Komt er een sociaal Europa? Sommige lidstaten bepalen liever zélf hoe sociaal ze zijn

Sociaal beleid EU Moet Europa haar sociale ambities aanscherpen? Daarover vindt dit weekend een topoverleg plaats in het Portugese Porto. Elf landen, waaronder Nederland, menen dat sociaal beleid allereerst een nationale aangelegenheid is.

Bij het stadspaleis Alfândega do Porto worden de laatste voorbereidingen voor de EU-top getroffen.
Bij het stadspaleis Alfândega do Porto worden de laatste voorbereidingen voor de EU-top getroffen. Foto Violeta Santos Moura / Reuters

Er waart weer een spook rond – maar of het ook Europa in beweging zet is nog afwachten. Onder vooraanstaande economen is de consensus de afgelopen tijd in elk geval al flink veranderd: overal klinkt opeens de roep om een grotere rol voor de staat, hogere minimumlonen en betere sociale voorzieningen. Maar terwijl de VS steeds ‘Europeser’ lijken te worden – president Joe Biden toont een voor Amerikanen ongekend sociaal gezicht – worstelen Europese landen met de vraag: moet ook Europa zijn sociale ambities aanscherpen?

Dit weekend vindt in de Portugese stad Porto daarover een speciale Europese topontmoeting plaats, en als het aan gastheer en premier António Costa ligt is het antwoord een volmondig ja. Anderen zijn sceptischer, en zien in de afmelding van premier Mark Rutte (officieel vanwege de coronasituatie in Nederland) een illustratie van hoe weinig sommige landen met dit thema op hebben.

Aan uiterlijk vertoon geen gebrek. Het is er Portugal alles aan gelegen om er dit weekend een gelikte show van te maken. Het statige stadspaleis Alfândega do Porto aan de Douro, de rivier die stroomt door de elegante kustplaats, is omgebouwd tot conferentiecentrum. Verderop, in voorstad Matosinhos, zijn de Europese socialisten bijeen in een Cruise Terminal. En in Palácio de Cristal worden de stoelen alvast klaargezet voor de regeringsleiders.

De bijeenkomst moet het pronkstuk worden van het EU-voorzitterschap dat Portugal dit halfjaar bekleedt. Costa wil de wereld laten zien waar extra investeringen in ‘gezamenlijk sociaal EU-beleid’ toe kunnen leiden. Portugal klom de laatste tien jaar uit een diep dal, mede dankzij EU-noodfondsmiljarden. Ook zonder snoeiharde bezuinigingen slaagde het land erin economische groei aan te jagen.

Het onderstreept de boodschap die Costa en andere Zuid-Europese landen willen verkondigen : een steviger sociaal fundament onder Europa is broodnodig. Het is, in de woorden van de Portugese premier „het beste vaccin tegen ongelijkheid, angst en populisme.”

Nieuwe sociale pijler

De oproep is niet nieuw. De kredietcrisis sloeg de afgelopen tien jaar diepe wonden en voedde met name in Zuid-Europa scepsis en rancune, over een Europa dat zich louter bekommerde om bezuinigingen en banken redden. Een nieuwe ‘sociale pijler’ moest daarop vier jaar geleden al een antwoord bieden: een lijst mooie principes waarnaar de EU zei te streven, zoals een adequaat minimumloon, gelijke kansen en bescherming bij ontslag.

Achter mooie woorden wil iedereen zich wel scharen. Maar als het gaat om harde afspraken of zelfs Europese wetgeving op sociaal terrein, is er vooral veel onenigheid en verzet. Al in 2017 stond een fikse groep landen, Nederland voorop, argwanend tegenover Brusselse bemoeienis met sociaal beleid. En ook in de aanloop naar ‘Porto’ benadrukte een elftal landen, waaronder Nederland, in een gezamenlijk stuk nog eens dat sociaal beleid allereerst een nationale aangelegenheid is waar de EU niet over gaat.

In de kern valt daar weinig tegenin te brengen: volgens het Europees Verdrag heeft Brussel op sociaal terrein inderdaad weinig te zeggen. Maar, benadrukken voorstanders: ook ‘rijke’ landen hebben groot belang bij afspraken over betere lonen en sociale voorzieningen. Om een ‘gelijker speelveld’ te creëren waarin arbeidsmigratie minder aantrekkelijk wordt. En om uitbuiting tegen te gaan en ervoor te zorgen dat landen niet meer op lonen hoeven te concurreren. Bovendien, merken zowel EU-ambtenaren als diplomaten uit andere landen fijntjes op: zo goed staat de bovengemiddeld geflexibilisseerde arbeidsmarkt er in Nederland zelf ook niet voor.

Een steviger sociaal fundament is het beste vaccin tegen ongelijkheid, angst en populisme

António Costa premier Portugal

Zonder dat er veel aandacht voor is, is in de Europese hoofdkwartieren de afgelopen tijd ook al gewerkt aan voorstellen voor meer sociaal beleid. Voorzitter van de Europese Commissie Ursula von der Leyen pakte de sociale agenda in 2019 enthousiast op. Mede om het Europarlement voor haar kandidatuur te paaien, maar ook omdat het tij is gekeerd in vergelijking met de tijden van de ‘trojka’ (Commissie, IMF en Europese Centrale Bank) die tijdens de kredietcrisis landen als Griekenland, Spanje en Portugal het begrotingsmes op de keel zette. Dat bezuinigingscredo is vervangen door een waaier aan steunmaatregelen. Zelfs in Nederland en Duitsland wordt in verkiezingscampagnes door politici, van links tot rechts, nu opgeroepen tot een hoger minimumloon.

Maar betekent dat ook dat sociale afspraken Europees moeten worden vastgelegd, en er daarmee weer een stukje macht naar Brussel verschuift? Daartegen is het verzet in sommige delen van Europa nog altijd groot. Vooral ook in de Scandinavische lidstaten, die een sterke cultuur van collectieve arbeidsovereenkomsten kennen. Oost-Europese landen willen hun concurrentiepositie niet schaden.

Voorstanders zeggen juist dat nu de EU opnieuw in een diepe crisis zit, het belang van een socialer fundament onder Europa alleen maar is gegroeid. Europa heeft van zijn fouten geleerd, benadrukken zij: de wederopbouw na deze crisis zal sociaal zijn, of de EU riskeert wederom grote groepen burgers van zich te vervreemden. Om te voorkomen dat de scheefgroei binnen de Unie als gevolg van de nieuwe crisis doorzet, moeten juist ook sociale doelen beter vastgelegd worden.

Sociale strijdpunten in de EU
Loonkloof

Niet zonder trots wijzen EU-politici en -ambtenaren er steevast op: al in het Verdrag van Rome uit 1957 legden landen bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap de gelijke betaling van vrouw en man vast. Minder fraai is dat meer dan 60 jaar later de zogeheten ‘loonkloof’ nog altijd bestaat.

Met een nieuwe verplichting tot loontransparantie wil de Commissie die aanpakken. In februari presenteerde Eurocommissaris voor gelijkheid Helena Dalli een wetsvoorstel dat bedrijven met meer dan 250 werknemers opdraagt de loonverschillen tussen vrouwen en mannen te publiceren. Ook moet elke werknemer gegevens over salarissen mogen opvragen. Bedrijven met te grote verschillen moeten een verklaring geven en de kloof proberen te dichten.

Ook hier benadrukt de Commissie binnen haar mandaat te blijven: landen mogen zelf bepalen welke sanctie ze aan overtreders opleggen. Een sterke bedrijvenlobby maakt in Brussel bezwaar tegen de extra administratieve last van die verplichte transparantie.

Platformwerk

Overal in Europa zijn er zorgen over de kwetsbare positie van zogeheten ‘platformwerkers’: maaltijdbezorgers, chauffeurs voor een taxi-app. In Brussel wordt gewerkt aan wetgeving waarin rechten rond bijvoorbeeld veiligheid, ziekteverlof en arbeidstijden duidelijker moeten worden vastgelegd.

Volgens EU-berekeningen hebben 24 miljoen Europeanen wel eens werk verricht via een platform, en is het voor 3 miljoen zelfs hun hoofdbaan.

„Platformwerk zal niet meer verdwijnen en kan positief zijn”, aldus Eurocommissaris Margrethe Vestager onlangs. „Maar we moeten er wel voor zorgen dat deze nieuwe vormen van werk duurzaam en eerlijk verlopen.” De impact van zulke EU-brede wetgeving is in potentie groot en zou ook de juridische discussie over de status van Deliveroo-bezorgers in Nederland kunnen beïnvloeden. Ook omdat de EU het voor zelfstandigen makkelijk wil maken zich te organiseren, zonder dat het als ‘kartelvorming’ wordt gezien. Het verklaart waarom er in Brussel een felle lobby van bedrijven als Uber op gang is gekomen.

Jeugdwerkloosheid

Een van de ‘Porto-conclusies’ is de belofte om jeugdwerkloosheid aan te pakken. Jongeren zijn op de arbeidsmarkt „het zwaarst getroffen” door de pandemie. Volgens Eurostat steeg de jeugdwerkloosheid (15-24 jaar) van 14,9 procent, net voor de pandemie, naar 15,9 procent in 2020. Uitschieters: Griekenland (34,3 procent) en Spanje (37,7 procent).

In Nederland bedroeg de jeugdwerkloosheid 6,6 procent in 2019 en 9,1 procent in 2020.

De Europese Commissie heeft voor de lidstaten al 22 miljard euro gereserveerd – uit het herstelfonds van 750 miljard – om tussen 2021 en 2027 in jongeren te investeren: circa 116 miljoen euro per land per jaar. Het zal hard nodig zijn, volgens Alfred Kammer, directeur van de Europese afdeling bij het Internationaal Monetair Fonds, die onlangs in de media alarm sloeg. „Jongeren zullen grotere economische verliezen lijden in deze crisis, aangezien het waarschijnlijker is dat ze tijdelijke contracten hebben in de meest getroffen sectoren, zonder spaargeld of activa om de storm te doorstaan.”

Adequate minimumlonen

Von der Leyen nam het op in haar werkprogramma, maar het is vooral een kroonjuweel van de Europese sociaal-democraten: een EU-minimumloon. In Porto strijdt Agnes Jongerius (PvdA-Europarlementariër) voor ‘haar’ voorstel voor ‘fatsoenlijke’ minimumlonen, dat verder gaat dan dat van de Commissie: ze wil minimumlonen van minstens 60 procent van het mediaan loon en 50 procent van het gemiddelde loon in elk EU-land.

Voor Nederland zou dit een stijging betekenen van 9,72 euro per uur (op basis van een veertigurige werkweek) naar 14 euro.

Maar in veel, vooral Noord-Europese, lidstaten is weerstand. Bijvoorbeeld Denemarken en Zweden zijn tegen een EU-norm; in die landen bestaan al stevige cao’s en willen ze helemaal geen Europese minimumloonnorm.

Een splijtzwam-dossier, dus. En om die reden niet één woord over minimumlonen in de conceptverklaring met de ‘Porto’-conclusies van de regeringsleiders. Gelukkig maar, vindt CDA-Europarlementariër Jeroen Lenaers, want een one size fits all-aanpak werkt volgens hem niet. Lenaers: „Het vaststellen van minimumlonen is een zaak van de lidstaten en dat moet zo blijven.” Minimumpercentages van gemiddelde en mediane loon instellen werkt volgens hem averechts. „Daarmee zou minimumloon in Nederland er meer op vooruitgaan dan in bijvoorbeeld Roemenië. De absolute loonkloof tussen de landen wordt zo alleen maar groter.”