Recensie

Recensie Boeken

Het natuurboek van deze 17-jarige jongen werd een sensatie

Natuur De Noord-Ierse Dara McAnulty is pas zeventien jaar, maar hij is nu al een volwassen, onbevangen natuurschrijver, zo blijkt uit zijn eerste boek, dat wereldwijd succes heeft. Zijn werk doet denken aan Greta Thunberg.

Kale takken. Twee meerkoeten in de sloot. Bedauwde grassprietjes. Een reiger langs de waterkant. Over natuur schrijven is in essentie eenvoudig genoeg. Je kijkt om je heen en noteert wat opvalt.

Maar origineel schrijven over natuur? Dat is een kunstvorm op zich.

Jac. P. Thijsse deed het in zijn natuurdagboeken: uitgebreid, precies, met oog voor detail. Henry Thoreau met Walden: romantisch, filosofisch. Jan Wolkers: speels, grappig, associatief.

En dan is er nu Dara McAnulty. Een jongen van 17 jaar uit Noord-Ierland met autisme en een grote voorliefde voor wandelen, vleermuizen en vogelveren. Zijn Dagboek van een natuurjongen is in de Engelstalige editie al een sensatie.

In het Verenigd Koninkrijk kreeg McAnulty in 2020 de ene na de andere onderscheiding: de Wainwright Prize voor beste natuurboek, de RSPB Medal van de Royal Society for the Protection of Birds en de Books Are My Bag Award voor ‘boek van het jaar’.

De gelauwerde natuurschrijver Robert Macfarlane roemt hem om zijn ‘buitengewone stem en visie: dapper, poëtisch, ethisch, lyrisch’.

Onbevangen, gretig, nieuwsgierig

McAnulty schrijft onbevangen. Hij observeert de natuur gretig, nieuwsgierig, vol verwondering, zoals we als kind allemáál wel eens gedaan hebben, kijkend naar een lieveheersbeestje of luisterend naar kikkergekwaak. Maar waar die natuurfascinatie in de puberteit vaak plaatsmaakt voor natuurschroom – buiten spelen is te kinderachtig, wandelen met je ouders te saai – is dat bij Dara andersom: hoe meer tijd hij buiten doorbrengt, des te enthousiaster hij wordt.

Zonder zelfcensuur deelt hij zijn gedachten en gevoelens. Over de komst van de lente (‘Lente doet iets met je vanbinnen. Alles komt los van de grond en kan alleen maar omhoog- en vooruitgaan.’), maar ook over de stress van een op handen zijnde verhuizing en over de pesterijen op school. ‘In de loop der jaren heeft zich een muur van steen en prachtige klimop om me heen gevormd en alleen familie en de natuur mogen daarbinnen komen.’

Hij beschrijft hoe hij een meisje een mooie veer aanbiedt, in de hoop op vriendschap. Maar de veer wordt op de grond gegooid: te vies. Net zo nauwgezet als McAnulty de libellen om zich heen observeert, reflecteert hij op zijn alleen-zijn. In de natuur vindt hij troost, zelfs als iedereen hem mijdt tijdens de lunchpauze. ‘Vandaag keek ik in de pauze naar de kwikstaartjes die hun nest in en uit vlogen. Hoe kon ik me eenzaam voelen als er zulke dingen zijn? De dierenwereld is mijn toevluchtsoord. (…) Het dierenleven stelt nooit zo teleur als mensen dat kunnen.’

Gracieuze eenden

Met die persoonlijke, open schrijfstijl neemt Dara McAnulty zijn lezers voor zich in. Hij gebruikt de natuur niet alleen als bron van troost, maar ook als spiegel. Zo vergelijkt hij zichzelf met de brilduiker, een gracieuze eendensoort. De brilduiker líjkt schijnbaar moeiteloos over het water te glijden, maar niemand ziet hoe zijn poten onder water volle toeren draaien om vooruit te komen.

Net zo min zien anderen hoe Dara keihard zijn best doet om niet af te wijken van de rest. ‘Aan de oppervlakte beseft niemand hoeveel werk er nodig is, hoeveel energie het kost om je aan te passen en net zo te zijn als de anderen.’

Af en toe doet McAnulty denken aan Greta Thunberg, als hij beschrijft hoe makkelijk het is om depressief te raken door de negatieve berichten over klimaat, biodiversiteit en milieubescherming. Maar na elke teleurstelling veert hij steeds weer hoopvol overeind, tot hij zich net zo vrij voelt als de zwaluwen en de jan-van-genten met hun sierlijke duikvluchten: ‘Als zij hun leven kunnen leven, waarom zou ik dat dan niet doen?’ Je gunt hem van harte wat vroege voorjaarskriebels, en wat van die lentelichtheid die hij zo mooi omschrijft.