Opinie

Uitslag toont opnieuw de scheuren in het Verenigd Koninkrijk

Britse verkiezingen

Commentaar

Het rommelt weer aan de andere kant van het Kanaal, ditmaal door de uitslag van lokale en regionale verkiezingen. Die werden in Schotland gewonnen door de Scottish National Party (SNP), de pro-onafhankelijkheidspartij van Nicola Sturgeon. In haar overwinningstoespraak zaterdag zei ze dat het „de wil van de kiezer” is opnieuw een referendum over Schotse onafhankelijkheid te houden, nog voor 2023.

Lees ook: Winst voor Schotse nationalisten bezorgt Boris Johnson een flink hoofdpijndossier

Boris Johnson, de Britse premier, heeft al eerder gezegd niets te voelen voor een tweede referendum. Hij wil – terecht – rust. Niet nóg een emotionele strijd over de toekomst van het Verenigd Koninkrijk, na het eerdere Schotse onafhankelijkheidsreferendum van 2014 en het Brexit-referendum van 2016. Het stof van het laatste is nog niet eens neergedaald, de gevolgen zijn nog niet te overzien.

Met zijn eerste bruuske afwijzing gaat Johnson voorbij aan wat de uitslagen van de verkiezingen opnieuw laten zien: het Verenigd Koninkrijk is niet verenigd. De vraag hoe de problemen anno 2021 moeten worden opgelost, worden door een Engelsman, Schot, Welshman of Noord-Ier anders beantwoord.

In Schotland hebben nationalisten (de SNP en de Schotse Groenen) een meerderheid, in Wales zijn de sociaal-democraten van Labour de grootste. Johnsons Conservatieven wonnen opnieuw in Noord-Engeland. Onder meer de Lagerhuiszetel in Hartlepool, sinds de vorming van het district in 1974 in Labour-handen, ging naar de Tories, net als de meerderheid in de gemeenteraad van Durham, sinds 1925 een Labour-bolwerk. Voor de vijfde keer op rij verloor Labour in Engeland – op winst van onder meer burgemeestersposten in de grote steden na. In Noord-Ierland waren geen verkiezingen, maar leidt de realiteit van Brexit tot onrust op straat en in de politiek.

Lees ook een reportage over het eerdere referendum: Onverenigd Koninkrijk

Nu piepte en kraakte de unie al lang voor het Brexit-referendum. Ongemerkt voor veel Engelsen had de zogenoemde devolutie in 1999 – toen Schotland, Wales en Noord-Ierland eigen parlementen kregen – ervoor gezorgd dat onderlinge banden verzwakten. De landsdelen werden verantwoordelijk voor onder meer gezondheidszorg. Dat liet de coronapandemie weer eens zien; Schotland en Wales gingen eerder in lockdown dan Engeland.

Het was de verrassende verkiezingsoverwinning van de SNP in 2011 die de scheuren in de unie blootlegde. In de daaropvolgende jaren werd in Schotland hevig gedebatteerd over de toekomst van het Verenigd Koninkrijk. In 2014 wonnen de voorstanders van de relatie met Engeland het onafhankelijkheidsreferendum.

Sindsdien is er één groot verschil: Brexit. Daar waren de Schotten in meerderheid tegen, maar de Engelsen (die met meer zijn) voor. Mocht een nieuw referendum worden gehouden, dan zullen de voorstanders van een Verenigd Koninkrijk het de Schotten duidelijk moeten maken wat de voordelen zijn geweest van de scheiding van de EU.

Lees ook een interview met Nicola Sturgeon over Brexit: ‘Wat Johnson ook afspreekt, het is tegen onze wil’

Het antwoord van Johnson op deze verkiezingsuitslag is een top waarvoor hij de Schotse, Welshe en Noord-Ierse premier uitnodigde, om „eenheid en samenwerking” te tonen bij de aanpak van de gevolgen van Covid-19.

Er is meer nodig als hij de unie wil redden. Een louter economisch argument bleek voor het lidmaatschap van die andere unie, de Europese, niet voldoende. De onderliggende vraag die álle Britten zullen moeten beantwoorden, is: wat verenigt het Verenigd Koninkrijk nog meer?