Beloofde extra woonwagenstandplaatsen nauwelijks waargemaakt

Kamerbrief Er is een tekort aan woonwagenstandplaatsen en gemeentes doen te weinig om de woonwagencultuur te beschermen. In 2020 waren er 26 meer woonwagenplaatsen dan in 2018.

Een woonwagenkamp in Drachten. Woonwagenbewoners klagen over het ‘uitsterfbeleid’ van gemeenten, waarbij geen nieuwe standplaatsen worden gecreëerd en bestaande worden opgeheven - bijvoorbeeld bij een overlijden.
Een woonwagenkamp in Drachten. Woonwagenbewoners klagen over het ‘uitsterfbeleid’ van gemeenten, waarbij geen nieuwe standplaatsen worden gecreëerd en bestaande worden opgeheven - bijvoorbeeld bij een overlijden. Foto Jilmer Postma ANP/Hollandse Hoogte

Er zijn amper woonwagenstandplaatsen bij gekomen in Nederland sinds het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gemeentes in 2018 de opdracht gaf om te zorgen voor meer standplaatsen voor Roma, Sinti en reizigers. Dat blijkt uit de ‘Herhaalmeting woonwagenstandplaatsen in Nederland’ die demissionair minister Kajsa Ollongren (D66) dinsdag naar de Tweede Kamer stuurde. In 2020 waren er 26 meer woonwagenplaatsen dan in 2018, namelijk 8.854 verdeeld over 1.151 woonwagenlocaties.

In een Kamerbrief schreef Ollongren dinsdag dat ze de resultaten van de meting „teleurstellend” vindt, vooral voor de mensen die al lang op de toewijzing van een standplaats wachten. Ze gaat gemeenten „stimuleren om de komende tijd stappen te zetten in het realiseren van meer standplaatsen”.

Dat zal Ollongren onder meer doen door samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een ondersteuningsprogramma op te zetten. Gemeenten geven aan dat ze behoefte hebben aan goede voorbeelden, bijvoorbeeld van een behoefte- onderzoek of een regionale aanpak.

Regionale aanpak

De opdracht meer standplaatsen te creëren staat in het ‘Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’, waarmee het ministerie drie jaar geleden op de proppen kwam. Daarin staat ook dat gemeenten de behoefte aan standplaatsen moeten inventariseren en dat ze (nieuw) woonwagenbeleid moeten formuleren. Dat laatste heeft zo’n 35 procent van de gemeenten nu gedaan, volgens het dinsdag verschenen rapport. Ongeveer de helft van de gemeenten heeft onderzoek gedaan naar de behoefte aan standplaatsen.

In 2017 schreef de Nationale Ombudsman in het onderzoek ‘Woonwagenbewoner zoekt standplaats’ dat er een tekort is aan woonwagenstandplaatsen en dat gemeenten te weinig doen de woonwagencultuur te beschermen. Aanleiding voor het rapport waren de vele klachten van woonwagenbewoners over het ‘uitsterfbeleid’ van gemeenten, waarbij geen nieuwe standplaatsen worden gecreëerd en bestaande worden opgeheven – bijvoorbeeld bij het overlijden van een woonwagenbewoner. Zo’n uitsterfbeleid is in strijd met de wet, schreef de Ombudsman. Nederland ondertekende verschillende internationale en Europese verdragen waarin staat dat bescherming van de woonwagencultuur een mensenrecht is.

‘Schandalig’

„Het is schandalig dat er na zo veel jaar nog steeds bijna niks is gebeurd”, zegt Sabina Achterbergh, voorzitter van de Vereniging Sinti, Roma en Woonwagenbewoners Nederland. „De gemeenten doen steeds alsof het zo moeilijk is woonwagenstandplaatsen te creëren, terwijl zo’n standplaats eigenlijk gewoon een luxe parkeerplaats met stroom en water is.” Deze week stuurt de vereniging een schriftelijke reactie op het nieuwe onderzoek naar de minister en naar de Nationale Ombudsman.

Lees ook:Eind aan uitsterfbeleid woonwagens

Hoe groot het tekort aan standplaatsen precies is, is onduidelijk. Het laatste onderzoek dateert van eind vorige eeuw. In 1998 bedroeg het tekort zo’n tweeduizend standplaatsen, volgens het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Achterbergh schat dat dit aantal nu ongeveer drie keer zo groot is.