Karina Schaapman: „Ik ga nooit naar feesten. Stop mij niet in een galajurk.”

Foto Roger Cremers

Interview

'Ik heb mijn moeder zien knakken'

Schrijver Overal ter wereld lezen kinderen de boeken van Karina Schaapman over het Muizenhuis, waar het altijd gezellig is. Zelf heeft zij een minder zoet verhaal. „Ik weet hoe verwaarlozing ruikt.”

Even lijkt het erop dat dit interview niet plaats kan vinden. Op de avond voor het gesprek wordt de echtgenoot van Karina Schaapman (60) opgenomen in het ziekenhuis met een dubbele longontsteking. De bekende kunstschilder Eli Content (77) is ernstig verzwakt door onder andere stembandkanker, en het was het afgelopen jaar al vaker kantje boord.

Maar de volgende ochtend mailt Schaapman dat het gesprek door kan gaan. „Ik kan toch niks doen.” Ze ontvangt bij hogere uitzondering thuis aan de Amsterdamse Amstel. Of preciezer: in de zelfgebouwde loofhut van sloophout in hun postzegeltuintje. Vanwege de zorg voor Content mag zij niet ziek worden. Ze heeft amper geslapen die nacht. Het kan de adrenaline zijn, of haar natuur, maar ze praat zonder zichtbare moeite drie uur achter elkaar. Vanonder een stevig mondmasker.

Ze wil dit gesprek graag voeren, omdat de pers haar Muizenhuisboeken (deel acht is in de maak) zou hebben afgedaan als een uit de hand gelopen hobby. Dat doet volgens Schaapman geen recht aan haar „creatie”. En een creatie is het. Manshoge en kamerbrede structuren bouwt ze, vol muizenkamertjes vol muizenspulletjes – vooral gemaakt van afval – die de gedetailleerde fotodecors vormen voor haar kinderboeken over de muizen Sam en Julia. Dit jaar vieren zij hun tienjarig bestaan.

Over succes heeft Schaapman niet te klagen. De boeken zijn in 33 landen uitgegeven, er zijn bijna 700.000 exemplaren van verkocht. The Mouse Mansion Company – het bedrijf dat Schaapman met haar vier kinderen runt – verkoopt ook bouwpakketten en knuffelmuizen, en groeit tijdens de coronacrisis: schoolsluitingen doen ouders wanhopig zoeken naar pedagogisch verantwoord tijdverdrijf.

Maar toch. Het frustreert Schaapman dat journalisten niet doorvragen naar de verborgen lagen.

Dit verrast mij. Toen ik Schaapman ruim tien jaar geleden interviewde, smeekte ze me niet in de krant te zetten dat ze prostituee was geweest. Op de dag van publicatie mailde ze me: „Ik ben zo waanzinnig blij dat je het woordje ex-prostituee niet hebt gebruikt, het werkt zo bevrijdend. Ik dans nog effe een rondje tralalalie tralalala.”

En nu mailt ze me ongevraagd haar hele levensloop – inclusief straatprostitutie – en nodigt ze uit tot doorvragen. Haar verklaring: de pijnlijke ‘coming-out’ ligt verder achter haar – daarover komen we nog te spreken.

Niet over het prostitutieverleden zelf: dat is voor haar ontwikkeling „totaal onbelangrijk”. Het is niet dat ze zich ervoor schaamt. Maar „andere zaken waren veel belangrijker in mijn leven”. En ook belangrijker bouwstenen voor het Muizenhuis.

Met stip op één: de discriminatie van haar alleenstaande Indische moeder, in Leiden in de jaren zestig. Een – volgens Schaapman – heel knappe vrouw, die zich opmaakte. „Een exotische verschijning in een volkswijk, waar de meeste vrouwen een schort droegen en mannen haar nafloten. Ze rook anders. Ze at anders. Ze sprak anders. De buurt zag haar als een bedreiging. Kinderen mochten niet met me omgaan.” Schaapman vroeg haar moeder: waarom kijken ze altijd zo boos naar ons? Moeder antwoordde dan: ach, de mensen zijn bekrompen, negeer het, kin omhoog. „Dat was haar strategie.”

Tot Schaapman en haar moeder eens op hun balkon stonden tijdens een sneeuwballengevecht in de straat. „De buurt keerde zich tegen ons en onder het scanderen van ‘pinda pinda poepchinees, rot op naar je eigen land’ werden de sneeuwballen al snel ijsballen. De ramen sneuvelden en mijn moeder werd hard geraakt tegen haar hoofd en kreeg meteen een dik oog. Toen heeft ze de gordijnen gesloten, is ze op bed gaan liggen en vanaf dat moment wilde ze met niets of niemand nog wat te maken hebben. De gordijnen zijn nooit meer opengegaan.”

Achteraf denkt Schaapman: dat was nou een traumatische ervaring. „Ik heb mijn moeder zien knakken. Ik was een jaar of zeven, acht. Maar ik hoor nog altijd de ploffen van die sneeuwballen.”

Vla

Er zouden nog veel ingrijpende momenten volgen. Zoals de dood van haar moeder toen Schaapman dertien jaar oud was. Ze werd in huis geplaatst bij haar vader in Zaltbommel, die haar op de dag van haar geboorte verlaten had. Niemand mocht weten dat zij zijn dochter was: zij moest het nichtje spelen, kreeg een andere naam en mocht niet over haar moeder praten. Haar vader mishandelde haar zwaar. Schaapman belandde op straat, en in de straatprostitutie, in Den Bosch en in Amsterdam.

In Amsterdam ontmoette ze vervolgens haar eerste echtgenoot en met hem kreeg ze vier kinderen. Als moeder voerde ze jarenlang juridische strijd tegen de gemeente over de beroerde kwaliteit van een openbare basisschool waar haar kinderen het niet redden zonder bijles (lees: vermogende ouders). Ze won en werd daarna gekozen in de gemeenteraad, waar ze namens de PvdA het woord voerde over onderwijs – en zich fel uitsprak tegen hoerenlopen.

Lees ook over het pamflet dat Karina Schaapman in 2007 schreef over het Nederlandse prostitutiebeleid

Nadat een vader haar op het schoolplein had herkend van oude naaktbeelden, voelde ze zich genoodzaakt haar verleden te openbaren. Niet lang daarna ontmoette ze Eli Content en scheidde ze van de vader van haar kinderen. Enkele jaren later werd ze geopereerd aan een nekhernia en kreeg ze een burn-out. Daarop verliet ze de politiek.

„Ik heb veel trauma’s gehad in mijn leven”, zegt Schaapman, „maar het ingrijpendste was dat ik een half jaar alleen thuis was toen mijn moeder in het ziekenhuis lag. Toen was ik twaalf. Ik had honger, had het koud en leefde in een vuilnisbelt.” Nadat haar moeder had verteld dat ze zou sterven ging ze bedplassen, en het kwam niet in haar op het bed te verschonen. Ze giechelt hard als ze dit vertelt.

„Als ik een zwerver tegenkom, herken ik die lucht. Als je tien keer dezelfde onderbroek aantrekt, die nat is geweest... Ik weet hoe verwaarlozing ruikt.” Achteraf is Schaapman hier lang „heel boos” over geweest. „Want de buren kwamen klagen over de stank, maar grepen niet in. Later begreep ik dat dat kwam omdat mijn moeder anders was. Als zij wit was geweest, had iemand me een kop soep gebracht.” Weer lacht Schaapman.

En nu komt de clou: „Door deze ervaringen weet ik wat discriminatie met een kind doet – en ook dat je het je hele leven meedraagt. Het is zó beschadigend. Die overtuiging is zo diep dat ik dacht: daar moet ik iets mee.” En dat werd het Muizenhuis. „Toen ik dit project begon was mijn wens een wereld te creëren die je ieder kind gunt. En wat gun je een kind? Ten eerste dat het niet wordt uitgesloten. Bovendien wil je dat een wereld veilig is, en zorgzaam. Dat zijn de drie bouwstenen van het Muizenhuis. En blijkbaar is dat universeel, anders zou het niet in zoveel landen zo aanslaan.”

Later in het gesprek voegt Schaapman een bouwsteen toe – ook gebaseerd op een jeugdherinnering. Ze had één kinderboekje thuis – had haar moeder gevonden bij het vuilnis – en dat ging ook over muizen. „Mijn moeder was zo arm dat we nooit voor de hele week geld hadden en de laatste paar dagen hadden we honger. Wat ik dan deed was dat boek openslaan op de laatste pagina, daar was moeder muis met een grote schaal vla. En daar laafde ik mij aan. Dat gaf hoop.” In Duitsland klagen ze vaak dat er in de Muizenhuisboeken zoveel lekkers voorkomt. Maar Schaapman weet wat dat kan betekenen voor een kind. „Verlangen is ook heel fijn.”

Het keukentje van Julia’s moeder. Foto Eddo Hartman

Middelvinger

Dit is wat Schaapman doet: ze laat in het Muizenhuis de ellende niet zien – in de boeken geen armoe of ijsballen – maar de keerzijde. In het Muizenhuis is iedereen welkom en het is er altijd gezellig. Wel zitten de boeken vol impliciete verwijzingen. Zo is het raampje van het keukentje van Julia’s moeder dichtgetimmerd. Moeder muis kookt in een wadjang en aan het wasrek hangen batikstoffen. Julia is duidelijk gemodelleerd naar haar schepper. „Ik hoopte dat iedereen van Julia ging houden”, schatert Schaapman. Nog een overeenkomst: „Er overkomt Julia altijd wat, maar ze overwint ook altijd wat.”

Kneuterig, oordeelde NRC. De verhaaltjes zijn „oubollig” en „bar slecht geschreven”. Zit Schaapman daarmee? „Hou op. Verschrikkelijk. Ik zat daar heel erg mee. Héél erg. Omdat ik van ouders hoor dat ze hónderd keer dat verhaaltje moeten lezen. Eindeloos opnieuw. Dat betekent dat zo’n ‘kneuterig’ verhaaltje bij kinderen resoneert. Maar bij andere kranten hetzelfde verhaal hoor. De eerste boeken zijn overal afgebrand en daarna zijn mijn boeken nooit meer besproken.”

Een dag na het gesprek mailt Schaapman een toevoeging: „Het feit dat mijn boeken prijzen hebben gewonnen en in 27 talen zijn vertaald voelt wel als dikke middelvinger naar de verzuurde recensenten.” Maar het blijft zeer doen.

De ontvangst van haar autobiografie in 2004 vond ze nog erger. „Want daaruit hebben ze alleen gehaald dat ik ex-prostituee was. Op straat werd ik voortdurend aangesproken. Dan zat ik voor de deur en kwam er zo’n man met een hoornen bril uit Oud-Zuid langs en zei hij: ‘Dag mevrouw Schaapman, valt er nog wat te wippen?’ Zo denigrerend.”

Het deed Schaapman heel erg denken aan de ijsballen uit haar jeugd. „Ik ben in elkaar gedonderd. En toen heb ik me opgesloten. Ik wist: dit is wat mijn moeder voelde. Ik wilde niets meer met de buitenwereld te maken hebben.” Drie jaar lang trok Schaapman zich thuis terug. Intussen bouwde ze het Muizenhuis.

Dat ze door die burn-out de politiek vaarwel moest zeggen vond Schaapman pijnlijk. Ze had wel naar Den Haag gewild. „Maar ik denk dat ik uiteindelijk een slechte politica was. Omdat dingen me te diep raakten. De zwartepietendiscussie bijvoorbeeld. Ik zou uit willen schreeuwen: ‘Maar snap dan wat racisme met een kind doet!’ en dat kan niet. En dan denk ik: laat maar. Misschien is dat laf. Of lijfsbehoud. Ik denk dat het creatieve me ook beter ligt. Of dat ik daar meer mee bereik. Met het Muizenhuis maak ik letterlijk een betere wereld.”

Haar oudste dochter omschrijft haar moeder als „supergedreven” – elke avond spuit ze Muizenhuisplannen in de familie-app. Naast de zorg voor haar zieke man en het maken van het Muizenhuis, werkt ze aan een tweede autobiografie en aan een graphic novel voor volwassenen, met foto’s van zelfgemaakte marionetten. Schaapman noemt zichzelf „vreselijk manisch”. Vol „drang en dwang”.

Karina Schaapman met haar moeder. Foto privécollectie

Haar dochter denkt dat Schaapman op zoek is naar erkenning omdat haar vader haar niet als zijn dochter erkende. Zelf gelooft ze daar niet in. „Het feit dat hij me niet erkende is peanuts. Wat me drijft is de discriminatie van mijn moeder.” Schaapman is haar nog altijd aan het verdedigen. De volgende autobiografie begint met haar moeders leven. „Ik wil een monument maken voor haar. Ze heeft nooit een graf gekregen. Ze ligt onder een betonnen paaltje, met vijf onbekenden.”

Vlekken

Schaapman heeft nooit psychische ondersteuning gehad. In de periode dat ze zich terugtrok, na haar burn-out, heeft ze welgeteld één keer met een psycholoog gesproken. „Die wilde EMDR met me doen. Nou doei! Ik ga echt geen herinneringen oproepen. Ik ben er te bang voor. Omdat ik weet hoe ze je onderuit kunnen halen.”

Het succes van het Muizenhuis heeft haar niet geheeld. „Verdriet blijft verdriet en ontheemd blijft ontheemd. Maar je kunt wel het inzicht verwerven dat het niet het einde is van de wereld. Dat zeg ik wel in een luxe constellatie, waarin ik de liefde van mijn leven heb, vier gelukkige en gezonde kinderen en bijna vijf kleinkinderen. De pijn is er en die blijft, maar het leven maakt veel goed.”

Het gevoel dat ze er niet mag zijn, dat van ontheemding, uit zich vooral in de sociale context, zegt Schaapman. Zo vierde ze jaren Pesach met vrienden van haar man. „Ik zit daar dan aan tafel en kan geen verbinding maken. Ik voel me altijd een buitenstaander. Ik ben ook bang voor groepen. Ik ga nooit naar feesten. Stop mij niet in een galajurk.”

Schaapman draagt altijd zwarte trainingspakken. Haar garderobe bestaat uit vijf sweaters, vijf joggingbroeken en twee paar gympen. Daar moeten we niets achter zoeken, zegt ze. „Dat is gewoon makkelijk. Ik wil er geen tijd aan kwijt zijn. En het zit heel lekker. Altijd onder de vlekken – het interesseert me geen hol.” Ze heeft tegenwoordig wel een speciale outfit voor begrafenissen.

Vorig jaar heeft ze twee keer afscheid genomen van haar man, omdat artsen dachten dat hij zou sterven. Hij ademt via een tracheostoma in zijn hals en heeft steeds terugkerende infecties. Iedere infectie kan fataal zijn. De zorg voor hem is intensief. Schaapman geeft hem vijf keer daags sondevoeding, vier maal per dag vernevelt ze zijn medicijnen, vijf maal daags verschoont ze zijn halscanule.

En daar kwam de coronapandemie nog overheen. Schaapman en Content zijn al een jaar samen in strikte isolatie. Nagenoeg niemand komt het huis in. Kleinkinderen zien ze door het raam. „Dat is vreselijk. Maar het ergste is de angst. De angst voor de buitenwereld.” Voor de derde maal in haar leven sluit ze zich in huis op.

Lees ook over de expositie van Eli Content vorig jaar in het Joods Historisch Museum

Toch prijst ze zich gelukkig met haar man. „Hij is zó levenslustig. Dat is geen last om mee te leven, maar een voorrecht.” Ze leven niet bij de dag, maar nemen het per dagdeel, vertelt Schaapman. „Gisterochtend was goed, zo goed dat we zaten te fantaseren over een tweezits-scootmobiel, maar ’s middags sloeg het om en werd hij weer opgenomen.” Zes dagen na de opname mag Content naar huis. „Hopelijk kan hij weer even door”, mailt Schaapman.

Ze praten samen heel veel over de toekomst, wanneer hij er niet meer is. „Ik denk dat ik dan toch in een huisje buiten de stad beland. Want ik heb geen mensen nodig. Stom hè?” Ze zal dan zeker honden nemen. „Heel grote. Want ik ben ook een angsthaas. Bang voor mensen.”