Hagelslag komt uit de boom

Kinderboeken Het begint met een zaadje, het eindigt met schimmels. Joël Broekaert en Marieke van Ditshuizen laten in hun boek zien hoeveel laagjes planten hebben.

Illustratie Marieke van Ditshuizen

Daar zit je dan, met je vensterbank vol moestuintjes van de supermarkt. Er staat op hoe je ze moet zaaien en wanneer je de babyplantjes in een grotere pot of in de tuin moet stoppen. Maar wat gebeurt hier eigenlijk? Eigenlijk heb je geen idee van het wonder dat in zo’n minimoestuintje verstopt zit.

Voor kinderen die willen weten hoe er uit een droog zaadje ineens een stengeltje schiet, of waarom we van sommige planten alleen de kiemen eten (taugé) en van andere juist de wortel, de steel of de bloem, schreef Joël Broekaert Van honingbij tot hagelslag. Broekaert is culinair schrijver van NRC en hij schreef dit boek voor kinderen.

Maar waarom zou het voor volwassenen niet leuk zijn? Want wie wist dat alles na het eten van pepermunt minstens vier graden koeler voelt in je mond? En waarom kruidnagel kruidnagel heet? Daarom dus.

De illustraties van Marieke van Ditshuizen geven een extra laag aan Broekaerts behapbare hoofdstukken. Sterker, dit boek was eigenlijk háár idee. Ze kreeg het toen ze in Indonesië omringd werd door allerlei eetbare planten en zag dat hagelslag (cacao) aan de boom groeit.

Ze gebruikte maar drie kleuren – knalroze, citroengeel en felblauw. Steeds maar één kleur op één vel. Daarna legde ze de tekeningen met de computer over elkaar heen. Zo mengde ze de kleuren. Steeds een beetje meer, hoe verder je in het boek komt.

Eerst is alles licht en bijna doorzichtig, daarna kleurrijk en uitbundig en ten slotte, als je maar lang genoeg blijft mengen, wordt alles een beetje grauw. Net als in de natuur, waar uit het zaadje steeds meer laagjes en kleuren komen. Tot in de herfst alles bruin wordt en schimmels de plantenrestjes opeten, met paddenstoelen als vrucht. Daar sta je niet bij stil, als je het eerste blaadje rucola ziet opkomen.


Voorpublicatie: Van honingbij tot hagelslag

Als de vlierbloesem aan de struiken zit, dan weet je dat de zomer niet ver weg is. Als je eenmaal weet hoe een bloeiende vlierbloesemstruik eruitziet, dan zie je ze overal staan. In parken, langs de weg. De kleine wit-gele bloemetjes groeien in trosjes aan de plant en ze hebben een prachtige, sprankelende, zoete geur.

Je kunt er siroop van maken, dan kun je de hele zomer lang je dorst lessen met verkwikkende vlierbloesemlimonade.

Die trosjes met de bloesems werden vroeger ook wel als gebakje gegeten. Zo’n hele tros bloemetjes werd dan in een soort pannenkoekbeslag gedoopt en gefrituurd. Met een deftig woord heet zo’n gebakje een vlierbloesembeignet, maar eigenlijk is het gewoon een oliebol met bloemen erin. Heel lekker met poedersuiker!

De gekste bloem die we eten is zonder twijfel de vijg. Een vijg is een bizarre vrucht. Eigenlijk is het helemaal geen vrucht: de schil en het vruchtvlees van de vijg zijn de bloembodem. Dat is bij normale bloemen het midden van de bloem dat op het steeltje zit en waar rondom de blaadjes uitsteken.

Maar bij de vijg is de bloembodem heel groot geworden en zit hij helemaal dichtgevouwen rondom de bloemblaadjes. Als je een vijg openmaakt, zie je allemaal kleine, rode bolletjes. Dat zijn de bloemetjes!

Wat ontzettend onhandig, denk je misschien. Als die bloemetjes vanbinnen zitten, dan kan er toch geen insect bij om ze te bevruchten? Het is moeilijk te zien, maar precies in het midden van de bolle kant van de vijg zit een heel klein gaatje. In het Midden-Oosten, waar de vijg oorspronkelijk vandaan komt, leeft een wesp die zó klein is, dat hij door dat gaatje naar binnen kan. Zijn de bloemetjes bevrucht, dan komen er minuscule droge vruchtjes aan. Dát is wat je tussen je tanden voelt knarsen als je gedroogde vijgen eet.