Opinie

Songfestival bewijs van ‘gay friendly’ stad? Niet zo snel

De Rotterdamse homogemeenschap heeft zich door de jaren heen verzet tegen onderdrukking en discriminatie. In die lange strijd is de komst van het Songfestival naar de stad geen eindpunt, betoogt Rocher Koendjbiharie.

Illustratie Stella Smienk

Originele nummers en feestelijke optredens zijn niet het enige waar men aan denkt bij het Songfestival, later deze maand in Rotterdam. Het wordt ook gezien als pilaar van de homogemeenschap. Het festival zou dan ook moeten bijdragen aan het imago van Rotterdam als ‘gay friendly’ stad. Maar de emancipatie van de lhbti-gemeenschap is een moeilijke kwestie en vereist meer context.

De stad kent een complexe en kleurrijke geschiedenis op het gebied van lhbti-emancipatie. De gemeenschap heeft door de decennia heen een wisselende verhouding gehad met de gemeente. Waar de gemeente in het verleden medeverantwoordelijk was voor de discriminatie van deze groep, heeft die vandaag de dag juist het streven om Rotterdam een stad te laten zijn waar elk lhbti-persoon zich veilig voelt, zoals het stadsbestuur schrijft in het coalitieakkoord.

Lees ook dit eerdere artikel over de homo-acceptatie in Rotterdam

In de stad zelf is het moeilijker verlopen. Rotterdam Pride was het probleemkind onder de Pride-organisaties, met ruzies tussen links en rechts, de deelname van xenofobe organisaties aan de Pride-walk en de onvermijdelijke wisseling van het bestuur.

Zedenwetgeving

Maar het gaat veel verder terug. In 1911 werd een zedenwetgeving in het leven geroepen: artikel 248bis. Doel was om minderjarigen te beschermen tegen ‘homoseksuele besmetting’ en daarmee de verspreiding van homoseksualiteit tegen te gaan. Een sentiment dat sommigen in de samenleving nog altijd delen.

Als reactie op deze wetgeving richtte dr. Jacob Anton Schorer in 1912 het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee op. Dit was de eerste Nederlandse organisatie die streed tegen homodiscriminatie en was voorloper van het COC. Zeven jaar later volgde ‘District Rotterdam’ met bijeenkomsten op lokaal niveau – waarbij de Rotterdamse zedenpolitie aanwezig was. De zedenpolitie was van mening dat homoseksualiteit besmettelijk was en door het verleiden van minderjarigen overgedragen kon worden.

In 1959 kwam een nieuwe gemeentelijke verordening tot stand. Zo mocht in het openbaar geen affectie worden getoond tussen mensen van hetzelfde geslacht.

Maar de homogemeenschap liet zich niet uit het veld slaan. In 1970 organiseerden meerdere organisaties een protest waarbij de gemeente werd verweten homoseksuelen ongelijk te behandelen ten opzichte van heteroseksuelen. Protesten begonnen meer voet aan de grond te krijgen. Een jaar eerder vond de eerste demonstratie voor homorechten in Nederland plaats, waar voorvechters Joke Swiebel en Edgar Cairo bij aanwezig waren.

Er begon ook steeds meer verzet te komen uit de studentenwereld. Belangenvereniging COC bestond inmiddels al enkele decennia en had de regel dat mensen onder de 21 geen lid mochten worden, om zo moeilijkheden door artikel 248bis tegen te gaan.

Als reactie werd de Federatie Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit opgericht, met een Rotterdamse tak. Uit deze lokale afdeling ontstonden meerdere vormen van verzet tegen de discriminatie van homoseksuelen. Met de jaren vorderde de emancipatie van de lhbti-gemeenschap in Rotterdam. In 2001 kwam Roze Zaterdag voor het eerst naar Rotterdam en volgend jaar keert deze dag weer terug naar de stad.

Onderdrukking

De Rotterdamse lhbti-gemeenschap heeft zich dus weten te verzetten tegen onderdrukking en discriminatie. Maar we zijn er nog niet. Dat blijkt ook uit een onderzoek van de Rotterdamse afdeling van antidiscriminatiebureau RADAR, dat maart 2020 verscheen. Veel lhbti’ers voelen zich onveilig op straat, worden uitgelachen, en krijgen te maken met scheldpartijen, bedreigingen en fysiek geweld. Velen van hen voelen zich machteloos en passen zich aan om te voldoen aan de hetero- en de cisgendernorm om onzichtbaar te blijven.

Op persoonlijk vlak kan ik dit beamen. Onlangs zat ik op een zonnige lenteavond op een bankje met een vriendin een ijsje te eten. Uit het niets loopt een brede man op me af. Hij kijkt me aan en er verschijnt een nare lach op zijn gezicht. „Je lijkt op Badr Hari, man, maar die valt op vrouwen, en jij overduidelijk op mannen,” zegt hij schaterlachend terwijl hij wegloopt.

Met een mond vol tanden staar ik hem na. Het duurt een paar seconden voor ik realiseer wat er precies is gebeurd. Zonder te weten waarom, schaam ik me. Ik had iets terug moeten zeggen. Waar is de grote mond die ik altijd heb? Maar had ik het dan ook niet erger gemaakt, als ik een weerwoord zou hebben gegeven?

Er moet nog flink wat werk worden verzet om de emancipatie van de lhbti-gemeenschap in Rotterdam verder te brengen. Al zijn de stad en haar sleutelfiguren wel stappen aan het zetten. Zo duidde de wisseling van het Rotterdam Pride-bestuur op inzicht in het eigen handelen in het verleden. En de gemeente hijst sinds 2020 de progressieve Pride-vlag en evolueert mee met de samenleving.

In dat opzicht is het beter om het Songfestival en de aandacht voor de lhbti-gemeenschap te zien als een beweging in de goede richting, in plaats van een signaal dat Rotterdam al een ‘gay friendly’ stad is.

Rocher Koendjbiharie is publicist en hoofdredacteur van lhbti-site Expreszo