Opinie

Wat betekent het om Europeaan te zijn?

Europese cultuur De EU vraagt niet om filosofische vergezichten, nieuwe vormen en verbeelding. Er wordt slechts geluisterd wanneer de firma Ernst & Young met haar spreadsheets wappert. Een gemiste kans, vindt .
Illustratie
Illustratie Rem Koolhaas

‘Als ik alles over mocht doen”, zou Jean Monnet, een van de stichters van de Europese Unie, hebben verzucht, „dan zou ik beginnen met cultuur.” Nou, wie niet? Het verdrag van de Europese Unie opent toch zeker met de woorden: „Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa.”

De Europese cultuurgeschiedenis past in ieders straatje. Politici gebruiken haar als argument voor de EU (vandaar de verzuchting van Monnet) en lokale overheden en ondernemers harken er toeristen mee binnen. Merchandise, horeca, vervoer: de economie gedijt. Matisse en Van Gogh prijken op theedoeken en magneetjes. De culturele sector levert een grotere bijdrage aan de economie dan hightech, telecom, farmaceutische industrie of autobranche, zo becijferde Ernst & Young onlangs in het rapport Rebuilding Europe: de culturele en creatieve economie voor en na Covid. De culturele sector blijkt drie keer zo groot als de auto-industrie – met je Fiat en je Audi.

Maar Jean Monnet begon niet met cultuur. In 2021 is de EU niet geïnspireerd door culturele tradities. Cultuur brengt geld binnen en bevestigt een vermolmde Europese cultuurgeschiedenis. Ik mis iets.

De situatie. Romans worden gefilterd door nationale zeven. Recensenten bespreken (‘be-sterren’) vertaalde boeken voor een thuispubliek. Nuttige informatie, maar wat een levendige dialoog tussen schrijver en lezers uit verschillende landen had kunnen zijn, blijft bij wandelingetjes door eigen straat.

Blockbuster-tentoonstellingen van Da Vinci en Vermeer trekken rond. Kenners vertellen hun landgenoten over reputaties en betekenissen. Bij de Renaissance krijgt de Italiaanse kunst meer focus, tijdens de Romantiek zit de Duitse literatuur ruimer in haar jasje en in de Verlichting verdient Frankrijk een langer relaas. Samen vormen de nationale culturen een lappendeken. Dwarsverbindingen zijn her en der zichtbaar, maar dé Europese cultuur is vooral een opeenstapeling: de Italiaanse plus de Nederlandse, plus de Engelse, enz.

Louvre, Rijksmuseum, Prado; een nationaal erfgoed bijeengebracht in een monumentaal gebouw: de containers voor cultuur zijn negentiende-eeuwse constructies. Het zijn de structuren waarmee we het moeten doen. Ze omvatten zowel de schoonheid als het drama van onze geschiedenis, vervlochten als musea en collectievorming zijn met natievorming en imperialisme.

In het Europese verdrag staat: „De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed.” Verscheidenheid, ontwikkeling: mooi. Maar ‘instandhouding’ van wat? Van het culturele nationalisme van de negentiende eeuw?

Hollands poldermodel

Ik begreep waarom ik iets mis toen ik de Engelse historicus Perry Anderson in The London Review of Books las. Hij beweert dat de EU wordt geregeerd naar Hollands poldermodel. Achter de gesloten deuren van de Europese Commissie bereiken Merkel, Macron en andere regeringsleiders een consensus. Deze wordt vervolgens verhuld in rapporten van deelcommissies en duizenden saaie pagina’s reguleringen. Het zichtbare conflict en drama dat kiezers bij de democratie betrekt, ontbreekt. Die zien snelle zakelijkheid, maar horen geen ideologisch debat over ethische vraagstukken. Cultuur, ideeënvorming, er wordt slechts geluisterd wanneer de firma Ernst & Young met haar spreadsheets wappert of wanneer de legitimiteit van de EU dient te worden bevestigd.

Hoe te leven? Wie willen we worden? De EU vraagt niet om filosofische vergezichten, nieuwe vormen en verbeelding. Grandeur in publieke werken? Architecten worden niet meer uitgedaagd om grote ideologische programma’s in te vullen. Cultuurinstellingen? Scholen en universiteiten? Wetenschappelijk onderzoek? De politiek vraagt ze niet werkelijk om de inspiratie van culturele, humanistische en religieuze tradities uit het Europees verdrag. Economisch nut en ‘instandhouding’ van de Europese cultuur in haar nationaal ingedeelde lappendeken – that’s all folks!

Het Europees Verdrag lezend, realiseerde ik me plotseling dat ik eigenlijk heel sentimenteel ben over het idee dat er een Europa is, met al dat erfgoed, schoon én wreed.

Ik voel me geen gouden ster op die stomme EU-vlag; ik voel me Europeaan, geen Europese Uniaan

Waar kwam mijn sentiment nou opeens vandaan? Voel ik me misschien… Europeaan? Ben ik soms wél „geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa”? Maar als ik een ‘Europese geest’ in mij voel leven, waarom ben ik dan zo onwillig dat toe te geven?

Misschien ligt het antwoord bij de utilitaire omgang met cultuur van de EU. Mijn Europese cultuur is niet de optelsom van nationale erfgoeden, die in stand moeten worden gehouden. Ik voel me geen gouden ster op die stomme EU-vlag, als een kleuter in de kring. Bovendien, Brexit of niet: Engeland hoort bij mijn Europa. Ik voel me Europeaan, geen Europese Uniaan.

Ik zou nu een levendige catalogus kunnen presenteren van mijn vloeibare Europa. Die catalogus toont een dagelijks leven dat het nationale compliceert. In mijn Europa beweert een in Marokko geboren jongen dat hij Catalaan is en geen Spanjaard, verkoopt een Bengaalse bakker mij in Italië een Franse croissant. Ik breng er de half-Aziatische kinderen van een Duitse vriendin naar de Franse school in Nederland, terwijl we in het Engels babbelen. Nationale stereotypen vervliegen in mijn Europa. Mario is er geen romantische Italiaan maar een Surinaams-Nederlandse jongen, Insa is geen stugge Duitse, Ilya niet de melancholische Rus en Emily geen stiff upper lip Britse.

De catalogus van mijn Europa kan slimme symbolen van kruisbestuiving tonen, tot in Japan en Nigeria aan toe. Want we mixen sinds mensenheugenis. Descartes was een Fransman die in Nederland werkte. Van Gogh was een Nederlander die in België, Frankrijk en Engeland schilderde. Nietzsche dacht en schreef in Zwitserland, Duitsland, Italië, Frankrijk. Leonardo da Vinci had geen Italiaans paspoort, Rubens had geen Belgisch paspoort, Erasmus had geen Nederlands paspoort. Maar zo’n catalogus is, hoe poëtisch ook, zelf óok weer een clichématige toren clichés. En toch. Ik voel ‘we’. Maar wat mís ik dan?

Lees ook: Er is meer wat wij Europeanen delen dan wat ons verdeelt

Melting pot is ‘onzin’

Een vreemde snuiter voelde zich in 1916 net zo vervreemd aan de andere kant van de oceaan. In het roemruchte essay Trans-national America zocht Randolph Bourne naar woorden voor zijn Amerika. Hij veegde de vloer aan met het idee van een melting pot, waarin alle rassen van Europa zogenaamd samensmolten. Onzin, zei Bourne, die zag dat in werkelijkheid iedereen zich moest aanpassen aan de White Anglo-Saxon Protestants. Hij vreesde een „100 percent Americanism” waarin de cultuur van deze WASP’s alles en iedereen overheerste. Maar hij was ook bang voor een chaotische verzameling elkaar bestrijdende nationaliteiten.

Bourne probeerde een heel essay een Amerikaanse identiteit te benoemen die nog nooit in woorden was uitgedrukt, maar die hij wel vóelde. Hij zocht een formulering als een bezwering. In een optimistische alinea schreef hij: „Amerika is getransplanteerd Europa, maar een Europa dat niet is gedesintegreerd en uiteengevallen tijdens de transplantatie als in een grote versnippering. Haar koloniën leven hier onontwarbaar vermengd, doch niet homogeen. Ze komen tezamen maar versmelten niet.”

Nou, is dat niet hoe het moderne Europa aanvoelt? Onontwarbaar vermengd, doch niet homogeen?

Voel je lekker Fries

Ik wil niet voor of tegen nationalisme zijn, voel je lekker 100 procent Nederlander, Fries of Europeaan. Ik vind het slechts een gemiste kans dat er geen grensoverschrijdend gesprek over ideeën, nieuwe vormen en culturele invloeden dwars door Europa en al die identiteiten heen loopt. Ik vind het een gemiste kans dat er weinig samen gedacht wordt. Ik vind het een gemiste kans dat de meeste kritiek op de EU populistisch is. Volt brak bij de afgelopen verkiezingen uit haar ei en bleek een aanwinst: de eerste optredens van Laurens Dassen toonden dat een pan-Europese partij belangrijke inhoudelijke kritiek op de EU kan brengen.

‘Europees intellectueel leven’ is een bloedeloze abstractie die invulling verdient. Meer dan driehonderd jaar geleden, aan de vooravond van de eeuw van de Verlichting, liet de filosoof Pierre Bayle zijn Nouvelles de la République des Lettres drukken in ‘le Kalver-Straat prés le Dam’. Sinds dit eerste tijdschrift met beschouwingen en besprekingen verscheen en in diverse Europese landen werd gelezen, is er nóg geen werkelijk breed Europees gesprek buiten Brussel. Zo’n gesprek is lastig omdat het niet eenduidig is. Maar dat is tegelijk waarom het zo belangrijk is: samen onderzoeken, twijfelen, vormgeven, verzinnen, verwerpen. Misschien bestaat er zelfs een (deels) Europese traditie voor.

Julia Kristeva, een Bulgaars-Franse en in Amerika opgegroeide wetenschapper kenschetste de Europese identiteit zo: „Op de vraag ‘Wie ben ik?’ is de beste Europese respons niet zekerheid maar een liefde voor het vraagteken.”

Ik ben benieuwd wat andere Europeanen van The Crown, Borgen, Lupin, Gomorra en La Casa de Papel vonden. Ik wil samen kijken, luisteren en praten in plaats van slechts respectvol bewonderen wat elke natie heeft geconfisqueerd en tot eigen erfgoed gebombardeerd. Desnoods – ik zeg desnoods – hebben we het over het Europees Songfestival.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.