Opinie

De escalaties in Jeruzalem hebben verdacht veel weg van de Tweede Intifada

Israël-Palestina

Commentaar

De beelden zijn helaas maar al te bekend: Israëlische legerkistjes in de Al-Aksamoskee, raketten van militante groeperingen die op Israël afgevuurd worden, Israëlische luchtaanvallen op de Gazastrook. Het Israëlisch-Palestijnse conflict heeft opnieuw een kookpunt bereikt, in wat de ernstigste escalatie lijkt sinds de Gazaoorlog van 2014. Een tragische vernieuwing was dat militante groeperingen nu ook raketten op Jeruzalem afvuurden. Tot nu toe hadden Israëlische en Palestijnse bewoners nog het idee dat groeperingen als Hamas het niet zouden aandurven om te mikken op hun stad, met haar vele joodse, islamitische en christelijke heiligheden. Maar ook die lijn kon kennelijk overschreden worden.

Die raketaanvallen vanuit Gaza dienen onvoorwaardelijk te worden afgekeurd. Het is een oorlogsmisdaad om projectielen af te vuren op willekeurige doelen, met grote kans op burgerslachtoffers. Op zijn beurt zegt Israël in de Gazastrook op militaire doelen te mikken, maar juist daar vallen er ook burgerdoden, onder wie kinderen. De raketten op Israël veroorzaakten tot nu één dode.

Het is verstandig dat de internationale gemeenschap beide partijen tot kalmte oproept. Toch blijkt daaruit onmacht. Exemplarisch zijn de vele varianten op formuleringen als ‘de EU spreekt haar bezorgdheid uit’. Hoe meer de strijd escaleert, hoe dieper die bezorgdheid – maar helpen doet het niets.

Die oproep tot kalmte mag evengoed niet in de weg staan van een heldere analyse van de oorzaken van de oplaaiende strijd. Twee factoren aan Israëlische zijde hebben de gemoederen flink aangejaagd. Om te beginnen de huisontruimingen van Palestijnen in Sjeikh Jarrah, een wijk even ten noorden van de Oude Stad in het door Israël bezette Oost-Jeruzalem. Die uitzettingen getuigen van systemische discriminatie. Aan beide kanten van de Groene Lijn tussen Israël en bezet gebied zijn er Israëliërs en Palestijnen wier voorouders in 1948 uit hun huizen gedreven werden. Volgens de Israëlische wet kunnen Joodse organisaties woningen claimen waar ooit een Jood gewoond heeft, ook al wonen er nu al ruim zeventig jaar Palestijnen. Andersom hebben Palestijnen dat recht niet. Deze praktijk vraagt om een scherpe internationale veroordeling.

Een andere factor is de politieke roekeloosheid van premier Benjamin Netanyahu. Na vier verkiezingen in twee jaar tijd, en evenzovele vruchteloze pogingen om een kabinet te vormen, lijkt zijn politieke einde nabij. Dit wil hij ten koste van alles voorkomen, al was het maar omdat hij verdachte is in verschillende corruptiezaken. Het was voor hem cynisch genoeg profijtelijker om tijdens de ramadan een slag om Jeruzalem te ontketenen, door de belangrijkste toegangspoort tot de moslimwijk in de Oude Stad te sluiten en soldaten ongeprovoceerd de Al-Aksamoskee binnen te sturen, dan om deëscalerende maatregelen te nemen.

Aan Palestijnse zijde valt er te wijzen naar president Mahmoud Abbas, die er maar niet in slaagt om verkiezingen te organiseren. De Palestijnen verdienen het om hun eigen vertegenwoordigers te kiezen. Nu zitten ze met een vermolmd en diep verdeeld leiderschap, dat niet bij machte lijkt om de gewenste kalmte tot stand te brengen.

In september 2000 bracht de toenmalige Israëlische premierskandidaat Ariel Sharon een omstreden bezoek aan de Tempelberg/Haram al-Sharif, die door zowel joden als moslims heilig gevonden wordt. Deze gebeurtenis wordt gezien als de lont in het kruitvat van de Tweede Intifada. Treurig genoeg hebben de gebeurtenissen van nu hier verdacht veel van weg.

Aanvulling (11/5): In een eerdere versie van dit commentaar stond dat de raketten op Israël tot nu toe alleen gewonden en materiële schade veroorzaakt hadden. Inmiddels is er aan Israëlische zijde een dode te betreuren. Dit is aangepast in de tekst.