiteiten” in de aanpak, vertelt Verhagen vanuit Oxford. Die zitten volgens hem niet alleen in de schaarste aan gestandaardiseerde toetsen binnen het voortgezet onderwijs. Zelfs de toetsen op basisscholen hebben belangrijke tekortkomingen, zegt hij. „Die testen zijn extreem ruisgevoelig. De geregistreerde prestaties van kinderen gaan vaak enorm op en neer, en zijn vaak afhankelijk van het moment van toetsen.”

Mede daarom relativeren leerkrachten op basisscholen de uitslagen nogal eens, en slaan zij niet snel alarm bij eventuele achteruitgang. Verhagen: „Opvallend was dat na de eerste lockdown vorige zomer schoolbesturen in het basisonderwijs rapporteerden dat er niet veel achterstanden waren opgelopen. In mijn onderzoek met veel grotere hoeveelheden gegevens, kon ik juist zien dat die achteruitgang er wel degelijk was geweest.”

Goede metingen zijn niet alleen nodig om tijdig alarm te slaan. Ze zijn ook essentieel om de vooruitgang als gevolg van specifieke aanpakken in beeld te brengen, zegt Thijs Bol van de Universiteit van Amsterdam. „Als je geen goede meting vooraf hebt gedaan, heb je geen idee welke interventie heeft gewerkt en welke niet. Het zou toch erg jammer zijn, nu we miljarden euro’s in het onderwijs investeren, als we over pakweg drie jaar nauwelijks idee hebben wat effectief was.”