Opinie

Alledaags animisme: in gesprek met dingen

Marjoleine de Vos

Het fornuis zal wel denken „nu zet ze dat pannetje alwéér op”. De planten in de tuin schuilen angstig als ik eraan kom met mijn schoffeltje; ik hang een jurk in de kast die mee op reis is geweest maar niet gedragen en verbeeld me dat ze andere jurken zal moeten bekennen dat ze niet gedragen is. Arme jurk.

Zo gaat het maar door.

„Hoe zou een auto eruitzien als hij zelf mocht kiezen?” las ik onlangs in een interview van Hans Steketee met auto-ontwerper Chris Bangle (NRC, 29/4). Wat een heerlijke vraag, zo maar open en bloot gesteld, terwijl zulk animisme iets is waar je je vaak een beetje voor geneert, hoe alledaags het ook is om sorry te zeggen tegen een kopje dat je omstoot, te praten tegen de stofzuiger („nee, het is niet de bedoeling dat je achter die drempel blijft hangen”) of tegen allerlei stroeve en weerstrevende dingen: „stom ding, kom op!”

De auto bezielen ligt voor de hand, die wordt makkelijk een soort huisgenoot. Ik kende iemand die de stem van zijn auto kon nadoen: „Gaan we rije? Ik wil rije…”

Bangle is er onverschrokken in. „Dat kopje met zijn smalle onderkantje is eigenlijk ontzettend bang dat het omvalt”, zegt hij. En daarom bevestigt hij er een magneetje onder zodat het kopje geen angsten meer uit hoeft te staan. En hij ook niet, namens het kopje.

Gelooft hij echt dat de dingen denken? Nee, waarschijnlijk, maar je leeft met veel in je omgeving alsof het bezield is, alsof het jouw bewustzijn spiegelt.

Ik herinner me de foto van een Amsterdamse wethouder die, toen de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum afgebroken werd om plaats te maken voor de nieuwe aanbouw, met wellust een steen door één van de ruiten gooide en hoe dat gebaar menigeen schokte. Iets kapot maken is een daad van agressie die weerzin oproept, los van de waarde van het voorwerp. Soms kun je zo weer een ander exemplaar kopen maar daar gaat het niet om.

Waar gaat het dan wél om? Ik denk aan Rilke met zijn bekende gedicht over de torso van een hoofdloze Apollo waarin volgens hem de blik van de god nog steeds gloeit, „geen plek aan hem die jou niet ziet”. Alles in die tors kijkt je aan, het beeld is zoveel meer dan een beschadigd stuk steen. Dat ‘meer’ laat deze, beroemde, zin opkomen: „Du musst dein Leben ändern.”

Het is het voorwerp dat deze gedachte ingeeft of belichaamt – maar natuurlijk is het de toeschouwer die door overgegeven kijken het beeld zo veelzeggend laat worden. De intensiteit van het kijken wekt de dingen als het ware tot leven en dan zeggen de dingen – en daarbij horen ook bomen en bloemen, onbekende mensen zelfs, bijna alles wat niet ‘jij’ is en zich niet geeft – iets over het bestaan. „Het eeuwige zoekt ons”, schrijft Rilke in een gedicht over winkeliers aan de avondmaaltijd en misschien is het dat wat je soms in de dingen voelt, iets van het eeuwige, wat dat dan ook moge zijn.

Niet steeds en niet met alles natuurlijk. En er zijn altijd mensen die de dingen weer van dat grootse karakter willen ontdoen: ‘het is maar gewoon verf op een doek’, ‘dan koop je toch een nieuwe’, ‘ach het was al kapot’. En zelf ben je ook zo iemand, die met allerhande, door jou nu ‘waardeloos’ genoemd spul naar de stort rijdt of naar het dingenasiel van de kringloopwinkel. We willen en kunnen niet steeds heel verheven leven. Maar we kunnen wel met plotselinge vertedering denken: wat fijn voor die lamp, dat hij er zó uitziet.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.