Een slachtoffer van de bomaanslag afgelopen weekend op een school in Kabul ligt voor behandeling in het ziekenhuis.

Foto Rahmat Gul/AP

Interview

‘Nederland moet eerlijk zijn over militair ingrijpen’

Mirjam Grandia | Militair en politicoloog In de besluitvorming over deelname aan militaire missies zoals die in Afghanistan worden fundamentele vragen niet gesteld, ziet Mirjam Grandia. „Er is veel wantrouwen tussen krijgsmacht en politiek.”

Moest – en kon - het Westen écht aan de Afghanen opleggen hoe zij hun land moesten inrichten? En: wat betekent een land ‘stabiliseren’ eigenlijk? Het waren gedachten die militair Mirjam Grandia niet loslieten, na haar eerste uitzending naar het land in 2004. Ze begon aan een studie politicologie en werd in 2006 nog een keer uitgezonden, naar de provincie Uruzgan. Gefascineerd door wat ze in Afghanistan had gezien, besloot Grandia op het onderwerp te promoveren.

Grandia wilde onderzoeken waaróm Nederland destijds besloot militair in te grijpen in het land. Op grond van welke argumenten? En: wat levert dat op?

Die vragen lagen aan de basis van Grandia’s promotieonderzoek in 2015 naar de politieke besluitvorming over de Nederlandse Uruzgan-missie (2006-2010) – en ze zijn nog altijd actueel. Het was de grootste missie die Nederland in Afghanistan uitvoerde. De eerste militairen streken in 2002 in het land neer, de laatsten vertrekken op 11 september, als de internationale gemeenschap zich militair uit het land terugtrekt. Op 12 mei reikt ze de handelseditie van haar proefschrift uit aan demissionair minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA).

Mirjam Grandia deed onderzoek naar de politieke besluitvorming over de Nederlandse Uruzgan-missie (2006-2010).

Grandia ontdekte dat de politieke besluitvorming vooral was gebaseerd op een al vergevorderd plan van Defensie, afgekaart tussen twee militairen: de Nederlandse Pieter Cobelens, indertijd directeur operaties, en zijn Britse evenknie, generaal Robert Fry. Hoge, maar niet de hoogste militairen, die in Grandia’s woorden „de trein aan het rijden brachten.” Zij spraken onderling en informeel over de (on)mogelijkheden van militaire deelname in de provincies Uruzgan (Nederlandse militairen) en Helmand (de Britten).

„Vervolgens is het plan aan de Tweede Kamer gepresenteerd en daar heeft niemand zich nog afgevraagd: willen we dit eigenlijk wel?”, zegt Grandia. „De vraag waarom we naar Zuid-Afghanistan zouden moeten gaan is nooit gesteld. Er is alleen nog maar gesproken over hoe die deelname eruit zou moeten zien. Dat komt deels, betoogt ze, doordat veel kennis ontbreekt, „bij bewindspersonen én in de Tweede Kamer.” Politici blijven vaag over strategische doelen. Want hoe concreter het is, hoe makkelijker politici kunnen worden afgerekend op wat ze hebben toegezegd.”

Zo werd de missie omschreven als een ‘stabiliseringsoperatie’, maar dat begrip werd nooit uitgelegd. En dat is „gevaarlijk”, zegt Grandia. „Militairen gaan er dan zelf noodgedwongen concrete invulling aan geven.” Bij de Uruzgan-missie kwam de nadruk te liggen op ‘wederopbouw’. „Terwijl onduidelijk was of zoiets überhaupt haalbaar was in die provincie.”

Het werd het centrale punt in Grandia’s proefschrift en vormt tegelijkertijd haar grootste kritiek op het samenspel tussen de militaire en de politieke top in Nederland. „Er is nauwelijks dialoog hier, tussen de samenleving, de politiek en de krijgsmacht. Terwijl dat zou helpen om elkaar beter te begrijpen en te doorgronden waarvoor we de krijgsmacht kunnen en willen inzetten. Het zijn losse eilanden, met ieder hun eigen belangen.”

Waar zou het politieke debat wel over moeten gaan?

„Over de werkelijke redenen om ergens militair in te grijpen, met alle risico’s van dien. Als dat een bondgenootschappelijke verplichting is, benoem dat dan. Dat is prima en legitiem. Maar de krijgsmacht is geen verkapte vorm van ontwikkelingswerk. Vaak zie je de neiging het wel zo te formuleren: alsof Nederland een morele verplichting heeft ergens ‘ontwikkeling’ te brengen en daar dan militairen op af te sturen.”

Het opgeheven vingertje van Nederland, dat wel even laat zien hoe het moet?

„Tijdens mijn eerste uitzending in 2004 sprak ik veel met Afghaanse maatschappelijke organisaties. Ik had interessante discussies met vrouwen, die zeiden: jullie komen hier met kritiek op de boerka, maar voor vrouwen hier is het vaak juist een bevrijding, omdat ze daardoor juist van alles kunnen doen. Het waren filosofische discussies over wat vrijheid is en wie dat bepaalt.

Maar in Nederland gold: de boerka is slecht. Toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking Agnes van Ardenne (CDA) gebruikte het afnemend aantal boerka’s in het Afghaanse straatbeeld als teken van progressie, door toedoen van ons. Maar Nederland had zich nooit verdiept in wat de boerka voor de Afghaanse vrouw betekende. Het is voor mij een teken van westerse arrogantie en een fundamenteel probleem: we praten óver mensen, in plaats van mét mensen. Waar was het perspectief van de Afghaan?”

Moeten politici eerlijker zijn, ook over de lelijke kanten van oorlog?

„Ja, er zou meer debat moeten zijn over de gevolgen van militaire missies, zoals de risico’s en de kansen om iets wel of niet te bereiken. Over wat de werkelijke redenen zijn om ergens militair in te grijpen. Nu is er veel wantrouwen tussen de krijgsmacht en de politiek en zijn ambtenaren vooral bezig met het uit de wind houden van de minister. Dat leidt ertoe dat veel verborgen blijft. Oók de zichtbaarheid van militairen in de samenleving. We worden angstvallig verstopt, zou je kunnen zeggen, ontmoedigd om ons uit te spreken. Als militairen geen onderdeel zijn van het debat, denkt de gemiddelde Nederlander ook al snel: wat hebben we hieraan?”

U bent, als dienend militair, opmerkelijk kritisch over uw eigen organisatie. En dat terwijl Defensie niet bekendstaat om tolerantie voor kritische geluiden.

„Het voordeel is dat ik ook academicus ben, Defensie heeft mijn promotie-onderzoek aan de Universiteit Leiden betaald. En daarbinnen krijg ik alle vrijheid. Voor mijn onderzoek kon ik putten uit geheime documenten en deed ik meer dan honderd interviews. Het laat zien dat we bij Defensie kritisch vermogen hebben en dat zouden we meer moeten benutten – óók in het achteraf evalueren van onze missies.”

Twee weken geleden reageerden Tweede Kamerleden nog zeer verontwaardigd dat de tachtig extra Nederlandse militairen al naar Afghanistan waren vertrokken nog voordat daar een debat over had kunnen plaatsvinden. „Het is een goed voorbeeld van de waan van de dag. De details van de uitzending zijn niet aan de Tweede Kamer. De NAVO, waar Nederland onderdeel van is, heeft besloten dat iedereen weggaat, dus wij ook. Je kunt geen krijgsmacht runnen als je achter de grillen van de politiek aanloopt. En ja, de Kamer heeft informeel instemmingsrecht. Maar we hebben onszelf er al aan gecommitteerd, er is een mandaat tot eind 2021. Als je niet wilt dat er nu nog tachtig extra militairen gaan, heeft dat veel meer te maken met de vraag of we er überhaupt moeten zitten. Mijn punt is: dat fundamentele debat werd en wordt nog steeds niet gevoerd.”

Lees ook: Wat heeft twintig jaar Afghanistan Nederland gebracht

Correctie (11 mei 2021): In een eerdere versie van dit artikel stond dat Agnes van Ardenne voor de PvdA werkte, terwijl dit het CDA moet zijn. Dat is hierboven aangepast.