Reportage

Hoe de oorlog in Ethiopië de gemeenschap hier verscheurt

Ethiopiërs in Nederland Het gewapende conflict in de noordelijke deelstaat Tigray in Ethiopië zorgt ook in Nederland voor verdeeldheid. „Eerst was ik een Ethiopiër, nu een Tigreeër.”

Priester Aba Istifanos in de drukbezochte Ethiopisch-orthodoxe kerk in Pernis.
Priester Aba Istifanos in de drukbezochte Ethiopisch-orthodoxe kerk in Pernis. Foto David van Dam

In Pernis, een industriedorp onder de rook van Rotterdam, wordt een eeuwenoude Ethiopische godsdienst beleden. In een kerkgebouw luisteren bezoekers, van top tot teen gewikkeld in witte doeken, naar de bebaarde priester op het podium. Hij heeft een glanzend zwarte habijt om zijn lijf en een gouden staf in zijn hand, waar een scherp kruis op prijkt. „Hij vertelt het verhaal van Jezus die op een ezel naar Jeruzalem reist”, fluistert Abeba Tesfaye en trekt haar witte hoofddoek op. De voorganger spreekt Ge’ez, volgens haar een soort oud-Amhaars.

De Ethiopisch-orthodoxe kerk heeft wereldwijd 35 miljoen aanhangers. In Pernis bidden, zingen en klappen de gelovigen mee met de liturgie. Rechts zitten de vrouwen en meisjes en links de mannen en jongens, allen met mondkapjes en op afstand. Wat jonkies op de eerste rij wapperen palmbladeren op en neer ter viering van het jaarlijkse Palmfeest, dat vóór Pasen, volgens de Ethiopische jaartelling op 2 mei, wordt gevierd. De Ethiopische gemeenschap in Nederland telt bijna 18.000 mensen. Ethiopische Nederlanders uit heel het land komen naar Pernis, speciaal voor deze dienst.

Foto David van Dam

„Voor ons is dit therapie”, zegt Tesfaye, een 57-jarige scheikundige uit Leiden. „Doordeweeks passen we ons aan. Op zondagen kunnen we even met onze eigen mensen zijn.” Na de dienst eten ze samen injera (plat brood), kinderen leren Amhaars. Er wordt geld ingezameld voor hulpacties in Ethiopië. En ze bidden, véél onderwerpen komen langs: de coronapandemie, de droogte in Afrika, wereldvrede.

Bidden ze ook voor een einde aan de oorlog in Ethiopië?

„Nou…” – Tesfaye kijkt om zich heen, op zoek naar woorden – „we zeggen niet letterlijk dat de oorlog moet stoppen, dan zou de kerk te veel een positie innemen in het conflict.”

Dus wat dan wel?

„We bidden dat de twee partijen tot een goede oplossing komen.”

Propagandamachine

In de Ethiopische oorlog vecht aan de ene kant de regering van premier Abiy Ahmed, die twee jaar terug de Nobelprijs voor de Vrede kreeg en door een groot deel van de gemeenschap op handen wordt gedragen – ook door veel kerkgangers in Pernis. Aan de andere zijde: het TPLF (Tigray People’s Liberation Front), de machthebber van de noordelijke deelstaat Tigray, die vorig jaar in opstand kwam. Zij stelde Abiy Ahmeds mandaat ter discussie toen hij vanwege corona de verkiezingen verschoof.

Lees ook: Waarom voert vredestichter Abiy oorlog in noorden van Ethiopië?

Slachtoffer van de oorlog zijn de vijf miljoen Tigreeërs, de inwoners van Tigray. Duizenden overleefden de bombardementen en beschietingen niet. Tienduizenden sloegen op de vlucht. Er is een tekort aan eten, medicijnen. Deze humanitaire crisis duurt al een half jaar.

Wegens haperende communicatiekanalen is er weinig zicht op de situatie. De strijdende partijen sturen tweets, posts, blogs, memes en video’s de wereld in die het beeld verder vertroebelen. Zelden werd in een Afrikaanse oorlog zo’n professionele propagandamachine ingezet – de Ethiopische regering schakelde hiervoor een Amerikaans consultancybureau in.

De ene zijde roept dat de Tigreeërs de oorlog over zich hebben afgeroepen, de andere zijde dat premier Abiy Ahmed wraakacties uitvoert tegen een deel van zijn eigen bevolking.

En dat leidt ook in Pernis, 8.000 kilometer verderop, tot woede, pijn en verdeeldheid. Een bestuurslid van de kerk ziet een terugloop van Tigrese bezoekers, die in de minderheid zijn. Kan natuurlijk aan corona liggen, maar ook aan dat andere – al zegt niemand dat graag hardop.

Ruzie tussen vrienden

Op vier minuten lopen van de kerk runt Kassahun Begashaw een huisartsenpraktijk. „Mijn zoon vroeg laatst: ‘pap, die vriend van jou uit Tigray, kan je daar nu nog wel mee omgaan?’ ‘Tuurlijk, antwoordde ik. Ik heb geen probleem met Tigreeërs, maar met hun leiders!’”

Begashaw (55), ook hij vluchtte ooit uit Ethiopië, zit achter zijn bureau in een doktersjas, uit zijn borstzak steekt een ooglampje. In stilte peinst hij. „Maar…”, ja, hij gaat het zeggen... „maar een van mijn beste vrienden heb ik sinds november niet gebeld. Hij komt uit Tigray en ik weet: zodra we erover beginnen wordt het ruzie. Ik wil hem geen pijn doen, en hij denkt waarschijnlijk hetzelfde.”

Een andere vriend belt hij nog wel, maar dan praten ze eromheen: wel over de kinderen en de Nederlandse politiek, niet over Ethiopië.

Aan de eettafel bij hem en zijn vrouw thuis in Pernis, ze hadden bezoek, ging het laatst mis. „Kijk, als je familie hebt in Tigray en je hoort over al die doden, dan maak je je gewoon zorgen, dat snap ik goed. Maar mij werd verweten dat ik mij stilhield over de acties van de regering. Toen zei ik: waar was jij de 27 jaren daarvoor dan?”

Het TPLF was 27 jaar de baas van het land, tot de jonge, veelbelovende premier Abiy de macht overnam. In die periode zijn etnische spanningen gegroeid. Begashaw zei tegen zijn gast: „Het TPLF heeft ons land jarenlang kapotgemaakt. Toen hoorde ik jou ook niet piepen?”

De huisarts, die de dorpsbewoners behandelt en regelmatig noodtelefoontjes krijgt uit de Ethiopische gemeenschap, betrapt zich de laatste tijd vaker op tegenstrijdige gedachten.

Gaat de oorlog niet te lang door? Is het verkeerd om af en toe te twijfelen aan de beslissingen van Abiy Ahmed? Of valt hij dan voor de propaganda die TPLF-politici verspreiden?

Scheppingsverhaal

In de kerk in Pernis verbeelden cartoonachtige muurschilderingen het scheppingsverhaal, met hoofdrollen voor Christus, Maria en de engelen. Zo’n tweehonderd Nederlandse Ethiopiërs zijn aangesloten bij deze kerkgemeenschap. Een katholiek kerkgebouw dat te koop stond, werd omgetoverd tot deze Ethiopische kerk. Toen niet veel later het politiebureau ernaast vrijkwam – met keuken – waren de kerkgangers op zondagen nóg later thuis.

De 21-jarige Eden Damtew die met haar lange benen over elkaar zit, doopt stukjes injera in misir, een linzengerecht. De student biomedische wetenschappen is de dochter van Abeba Tesfaye en net als de rest in witte doeken gehuld. „Doordeweeks zie ik er anders uit hoor”, grapt ze.

Damtew heeft het idee dat de generatie van haar ouders een eenzijdig beeld krijgt van het conflict door altijd dezelfde staatsmedia te volgen. Zelf wordt ze op Instagram bestookt met het leed van de andere zijde, de Tigreeërs. „Daar krijg je alle kanten binnen.”

Voor Ethiopische jongeren is het een stuk moeilijker om zich, zoals hun ouders, te verschansen in een cocon met gelijkgestemden.

Bovendien heeft de eerdere generatie in Ethiopië nog veel etnische vetes meegemaakt; ze hebben nog appeltjes te schillen. Hun kinderen hebben hier minder mee te maken gehad, die zijn vaak in Nederland geboren.

Corona als smoes

Neem Damtews vriendinnengroep, zes Ethiopisch-Nederlandse meiden, ze zijn haar baken. Ze wist niet eens wie bij welke etnische groep hoorde, tot de oorlog vorig jaar uitbrak. Diep van binnen is Damtew bang dat het een keer ruzie wordt: „We hebben al heel lang niet samen gegeten, natuurlijk ook vanwege corona, maar ik hoop niet dat we het als smoes gebruiken.”

De student wil neutraal blijven, geen kant kiezen. Een van haar vriendinnen heeft een Tigrese achtergrond. „Ze is actief in de gemeenschap en stuurt ons informatie door.”

Deze vriendin, Semhal Tadese, opent de deur van haar flat op de tiende verdieping in Rijswijk. Ze woont hier met haar moeder en broertje, maar er staan genoeg banken voor twaalf. „We houden van bezoek”, zegt de 20-jarige blozend.

De oorlog heeft haar leven 180 graden gedraaid, vertelt ze. Op Ethiopische feestjes in Den Haag ontweek ze vroeger zalen waar over politiek werd gesproken, nu doet ze zelf niets anders. Ze was dol op haar studie commerciële economie, nu wil ze iets met mensenrechten doen.

Lees ook: Tigreeërs in onzekerheid na lange radiostilte

„Ik moet mij uitspreken”, zegt Tadese – plukt aan haar wangen, nek – „Al is het maar een demonstratie organiseren, een tweet schrijven. Het is gewoon oneerlijk wat daar gebeurt.”

Familieleden die ze spreekt hebben vrienden verloren tijdens de oorlog. Het is een psychologisch drama. Tadese kan niet neutraal blijven terwijl haar volk pijn lijdt. Ook al gaat dat in tegen de ideeën van mensen met wie ze zich kort geleden nog verbonden voelde. Op sociale media krijgt ze preken. „Dat ik mij niet met politiek moet bemoeien, of ik misschien word betaald. De gekste verwijten! Ik heb wat mensen ontvriend op Facebook.”

De geboren en getogen Hagenees voelde zich vóór de oorlog een trotse Ethiopiër. „Dat gevoel is weg. Nu ben ik een Tigreeër.” Ze dacht eerst dat er maar vijf ofzo Tigreeërs in Nederland waren, nu zitten ze met honderden in een appgroep.

Tadese voelt zich in de steek gelaten door veel andere Ethiopiërs, die volgens haar smoesjes bedenken om het geweld en de doden in Tigray weg te wuiven. „Op Al Jazeera was laatst een meisje uit Tigray zonder ledematen. Ze is vast een soldaat, zeiden mensen.”

Haar vriendinnen steunen haar wel. Ze gelooft niet dat het ooit tot ruzie zal leiden. „Sinds vorige maand wordt er internationaal zóveel over de situatie geschreven. O, je had inderdaad gelijk, zeggen sommigen nu tegen mij. Nu pas! Als ik zeg dat mijn familie in gevaar is, moet je mij toch meteen geloven?”