Ja, het is nu saai, maar die oude onrust en fomo? Nooit weer

Wennen Nu het einde van de lockdown nadert, merkt dat de euforie die hij zich had voorgesteld uitblijft. Waar komt dat ‘bleh’-gevoel vandaan? Zijn we vervreemd geraakt van het leven vóór corona?

Illustratie Fien Rijks

Daar zat ik, met mijn smartphone in mijn hand en mijn laptop opengeklapt, licht gespannen naar beide schermen te staren, om een van de laatste 1.500 tickets voor Lowlands te bemachtigen. Een missie die bij voorbaat al gedoemd was te mislukken. „Nog 17.000 wachtenden voor je”, meldde de ticketwebsite. De volgende dag las ik in de krant dat de kaarten binnen drie seconden weg waren.

Zo denderde er na een ruim jaar van lockdowns, verstilling en thuisisolatie iets terug in mijn leven dat ik bepaald niet had gemist: gejaagdheid, onrust, fomo.

Zeker, het leven in coronatijd was saai, eentonig en bij tijd en wijle somber, maar ook: rustig, prikkelarm en overzichtelijk. Zonder aan de verschrikkingen van de pandemie voorbij te willen gaan, was het op gezette tijden best aangenaam: om in een weekend alle delen van de Lord of The Rings-trilogie opnieuw te bekijken – en daar genoegen mee te nemen.

Naast een manier om het virus in te dammen, was de lockdown onbedoeld ook een verplichte sabbatical voor rusteloze zielen zoals ik.

Nu ik er langer over nadacht: had ik eigenlijk wel zin om deze zomer met 55.000 andere mensen op een grasveld te gaan staan? De gedachte alleen al maakte me moe – en zelfs een beetje nerveus. Die kolkende mensenmassa’s, de gebroken nachten, dat voortdurend ‘aan’ staan. Hoe ging dat ook alweer?

Ruim een jaar lang had ik uitgekeken naar de terugkeer van het ‘normale’ leven, ik had me verheugd op de veelbelovende ‘summer of love’ en alles wat daar maar bij hoorde, maar nu het dan eindelijk bijna zover was, werd ik overvallen door een gevoel dat ik niet had zien aankomen: tegenzin.

„Nu moet ik weer een excuus bedenken als ik vroeg naar huis wil”

Uit een korte rondvraag langs een aantal vrienden en bekenden – twintigers en dertigers wonend in de Randstad, die zichzelf net als ik eerder als extravert dan als introvert zouden beschrijven – blijkt dat ik niet de enige ben die een zeker ongemak ervaart bij de gedachte aan het leven ná corona.

„Stiekem vond ik de avondklok best fijn”, zegt vriendin S. „Nu moet ik weer een excuus bedenken als ik vroeg naar huis wil.”

„Elke dag lekker op tijd naar bed, geen vervelende collega’s om me heen. Zo slecht was het dit afgelopen jaar nog niet”, aldus kennis J.

„Ik zie vooral op tegen de terugkeer van verplichte afspraken”, zegt kennis E. „Van die verjaardagen waarbij je je afvraagt: waarom ben ik hier?”

Wellicht lijden we aan een lichte vorm van re-entry anxiety of post-isolation anxiety, termen die gewoonlijk worden gebruikt voor mensen die lange tijd geen deel uitmaakten van het alledaagse leven – gevangenen, uitgezonden militairen, humanitaire hulpverleners – en weer terug de maatschappij in moeten.

Na de eerste lockdown van 2020 en in de afgelopen maanden doken de termen in verschillende internationale kranten op, om de nervositeit te beschrijven die sommige mensen ervaren bij de terugkeer naar het post-coronaleven. Corona heeft ons vervreemd van ‘de ander’, we hebben tijd nodig om weer aan elkaar te wennen, zo luidt de teneur van die stukken.

Lees ook: Moeten we straks écht weer zoenen en naar kantoor?

Het klinkt aannemelijk. Maar misschien is er wel meer aan de hand, denkt psychiater Damiaan Denys, die in april vorig jaar opzien baarde toen hij in een opiniestuk in NRC pleitte voor de ‘omarming’ van het virus. Daarmee bedoelde hij dat de pandemie de excessen van onze moderne levensstijl blootlegt – overconsumptie, een doorgeschoten globalisering en individualisering – en dat we daar lering uit kunnen trekken.

„Ik kreeg daar veel kritiek op, maar ik denk dat mijn punt van toen bewezen is”, zegt Denys aan de telefoon. „Ruim een jaar van betrekkelijke stilstand is voldoende om ons normen-en-waardenstelsel te doen kantelen. Vóór corona waren we eraan gewend dat het leven een bepaald tempo had. Dachten we aan de zomer, dan dachten veel mensen: vliegvakanties! Festivals! Het maximale uit het leven halen! We hadden nooit de tijd om onszelf de vraag te stellen: is dit eigenlijk wel wat ik wil? Corona heeft ons gedwongen om daarop te reflecteren.”

Niet toevallig stonden kranten en tijdschriften in coronatijd vol met mensen die radicaal het roer omgooiden – al dan niet gedwongen. Ze verruilden de stad voor het platteland, zegden hun banen op, joegen langgekoesterde dromen na.

Toets ik de vraag van Denys aan mezelf, dan merk ik vooral dat een wat rustiger tempo van leven veel beter bij me blijkt te passen dan ik vóór corona had kunnen bedenken. De zomer van 2020 – zonder de gebruikelijke festivals en vakanties – was misschien wel een van de meest ontspannen zomers sinds jaren.

Denys is niet verbaasd. Hij noemt de samenleving van vóór corona een „oververhitte” samenleving. „De pandemie nodigt ons uit om een nieuwe relatie aan te gaan met onszelf. Als er ooit een tijd was om bepaalde ingesleten patronen te doorbreken, dan is het nu”, aldus de psychiater.

Werp een blik op de coronabrandhaarden in India en Brazilië en je begrijpt dat de pandemie niet zomaar voorbij is

Toch ervaar ik zelf – en het merendeel van de mensen om mij heen, zo lijkt het – allang niet meer die positieve energie die ik vorig jaar zomer ervaarde. Dat gevoel van rust, opgeruimdheid en sereniteit, heeft plaatsgemaakt voor een sluimerend gevoel van stagnatie, leegte en uitzichtloosheid – ondanks het vaccin. Werp een blik op de coronabrandhaarden in India en Brazilië en je begrijpt dat de pandemie niet zomaar voorbij is.

Op sommige dagen lijk ik me in een impasse te bevinden, waarin ik enerzijds snak naar nieuwe ervaringen en prikkels en anderzijds mokkend onder mijn fleecedeken wil blijven zitten – onzeker over hoe het leven er straks uit gaat zien.

Het is vermoedelijk het algehele ‘bleh’-gevoel dat de Amerikaanse psycholoog Adam Grant recentelijk in een artikel in The New York Times aanduidde met languishing. In het Nederlands betekent dat zoiets als ‘wegkwijnen’. Het is geen depressie, het is geen burn-out, maar iets daartussenin. „De afwezigheid van welbevinden”, aldus Grant.

Het prikkelarme bestaan, dat in de zomer nog als een lange vakantie voelde, lijkt na een eindeloze, donkere winter waarin het land opnieuw op slot ging dan toch zijn tol te eisen. Maar volgens Stefan van der Stigchel, hoogleraar cognitieve psychologie aan de Universiteit Utrecht en expert op het gebied van aandacht, is het niet juist om te stellen dat het leven in coronatijd ‘prikkelarm’ is.

„Prikkels zijn er altijd, ook als we een rustgevende wandeling door een bos maken”, zegt hij. „We lijken in deze tijd vooral een bepaald type prikkel te missen. De omgeving waarin we ons bevinden, draagt voor een belangrijk deel bij aan hoe gemotiveerd, geïnspireerd en alert we zijn. Het is goed denkbaar dat het vele thuiszitten een verlammend effect op veel mensen heeft.”

Er zullen genoeg mensen zijn die wat meer tijd nodig hebben om te wennen aan de terugkeer van het ‘oude leven’

Misschien komt de geestesgesteldheid waarin veel mensen zich momenteel bevinden nog het dichtst in de buurt van langdurige verveling, denkt Van der Stigchel. „We maken simpelweg heel weinig mee. Maar er is niet veel voor nodig om die knop om te zetten. Toen ik laatst voor het eerst sinds tijden weer eens met de trein ging, merkte ik het al: ik was meteen weer wakker. Ik kreeg er nieuwe energie van.”

Maar dat is nog maar een onschuldig ritje in de trein. Bestaat er zoiets als jezelf aan te veel prikkels in één keer blootstellen?

„Dat is een interessante vraag”, zegt Van der Stigchel. En volgens hem is er geen eenduidig antwoord op te geven. „Ik denk dat er grote individuele verschillen zullen zijn. De Fieldlab-evenementen waren een groot succes. Het ging los. Maar dat waren allemaal mensen met enorme ‘knaldrang’: ze stonden te popelen om weer eens te feesten.”

Er zullen genoeg mensen zijn die wat meer tijd nodig hebben om te wennen aan de terugkeer van het ‘oude leven’, vermoedt Van der Stigchel. Net als Denys denkt hij dat dit een goed moment is om na te denken over wat we mee willen nemen uit het afgelopen jaar, en wat niet.

„De mensen die de rust van de afgelopen tijd eigenlijk wel prettig vonden, kunnen daar straks hopelijk bewustere keuzes in maken. Veel mensen leidden vóór corona een gejaagd leven. Door de pandemie weten zij nu dat het heel prettig kan zijn om elke dag een rondje te wandelen en je dagen niet helemaal vol te plannen.”

„We kunnen niet terug in de tijd, het verleden is voorbij”

Van der Stigchel verwacht in elk geval niet dat we straks massaal overprikkeld zullen raken. Hij maakt een vergelijking met zijn werkplek op de universiteit. „In de zomer is het er altijd heerlijk rustig. De eerste dag van het nieuwe collegejaar, als de studenten weer terug zijn, denk ik altijd: tjonge, wat is het hier druk. Maar een paar keer knipperen met je ogen en je bent er weer aan gewend.”

En dan? Zijn we dan eindelijk weer aanbeland bij het ‘oude normaal’, waar we zo lang naar uit hebben gekeken? Volgens Denys is dat een illusie. „Vergeet het maar”, zegt hij. „We kunnen niet terug in de tijd, het verleden is voorbij. Ook als er geen corona was geweest. We zullen in een nieuwe wereld leven, met nieuwe contouren die we nu nog niet helder kunnen zien.”

Sans gêne moet ik terugdenken aan een specifieke scène in het derde deel van de eerdergenoemde The Lord of The Rings-trilogie, die ik afgelopen winter op de zoveelste zaterdagavond zonder sociale afspraken zag – gewikkeld in mijn fleecedeken.

Na de queeste van Frodo en zijn reisgenoten om de ring te vernietigen, keert het gezelschap eindelijk weer terug naar huis. Ze hebben ernaar uitgekeken. Ze gaan terug naar hun vertrouwde café, ze kijken onwennig om zich heen en dan beseffen ze het pas: de wereld is veranderd, zij zijn veranderd, niets is nog hetzelfde. En vervolgens heffen ze toch maar het glas.