Recensie

Recensie Boeken

De naoorlogse heksenpaniek in Duitsland

Geschiedenis Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er in Duitsland heksenpaniek. Historica Monica Black bracht deze manie in kaart maar vond geen bewijs voor haar grotere theorie over het kwaad.
Prentje van gebedsgenezer Bruno Gröning.
Prentje van gebedsgenezer Bruno Gröning. Foto ANP

De wonderbaarlijkste wending van de 20ste eeuw, moet wel de wederopstanding van West-Duitsland na de Tweede Wereldoorlog zijn. Een land dat zo in puin lag, vernederd en verslagen, transformeerde schijnbaar in no time in een democratische consumptiemaatschappij waar het goed toeven was. Met recht een Wirtschaftswunder. Volgens de Amerikaanse historica Monica Black ontleenden de West-Duitsers een nieuw gevoel van identiteit aan dit verhaal, ‘niet gebaseerd op fantasieën van raciale superioriteit, maar op technisch vernuft, discipline en hard werken.’ Dat was geruststellend, omdat het ‘zo sterk contrasteerde met het magische denken in het Derde Rijk’. En het was ook een mythe.

Het echte verhaal van de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog is er een van het occulte, het bovennatuurlijke, van heksenpaniek en messiasmanie. Dat is de stelling van Blacks laatste boek: Een Bezeten Land. Heksen, gebedsgenezers en de spoken van het verleden in naoorlogs Duitsland. Daarin wil ze voorbij de BBP-grafiekjes en cijfers over nieuwe politieke partijen om de West-Duitsers (ze schrijft ‘Duitsers’ maar in feite focust ze op West-Duitsland) psychologisch te duiden. Wat waren hun angsten? Welke monsters lagen er onder het bed? Waar werd niet over gesproken en in welke vorm kwamen die weggestopte trauma’s naar boven?

In de ogen van tijdgenoten als Hannah Arendt leek de bevolking in 1949 misschien onverschillig en onaangedaan, maar volgens Black werd die geplaagd door de spoken van het verleden, door gevoelens van vertwijfeling, schuld en schaamte. Al klopt het dat het moeilijk te zien was: ‘Men hulde zich in stilzwijgen.’ Juist door dat stilzwijgen namen die emoties bijzondere vormen aan. Black beschrijft een hoop fenomenen die gelinkt zijn aan het bovennatuurlijke: waarschuwingen voor de Apocalyps, gefluister over kosmische wraak en diverse Mariaverschijningen. Maar de twee belangrijkste gestalten die de geesten van het verleden kregen, waren volgens Black de angst voor hekserij en de populariteit van charismatische gebedsgenezers.

Duivelsuitdrijving

Wellicht dat het verhaal van gebedsgenezer Bruno Gröning sommige lezers bekend voorkomt. Hij heeft nog altijd een bescheiden groep volgelingen, ook in Nederland. Gröning was een populaire maar ook omstreden genezer met felblauwe ogen, die zich beriep op God, zijn patiënten zilveren bolletjes van aluminium in de hand drukte, en in 1959 zelf stierf aan maagkanker. Onbekender zullen de verhalen zijn van de tientallen hekserijprocessen tussen 1947 en 1965. Al ging het anders dan bij de klassieke heksenprocessen niet om rechtszaken tegen verdachte vrouwen, maar tegen mensen die anderen hadden beschuldigd van hekserij, en met beschuldiging van smaad en laster voor de rechter werden gesleept.

Black ziet de oplaaiende angst voor heksen als een uiting van het sudderend onderlinge wantrouwen van de bevolking, en van het idee dat er een groter, bovennatuurlijk kwaad achter het menselijk ongeluk zou schuilen. Bij de gebedsgenezers stond volgens haar het idee centraal dat je je kon bevrijden van je zonden, en de duivel uit je kon laten drijven. Zo worden al deze fenomenen door Black bij elkaar gebracht door wat zij een gemeenschappelijke ‘obsessie met het kwaad’ noemt, een obsessie die het naoorlogse Duitsland in zijn greep zou hebben gehad.

Het is een interessante these, maar de uitwerking en daarmee de overtuigingskracht laat te wensen over. Dat komt grotendeels door de aanpak. Black volgt in haar boek drie mannen, Waldemar Ederling, een Hexenbanner uit Sleeswijk-Holstein, Johann Kruse, een gepensioneerde onderwijzer die parallellen zag tussen angst voor heksen en de Jodenvervolging, en dus vooral genezer Bruno Gröning. Zo’n tweederde van het boek vertelt het verhaal van zijn populariteit, de controverses rondom zijn persoon, zijn problemen met de autoriteiten, gedoe over geld dat hij wel of niet wilde, en zijn relaties met vrouwen. Het is zonder twijfel een interessant figuur, maar zijn levensverhaal levert geen bewijs voor die bredere tendensen of gevoelens in de Duitse samenleving. Zonde, want het is fascinerende materie en Black heeft duidelijk grondig archiefwerk gedaan.

Schuldgevoelens

Het grote hiaat in het boek is dat niet duidelijk wordt of de mensen die hun heil zochten bij Gröning, daadwerkelijk gebukt gingen onder schuldgevoelens vanuit het verleden, of een obsessie met het kwaad. Was zijn populariteit niet gewoon een gevolg van de chaos en onzekerheid en het lijden van die tijd? Dat er na de oorlog extra behoefte was aan genezing van fysieke en psychische kwalen is aannemelijk, en dat er nog steeds behoefte was aan zo’n leidersfiguur, is ook interessant. Maar het zegt niet per se iets over de omgang met ‘het kwaad’, of hoe dat werd gedefinieerd. Heeft de vrouw die genezen wil worden van onvruchtbaarheid een vraag over de nazitijd? Of een obsessie met het kwaad? Haar geloof in Gröning lijkt eerder te maken te hebben met wanhoop in tijden van onzekerheid, en behoefte aan houvast.

Wat ook niet helpt, is dat Black alle verwarring van de naoorlogse jaren – hoe kan het dat we verloren hebben? Wat is er met mijn geliefden gebeurd? Stond ik wel aan de goede kant? – op één hoop gooit. Dit zijn verschillende soorten vragen en ze relateren bovendien niet allemaal aan ‘het kwaad’.

Bovendien is het nú wel zo dat de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust worden gezien als de manifestatie van het absolute kwaad, als het morele ijkpunt in de geschiedenis, maar die status had het in de eerste jaren na de oorlog nog niet. Zo lijkt de blik van Black anachronistisch.

Een ander probleem van haar aanpak is dat ze zich vaak baseert op wat niet gezegd wordt, en dat is een lastig terrein. Ze heeft gelijk dat het verzwegene een belangrijk onderdeel van de geschiedenis is, maar als bewijs voor haar stelling is dat toch moeilijk. Het wordt al snel suggestief gissen.

Tussen de grote theorieën en sweeping statements door lijkt Black zich bij vlagen zelf ook bewust van deze tekortkoming van haar argument. Opeens formuleert ze voorzichtig: ‘In de naoorlogse context, dat wil zeggen in de nasleep van de nederlaag en de denazificatie, toen veel mensen gebukt gingen onder het gewicht van schuldgevoelens en boetedoening, vertegenwoordigde Gröning wellicht een bijzonder soort redding.’ Wellicht, inderdaad. Wellicht ook niet. Dit boek biedt in ieder geval geen uitsluitsel.