Een verboden gif dat maar niet wil verdwijnen

Insecticide Al zo’n vijftig jaar mag DDT niet meer gebruikt worden in Europa. Toch worden afbraakproducten nog altijd teruggevonden in de Nederlandse bodem – en onlangs nog in dode grutto’s.

Grutto’s in de polder Arkemheen bij Bunschoten. Vrouwelijke grutto’s geven via de eieren DDT door aan hun nageslacht.
Grutto’s in de polder Arkemheen bij Bunschoten. Vrouwelijke grutto’s geven via de eieren DDT door aan hun nageslacht. Foto Sijmen Hendriks/ANP

Eén ding hadden ze gemeen, de elf eieren en drie dode grutto’s die Joost Lommen van CLM Onderzoek en Advies samen met collega’s onderzocht op mogelijke pesticiden. Van de 727 gifstoffen die de meetapparatuur kon analyseren, was alleen die ene in alle veertien monsters aanwezig: DDT. Een insecticide dat al sinds 1973 niet meer in Nederland gebruikt mag worden vanwege de schadelijke gevolgen voor het milieu en voor mensen. Ook in andere Europese landen is DDT al zo’n halve eeuw verboden.

Het CLM had, in samenwerking met het Louis Bolk Instituut, willen achterhalen hoe het komt dat de gruttoaantallen in Nederland zo achteruitgaan – van zo’n 120.000 broedparen in 1975 tot 35.000 nu. Intensieve landbouw in de vorm van monoculturen speelt een rol, maar daarnaast zouden ook gifstoffen de weidevogels parten kunnen spelen. En dus kwamen de dode grutto’s in het lab terecht.

„We waren dus niet specifiek op zoek naar DDT”, zegt Lommen. „Maar het zat er wel.” In het lab is gekeken naar de ‘DDT-som’, waaronder naast DDT ook schadelijke afbraakproducten kunnen vallen.

Het voorbeeld van de weidevogels staat niet op zichzelf. Ook in andere soorten, waaronder vleermuizen, boerenzwaluwen en koolmezen, is de afgelopen jaren in Nederland DDT aangetroffen. Hoe kan een middel dat al bijna een halve eeuw verboden is in Europa opduiken in Nederlandse vogels? Het antwoord ligt besloten in het succes van DDT als insecticide en in de persistentie van de afbraakproducten.

Roofvogels en zeehonden

DDT, voluit dichloordifenyltrichloorethaan, werd al in 1874 ontwikkeld door een Duitse scheikundestudent. Pas in 1939 ontdekte de Zwitserse scheikundige Paul Müller vervolgens de effectiviteit van het poeder als insecticide: hij testte het op vliegen onder een glazen stolp. Zelfs nadat het glas was schoongemaakt bleven er vliegen doodgaan, zo krachtig was het middel.

In de jaren erna werd ontdekt dat DDT ook onder meer muggen en luizen doodde. En zo begon de zegetocht van DDT: boeren konden er hun gewassen mee beschermen, wetenschappers gingen er door insecten verspreide ziektes als vlektyfus en malaria mee te lijf. In 1948 ontving Müller als ‘ontdekker van DDT’ de Nobelprijs voor Geneeskunde.

Maar het wondermiddel had ook een keerzijde, bleek niet lang daarna. „Al in de jaren vijftig ontdekten ecologen dat het slecht ging met grotere diersoorten, zoals roofvogels en zeehonden”, vertelt milieukundige Jerry van Dijk van de Universiteit Utrecht. In Nederland kelderden de aantallen buizerds bijvoorbeeld dramatisch. In Groot-Brittannië ontdekten ornithologen dat de slechtvalk veel minder jongen grootbracht. De oorzaak? Door vergiftiging met DDT. De roofvogels aten weliswaar niet direct vergiftigde insecten, maar ze aten wél zangvogels die het gif in zich droegen. Zo kon DDT zich ophopen in de soorten die boven aan de voedselketen stonden. De eierschalen van vogels met een DDT-vergiftiging waren zo dun dat het broedsucces sterk daalde.

DDT had desastreuze effecten voor het milieu

Jerry van Dijk milieukundige

„Hoewel al die lokale problemen wel werden vastgesteld, was het de Amerikaanse bioloog Rachel Carson die in 1962 alle losse eindjes aan elkaar knoopte en liet zien dat DDT wereldwijd desastreuze effecten had voor het milieu”, vertelt Van Dijk. Het middel verspreidde zich, onder andere via zeehonden en vis, zo sterk dat het zelfs in de poolgebieden werd vastgesteld, bij ijsberen en pinguïns.

Langzaamaan begon het te dagen dat DDT ook schadelijk zou kunnen zijn voor de mens. „Omdat het zo’n effectief poeder was, en geurloos bovendien, werd het tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de jaren daarna kwistig gebruikt. Soldaten spoten zich ermee in tegen ongedierte, vliegtuigjes strooiden het soms uit over woonwijken tegen plaaginsecten, en je kon zelfs behang kopen dat was gedrenkt in een olie-oplossing van DDT, zodat je de babykamer muggenvrij kon houden”, vertelt Van Dijk.

Maar mensen en huisdieren die aan hoge doses werden blootgesteld, kregen last van acute ziekteverschijnselen, zoals braken en stuiptrekkingen. Uit onderzoek kwam daarnaast naar voren dat DDT op de lange termijn het risico op diabetes en op neurologische aandoeningen als parkinson kon verhogen. Ook is de stof inmiddels geclassificeerd als ‘mogelijk kankerverwekkend’. Doordat DDT zich ophoopt in vetweefsel, maar ook in bijvoorbeeld moedermelk, blijft de stof in het lichaam en gaat het over op volgende generaties.

Terug naar de vogels. Vrouwelijke grutto’s geven DDT dus ook door aan hun nageslacht via eieren, blijkt uit het CLM-rapport. Maar hoe komen ze er zelf aan?

Diverse verklaringen zijn mogelijk, zegt Lommen. Zo zouden de vogels het kunnen meenemen vanuit West-Afrika of Zuid-Europa, waar ze overwinteren. Ze voeden zich daar met graszaden en rijstkorrels. „In Afrika mag DDT volgens een WHO-richtlijn binnenshuis nog worden gebruikt als middel tegen de malariamug.”

In de overwinteringsgebieden Spanje en Portugal is DDT net als in de rest van Europa verboden, maar in de bodem zijn nog altijd afbraakproducten in de vorm van DDE en DDD aanwezig. En die stoffen zijn niet mínder giftig. Bij onderzoeken waar naar de ‘DDT-som’ wordt gekeken kan het dus ook gaan om een van die afbraakproducten.

Bodems van sloten en plassen

Maar het hoeft niet van zo ver weg te komen. Want ook in Nederland komen DDD en DDE nog altijd voor in de bodem, vertelt Violette Geissen, werkzaam als hoogleraar bodemdegradatie en landgebruik aan Wageningen Universiteit. Afhankelijk van de bodem ligt de halfwaardetijd – dus het moment waarop er nog 50 procent van de oorspronkelijke hoeveelheid over is – voor DDT tussen de dertig en de vijftig jaar. „Maar zelfs al vind je geen verse DDT meer terug, dan betekent dat niet dat het verdwenen is uit het systeem. Het is alleen omgezet in de afbraakproducten. En als die zich eenmaal binden aan bodemdeeltjes, dan vertraagt dat de afbraak enorm.” Vooral in de grond van bijvoorbeeld sloten en plassen blijven DDE en DDD vaak lang aanwezig, omdat er onder de zuurstofarme omstandigheden nauwelijks afbraak plaatsvindt.

Vanuit de bodem kunnen DDD en DDE in planten terechtkomen, maar bijvoorbeeld ook in regenwormen. Grutto’s eten vaak regenwormen en emelten (de larven van langpootmuggen die ook in de bodem leven). „Maar via welke route DDT in de grutto’s terecht is gekomen, kunnen we op basis van ons verkennende onderzoek naar pesticiden bij grutto’s niet met zekerheid zeggen”, aldus Lommen.

Wel is de concentratie DDT in de onderzochte volwassen vogels te laag om direct of op langere termijn tot de dood te hebben geleid, voegt hij toe. Ook is de verwachting dat de eieren bij de gevonden hoeveelheid in principe gewoon uitkomen – al kán het in theorie zo zijn dat de dikte van de eierschaal en de overlevingskansen van het embryo erdoor worden aangetast. „Dat hebben we niet specifiek onderzocht, omdat we juist gefocust waren op het hele scala aan chemische stoffen, waaronder ook middelen die nu nog gebruikt worden.”

Opvallend in het CLM-onderzoek was dat modernere bestrijdingsmiddelen (bijvoorbeeld ‘neonicotinoïden’, insecticiden die het centraal zenuwstelsel van insecten lamleggen, en het herbicide glyfosaat) niet of nauwelijks in de monsters voorkwamen. Lommen: „Misschien omdat die middelen meer in de akkerbouw worden gebruikt, en niet zozeer in de weidevelden waar de grutto’s leven.”

Cocktail van allerlei middelen

Toch is ook het effect van die andere pesticiden op het milieu niet uit te vlakken, benadrukt Geissen. „Onze bodem is verre van maagdelijk– het is een cocktail van allerlei soorten bestrijdingsmiddelen. En die vind je ook in lage concentratie terug op plekken waar nu biologische landbouw wordt bedreven. Want die reststoffen verdwijnen dus niet zomaar uit de grond.”

Ze onderstreept het belang van betere pesticidenmonitoring. „Er zou bijvoorbeeld veel beter moeten worden geanalyseerd welke pesticiden zich allemaal in fijnstof bevinden. Tijdens droog weer komen kleine bodemdeeltjes in de lucht en dan ademen we ze ook in.”

Van Dijk voegt toe: „Als er tegenwoordig nieuwe producten op de markt komen, dan worden ze wel getest, met standaardprocedures in het lab. Maar als iets in een petrischaaltje onder de schadedrempel blijft, weet je nog niet wat diezelfde stof in het milieu doet, waar pesticiden onderling interacties aangaan, en in gewassen terechtkomen. Even onder de kraan houden helpt dan niet, want veel gifstoffen trekken in groente en fruit.” Hij pleit daarom voor meer natuurlijke plaagbestrijding en minder monoculturen.

Wat het DDT-gebruik in Afrika betreft wordt inmiddels ook gekeken naar alternatieven, zegt Van Dijk. „Zeker nu veel muggen ook resistent worden tegen het middel, wordt gezocht naar andere methodes, bijvoorbeeld naar genetische sterilisatie van mannetjesmuggen.”

Desondanks zal het, gezien de afbraakproducten, nog lang duren voor de wereld DDT-vrij zal zijn. „We zullen DDD en DDE de komende decennia blijven tegenkomen – niet alleen in grutto’s, maar ook in de mens.”

Correctie 7-5: aanvankelijk stond in dit bericht dat de halfwaardetijd van DDT tussen de 2 en 15 jaar bedraagt, gebaseerd op oude gegevens. Volgens hoogleraar Violette Geissen kan het 30 tot wel 50 jaar bedragen.