‘Jouw boek gaat natuurlijk de Librisprijs winnen’

Jeroen Brouwers en Marieke Lucas Rijneveld Beide schrijvers zijn grote stilisten en dingen mee naar de Libris Literatuurprijs die maandag wordt uitgereikt. „We hebben alle twee een merkwaardig goed boek geschreven.”
Marieke Lucas Rijneveld en Jeroen Brouwers bij Brouwers thuis in het Belgische Lanaken.
Marieke Lucas Rijneveld en Jeroen Brouwers bij Brouwers thuis in het Belgische Lanaken. Foto Ans Brys

Aan het begin van de middag schikken Jeroen Brouwers (nog even 80) en Marieke Lucas Rijneveld (sinds kort 30) zich nog in hun rollen van bedaagde nestor en naïeve jongeling. Maar in hun lof voor het werk van de ander zijn ze onmiddellijk elkaars gelijken.

Marieke Lucas Rijneveld: „Jeroen, wat een boek! Dat gaat natuurlijk de Librisprijs winnen. Fantastisch.” Jeroen Brouwers: „Dat kan ik net zo goed tegen jou zeggen: wat een boek. We hebben alle twee een merkwaardig goed boek geschreven.” Rijneveld: „Ik zag ook wel overeenkomsten. Dat obsessieve, dat doordenderen in de taal.”

Rijneveld bewondert „de prachtige woorden” in Cliënt E. Busken, de capriolen die Brouwers met de taal uithaalt. Zo wordt in het mistige brein van de bejaarde verteller het woord ‘rododendron’ verhaspeld tot ‘drensdrons’. Dat was Rijneveld ontgaan: „Ik wilde weleens weten hoe zo’n struik eruitziet, dus ik ging googlen en kreeg een foto van… Jeroen Brouwers.” Brouwers: „Is dat zo?” Rijneveld: „Ja! Als je drensdrons intypt!” Brouwers: „Wij hebben net eergisteren zo’n struik gekocht en zeggen ook: ‘De drensdrons staat er goed bij.’” Rijneveld: „Dat is nu de Brouwersstruik geworden!”

Brouwers heeft alles van Rijneveld gelezen, vertelt hij. „Alleen jouw allereerste dichtbundel niet.” Rijneveld: „Kalfsvlies.” Brouwers: „Oh? Ik dacht Kalfsvlees.” Rijneveld: „Ach, dat gebeurt wel vaker.” Brouwers: „Luiheid van mij. Voor de rest heb ik alles gelezen.”

Andersom las Rijneveld anderhalf jaar geleden voor het eerst iets van hem: „Ik ging naar Rome, mijn eerste vliegreis, en ik moest iets lezen waardoor ik niet in paniek raakte. Dat werd Bezonken rood.” Waarin Brouwers onverbiddelijk het trauma van het Jappenkamp beschrijft – hij grimast: „Daar word je wel rustig van…” Rijneveld lacht: „Nee, het is een intens boek, maar ik vergat helemaal dat ik ook neer kon storten.”

Ze ontmoeten elkaar in de werkkamer van Brouwers, in zijn huis in Lanaken, vlak over de grens bij Maastricht. Rijneveld is uit voorzorg negatief getest, Brouwers werd al één keer geprikt – maar ze bekennen niet bang te zijn voor het coronavirus. Brouwers: „Omdat ik hier toch alleen zit, ik kom nooit buiten.” Rijneveld: „Mis je dat soms?” Brouwers: „Ik heb heel mijn leven zo geleefd.” Rijneveld: „Op het werk gericht, op schrijven gericht.” Brouwers: „Maar ik denk dat jij ook zo leeft?” Rijneveld: „Het komt aardig overeen. Maar ik doe nog wel lezingen, optredens. Ik denk dat ik naast het schrijven ook het fysieke gezien-worden nodig heb.” Brouwers: „Lezingen had je in mijn tijd niet.” Rijneveld: „Maar het is toch ook het heerlijkst om achter je bureau te zitten.” Brouwers: „Dat is het werk van de schrijver. Lezen en schrijven.” Rijneveld: „Ja. Het is mooi om mensen iets te geven, maar ik schrijf toch vooral om mezelf iets te geven.”

Lees hier de recensie van Mijn lieve gunsteling: De nieuwe Marieke Lucas Rijneveld: hoogst uitzonderlijke literatuur

Beide schrijvers zijn gemakkelijk de meest gelauwerde schrijvers van hun generatie te noemen – in een halve eeuw werden aan Brouwers zo’n beetje alle literaire prijzen wel eens toegekend (alleen de Librisprijs niet). Rijneveld kreeg vorig jaar voor de Engelse vertaling van De avond is ongemak de International Booker Prize. Nu zijn romans van Brouwers en Rijneveld genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, waarvan de winnaar maandag bekendgemaakt wordt.

Mijn lieve gunsteling is de koortsachtige apologie van een 49-jarige veearts die een 14-jarige boerendochter verleidt. Een beklemmende monoloog over een broeierige zomer en een verboden liefde – maar wel degelijk een liefde. Rijneveld: „Het was Koningsdag vorig jaar, ik was bij vrienden om een tompouce te eten en het gesprek kwam op de veearts uit De avond is ongemak. Daar was iets mee. Meteen op de fiets naar huis zag ik de beginscène van een roman voor me, hoorde ik de stem van de veearts. Vanaf dat moment werkte ik hier iedere dag aan. Het was ook mijn houvast in de coronatijd, alles was stilgevallen. Maar het was vooral die stem – ik wérd die veearts. Zo’n begeestering heb ik niet eerder gehad.”

Ik ben gewoon dood van boven. In creatieve zin.

Cliënt E. Busken is het woeste relaas van een bejaarde man in een verzorgingstehuis, opgesloten omdat hij de boel niet meer op een rijtje zou hebben. Wat hem nog rest is een vurige monologue intérieur waarin hij fulmineert op alles, de enige manier om nog grip op de wereld te houden. Brouwers: „Mijn vrouw moest een paar dagen naar het ziekenhuis, maar ze wilde mij niet alleen laten. Ze heeft zo zitten puzzelen dat ze me in een bejaardencentrum heeft ondergebracht, voor een week.” Rijneveld: „Je hebt een week in een verzorgingstehuis gezeten? Dat lijkt me… bijzonder.” Brouwers: „Pótdomme.” Rijneveld: „Was je bang dat je niet meer opgehaald werd? Kon je het daarom zo goed opschrijven?” Brouwers: „Ik mocht er weer uit, hè. Maar ik kon me de opsluiting levendig voorstellen.” Rijneveld: „Alles wordt er voor je geregeld, jij zit gevangen in je oude lichaam…” Brouwers: „Ze komen je wassen, hè. Sodemieter op, dat kan ik zelf! Nee, je moet je voegen naar de discipline die daar heerst.”

De sterke vertelstemmen verbinden hun romans: beiden schreven de monoloog van een man die niet direct sympathie opwekt, die de normen in zijn omgeving betwist en bij wie je dus op je hoede moet zijn voor manipulatie. Rijneveld: „Ik vond jouw hoofdpersonage geweldig. Woedend, humoristisch, intelligent en verward, alles loopt door elkaar, gedachten en dromen. Heerlijk.” Hetzelfde kun je van Mijn lieve gunsteling zeggen, zegt Brouwers. Rijneveld geeft toe: „Dat vond ik zelf het interessantst om te schrijven, dat de stem van de veearts samenvloeit met die van het meisje, dat je niet meer kunt onderscheiden wie er aan het woord is.” Brouwers: „Dát is wat mij frappeerde toen ik het las.”

Rijnevelds begeestering resulteerde binnen een halfjaar in een uitgegeven roman, Brouwers werkte vier jaar aan Cliënt E. Busken. „Veel te lang. Ik wou het weggooien. Twijfel, twijfel. Omdat het ook in mijn werk afwijkend is, ik heb zo nooit geschreven, zo achter elkaar door, zonder alinea’s. Maar het is zo ontstaan.” Rijneveld: „Vanwege de stem van het personage, toch? Mij wordt wel verweten dat ik weinig punten zet, maar dat is het personage, dat hoort bij het karakter, net als bij Busken.”

Brouwers: „En ik wou mijn oeuvre afsluiten met iets merkwaardigs. Iets experimenteels. Maar niet, als Hermans, met een mislukt boek. Als ik het afsluit, moet het iets zijn waar ik tevreden over ben. Maar terwijl je bezig bent slaat de twijfel toe: dit gaat niemand lezen, dat is niet goed. En dan legde ik het soms maanden weg.” Rijneveld: „Maar je had een sprankje geloof? Want je pakte het weer op.” Brouwers: „Ik was tevreden over één hoofdstuk, dus dan probeer je dat als een draadje vast te pakken en door te gaan. De laatste bladzijden, nee, die zijn echt met walging geschreven. Maar ik wou niet eindigen met een onafgemaakt boek. Dat vond ik onartistiek.”

Rijneveld: „Mij is wel gevraagd hoe ik zonder walging kon schrijven, hoe ik in de huid kon kruipen van een man die van zo’n jong meisje hield. Tja, ik moest een soort compassie met hem hebben, anders kon ik dit niet schrijven. Het verhaal vroeg ook om dat koortsachtige schrijftempo, ik durfde nauwelijks punten te zetten omdat ik bang was dat ik de stem dan kwijtraakte.”

Mij wordt wel verweten dat ik weinig punten zet, maar dat is het personage.

Ook dat delen ze: een zeker gevoel van machteloosheid over wat ze schrijven. Schrijven is in feite de stem van een ander vertolken, van een personage. Brouwers: „De dingen komen zelf op papier, en waarom staan ze er eigenlijk? Vroeger was ik geneigd om alles wat ik niet begreep te schrappen, maar dat moet je niet doen, het betekent kennelijk iets.” Rijneveld: „Ik denk dat een personage uiteindelijk op zichzelf gaat staan. Je creëert het en geeft het van alles mee, maar op een gegeven moment krijgt het een eigen leven.” Brouwers: „Precies.” Rijneveld: „Dus ik kan me ook voorstellen dat je zegt: wat er in Busken omgaat, ik weet het niet.” Brouwers: „Je zou bij die vent kunnen gaan zitten en hem vragen: is dat allemaal echt gebeurd, meneer Busken? Misschien geeft hij wel antwoord.”

Brouwers bewondert Rijnevelds zelfverzekerdheid, zegt hij. „Zo was ik niet op mijn dertigste. Ik was timide.” Rijneveld relativeert het beeld, zegt: „Ik kan me nu redelijk zelfverzekerd presenteren, eigenlijk sinds ik die Booker Prize kreeg. Op school was ik nergens goed in, maar nu kan ik iets. Dat geeft me houvast, maar ook afhankelijkheid. Ik heb mezelf de laatste maanden opgelegd om iedere dag een gedicht te schrijven. Pas als dat is gelukt, weet ik: ik kan het nog.”

Die afhankelijkheid, van het schrijven, herkent Brouwers. Alsof het iets is dat ze overkomt, en hen zo weer kan ontglippen. „Ja, als ik vandaag niet schrijf, kan ik het morgen niet meer – dat heb ik ook lang gehad.” Rijneveld: „Maar is dat werkelijk zo, of zit dat ergens in die hersenen?” Brouwers: „Het zal wel in die krochten zitten…”

Krochten – het woord wordt gedurende het gesprek een grapje. Het is waar de inspiratie huist, waar de woorden, de zinnen, de romans vandaan komen. Het woord staat symbool voor iets wat er is, maar waar ze niet bij kunnen. En waar ze geen controle over hebben. Rijneveld: „Ik had me voorgenomen om nu een roman te schrijven zonder God en zonder koeien. Dat is mislukt. Ik denk dat voor alle onderwerpen in een boek geldt dat de schrijver er een fascinatie voor heeft. Dat herken ik: ik gebruik thema’s waar ik hartstochtelijk over kan schrijven. Die wens van het meisje om een jongetje te zijn, die zit ergens ook in mij, dus dat kon niet anders dan in dit boek komen. Maar ik had het me niet voorgenomen. Zo ga je toch een beetje de krochten van je binnenste af.”

Het kán ook niet anders, zegt Rijneveld: „Ik denk dat schrijven ook een manier is om met ingewikkelde dingen om te gaan. Sommige mensen raken van het padje af, maar ik denk dat schrijven mijn manier is om met alles om te gaan.”

Lees hier de recensie van Cliënt E. Busken: Jeroen Brouwers’ slotakkoord is groots en fenomenaal vurig

„Ja, hetzelfde!”, roept Brouwers. „En krochten, ja, die ruimten die je niet vanzelfsprekend betreedt… Daar moet je naartoe, die moet je openen. Erin.” Om meteen gas terug te nemen: „Soms vind je daar iets, soms niet. Zo interessant zijn mijn krochten nou ook weer niet.” Rijneveld: „Je kunt er wel zeventig boeken over schrijven.” Brouwers valt even stil: „Ach, die twijfel, dat steeds maar wegschuiven van dit manuscript, houdt ook verband met het idee dat ik had, en dat juist is gebleken: dit is mijn laatste boek. Het oeuvre is voltooid.”

Rijneveld kijkt hem wat ongelovig aan. Brouwers: „Mijn leven is voorbij, hè. Over drie jaar ben ik dood.” Rijneveld, stotterend: „Maar ik denk alleen maar: waarom? Kan er niet nog een boek komen?” Brouwers: „Natuurlijk probéér ik dat.” Rijneveld: „Is het fysiek moeilijk?” Brouwers: „Nee, daar zet ik me wel overheen. Wat men inspiratie noemt, ik heb het niet meer. Ik ben gewoon dood van boven. In creatieve zin. Vroeger was het: je sluit een boek af en begint meteen aan een nieuw boek. Dat heb ik niet meer. Er komt niks meer.”

Het raakt iets bij Rijneveld. „Heb je dan sinds Busken niet meer geschreven?” Brouwers: „Nee.” Rijneveld: „En… mis je het niet?” Brouwers: „Eerlijk gezegd: ja. Dat wil zeggen: je mist je dagelijks werk. En je bestaan, je bent schrijver.” Rijneveld: „Hoe ziet de dag er dan nu uit?” Brouwers: „Saai. Ja, lezen, maar dat is een ander leven, ik wil het boek schrijven. Dan begint ook het piekeren: stelt het wat voor, dat oeuvre.” Rijneveld: „Terwijl ik denk, zeventig boeken, mán. De droom van iedere schrijver. Maar niet meer schrijven… Ik verlies iedere dag alles, dat had ik als kind al. Als ik had leren klokkijken was ik de volgende dag vergeten hoe het moest. Ik heb dat met veel dingen: hoe je de dag goed doorkomt, bijvoorbeeld. Maar dat schrijven, dat blijft.” Brouwers: „Je begint net. Je bent nog zo jong!”