Kift over rechtenpact hindert aanpak van geweld tegen vrouwen

Tien jaar Istanbul Conventie Hoe is een schijnbaar breed gesteund verdrag om geweld tegen vrouwen tegen te gaan in tien jaar uitgegroeid tot een splijtzwam in Europa? En wat zijn de effecten voor de bestrijding van het probleem?

Tegenstanders van het Turkse besluit om het land terug te trekken uit de Istanbul Conventie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen protesteren in maart in Istanbul.
Tegenstanders van het Turkse besluit om het land terug te trekken uit de Istanbul Conventie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen protesteren in maart in Istanbul. Foto Sedat Suna / EPA

Er is niet veel waar de voor- en tegenstanders van de Istanbul Conventie het over eens zijn, maar op één punt kunnen ze elkaar volledig vinden: het verdrag van de Raad van Europa, dat deze week tien jaar bestaat, is meer dan een bindend akkoord om vrouwen te beschermen tegen geweld. Het is een pact met verstrekkende gevolgen.

„Het is bedoeld om wezenlijke maatschappelijke verandering teweeg te brengen”, zegt voorstander Andrea Krizsan, Hongaars feministe en hoofddocent aan de Central European University. „Het is een politiek en ideologisch pact dat ons probeert hervormingen op te dringen die ingaan tegen onze normen en tradities”, zegt tegenstander Karolina Pawlowska, jurist van de ultra-katholieke Poolse ngo Ordo Iuris.

Daar houdt de eensgezindheid ook meteen op. Want terwijl de conventie volgens Krizsan beoogt „de positie van vrouwen en meisjes te verbeteren, in een meer gelijkwaardige samenleving”, ziet Pawloska een totaal andere agenda. „Om het homohuwelijk en homo-adopties op te leggen.”

Hoe heeft het zover kunnen komen met een pact waar zich een decennium geleden nog 45 Europese landen achter schaarden? En wat zijn de praktische consequenties van de ondermijning van het verdrag?

De onenigheid is zo hoog opgelopen dat verschillende Midden- en Oost-Europese regeringen het nooit hebben geratificeerd, Turkije zich heeft teruggetrokken en Polen dreigt hetzelfde te doen. In al die landen hebben demonstraties plaatsgevonden voor en tegen het verdrag – ongekend voor een tekst van de Raad van Europa.

Lees ook dit interview met een van de grondleggers van de Istanbul Conventie: ‘Traumatisch dat Turkije zich als eerste terugtrekt’

Het gekrakeel bemoeilijkt de campagne tegen geweld tegen vrouwen. En het toont de groeiende kloof tussen het westen en oosten van Europa wat betreft maatschappelijke waarden en de bescherming van kwetsbaren in de samenleving.

De Istanbul Conventie, officieel ‘het verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld’, werd op 11 mei 2011 gesloten. De Raad van Europa, met 47 lidstaten, is algemeen bekend van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het mensenrechtenhof in Straatsburg, maar bracht sinds 1949 nog ruim 200 andere akkoorden voort.

Tegengaan van stereotyperingen

Na twee jaar onderhandelen werden alle leden behalve Rusland en Azerbeidzjan het in 2011 eens over de aanpak van geweld tegen vrouwen. De lidstaten die het verdrag zouden ratificeren, committeerden zich wettelijk aan specifiek beleid ter preventie van geweld, bescherming van de slachtoffers en de vervolging van de daders. Denk aan aandacht in het onderwijs voor het tegengaan van stereotyperingen van vrouwen. Betere voorzieningen voor vrouwen die vluchten voor een gewelddadige partner. En sterkere wetgeving rond verkrachting, stalking, gedwongen huwelijken en meisjesbesnijdenis.

„Er bestond brede erkenning dat vrouwen de voornaamste slachtoffers zijn van verschillende vormen van geweld”, vertelt Johanna Nelles, die namens de Raad van Europa vanaf het ontstaan bij de conventie betrokken is. „Om het structurele karakter van gendergerelateerd geweld – gericht tegen vrouwen omdat ze vrouw zijn – aan de orde te stellen, was het belangrijk dat we aangaven wat we daarmee bedoelden. Dat zulk geweld in de kern een kwestie van ongelijkheid en discriminatie is.”

Dus kwam in de 25 pagina’s onder het kopje ‘definities’ te staan: „Voor het doel van deze conventie (…) betekent ‘gender’ de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde samenleving passend acht voor vrouwen en mannen”. En juist dát zinnetje is aangegrepen om het hele pact op losse schroeven te zetten.

‘Post-genderideologie’

Polen was het eerste land waar de controverse ontbrandde. Opgepookt door de conservatieve oppositiepartijen en door Ordo Iuris. Deze in 2013 opgerichte stichting is inmiddels bekend als initiator van het bijna complete abortusverbod en de homofobe ‘lhbti-vrije zones’ in Polen, maar zette haar eerste stappen in het publieke debat als felle opponent van de Istanbul Conventie. „Die discussie heeft ons op de kaart gezet”, zegt Karolina Pawlowska. De rechts-liberale Poolse regering ratificeerde het mensenrechtenverdrag vlak voor de verkiezingen van 2015 – en verloor die vervolgens van de conservatief-nationalistische partij PiS.

Lees ook deze reportage: Seksuele voorlichting op school? Niet in de ‘lhbt-vrije’ zones van Polen

Pawlowska houdt zich als specialist internationaal recht bij Ordo Iuris al jaren bezig met de conventie. „Het klinkt als een schattig vrouwenverdrag, maar er staan uiterst controversiële dingen in.” Zij verzet zich er vooral tegen dat „via een belangrijk en gevoelig onderwerp als de aanpak van huiselijk geweld, ons de post-genderideologie door de strot wordt geduwd”. Deze ‘ideologie’, is het conservatieve angstbeeld van een wereld waarin biologisch onderscheid tussen mannen en vrouwen niet meer telt en dus iedereen met elkaar mag trouwen en zelf mag bepalen welke identiteit die heeft. Pawlowska: „Dat is niet te rijmen met onze grondwet, waarin het huwelijk gedefinieerd wordt als verbintenis tussen man en vrouw.”

De uiterst conservatieve Justitieminister Zbigniew Ziobro heeft de Istanbul Conventie omschreven als „een feministische uitvinding om homo-ideologie te rechtvaardigen”, maar hij is er tot nu toe niet in geslaagd zijn land eruit terug te trekken. De kwestie is voorlopig bij het – politiek gekaapte – Constitutioneel Hof geparkeerd.

Voor- en tegenstanders van de conventie beschuldigen elkaar van stiekeme bijbedoelingen

Ook in Bulgarije werd de politiek hete aardappel in 2018 doorgeschoven naar het Constitutioneel Hof. Dat oordeelde dat „de Bulgaarse wetgeving gebaseerd is op het binaire bestaan van de menselijke soort”. De Bulgaarse regering trok de ratificatieplannen onmiddellijk in. Ook in Tsjechië, Slowakije en Hongarije zijn die vastgelopen in het gendermoeras.

In het verdrag staat niets over de wettelijke status van transgenders of acceptatie van homoseksualiteit, laat staan over openstelling van het huwelijk of adoptie voor partners van hetzelfde geslacht.

Politisering van gender

Andrea Krizsan, werkzaam aan de Central European University die een paar jaar geleden door de regering-Orbán van Boedapest naar Wenen werd verdreven, onderzocht de politisering van gender in de context van de Istanbul Conventie. „De tegenstanders framen het verdrag als een buitenlandse inmenging die transformatie van de maatschappij wil bewerkstelligen.” Dat is onzin wat betreft lhbti-rechten, maar is op een andere manier „wel waar”, zegt zij. De conventie wil vooroordelen en tradities bestrijden die vrouwen ondergeschikt houden. Dat is waar de tegenstanders volgens Krizsan écht bang voor zijn. „De conservatieve machthebbers willen geen verandering van de stereotype rollen van vrouwen. Dat zie je in de sterke nadruk op de nationalistische rol van de vrouw als moeder en subsidies voor grote gezinnen.” Zowel Polen als Hongarije, landen met een krimpende bevolking, zien het als patriottische plicht om veel kinderen te krijgen en verstrekken subsidies om vrouwen thuis houden.

Wat betekent deze kift voor het voorkomen, bestrijden en vervolgen van geweld tegen vrouwen? In landen die het verdrag ratificeerden zijn belangrijke stappen gezet, zegt Nelles van de Raad van Europa. Portugal heeft een ondersteuningsnetwerk voor slachtoffers van huiselijk geweld opgericht. Zweden maakte naast verkrachting ook seks zonder expliciete toestemming strafbaar. En Spanje verankerde genderdiscriminatie expliciet in wetgeving.

De landen waar de discussie ontspoorde, hebben echter negatieve effecten gezien voor de hulp aan vrouwen. „Omdat vrouwenrechtenactivisten worden gezien als agenten van een negatieve ontwikkeling, worden ook hun organisaties zo bestempeld”, zegt Krizsan. Ze hoort van instanties als blijf-van-mijn-lijfhuizen dat sommige vrouwen niet meer naar hen toe durven. „Daar gaat de politieke discussie dus werkelijk ten koste van de veiligheid van de vrouwen om wie het te doen was.”