Opinie

Bevrijdingsdag in een schuldige wijk

Michel Krielaars

Op Bevrijdingsdag loop ik door de straten van mijn jeugd in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Het waait, de zon schijnt, de bomen staan in bloei, de lanen ogen maagdelijk. Ik sta stil op het Victorieplein, waar ik een kind van ben, en denk aan de kwatrijnen van een sonnet van Ischa Meijer: ‘Soms loop ik ’s nachts naar het Victorieplein/ Als kind heb ik daar namelijk gewoond./ Aan vaders hand zijn zoon te zijn,/ Op moeders schoot te zijn beloond.// Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,/ De vrieskou in mijn jas laat dringen,/ Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,/ Terwijl ik roerloos in de deurpost sta.’’

Het is sentiment, ik weet het, maar soms heb ik er behoefte aan. Ik wil dan weer even de huizen binnenlopen waar ik ben opgegroeid, een praatje maken met boekhandelaar Favié, een kroket halen bij de avondwinkel van Verschuur, mijn schoolrapport laten zien aan de buren.

Op mijn wandeling heb ik deze keer het boek De Amsterdamse Rivierenbuurt van Bert Esselink bij me. Het is een rijke geschiedenis, waarin ieder aspect van de wijk aan bod komt, tot criminelen als Cor van Hout aan toe. Veel aandacht heeft Esselink ook voor de geniale architecten H.P. Berlage, Joan van der Meij, Piet Kramer en J.F. Staal. Ineens besef ik hoe bijzonder hun scheppingen zijn en begrijp ik waarom zoveel Amsterdammers die het zich konden permitteren hier in de jaren twintig en dertig wilden wonen. Vergeleken met De Pijp was het er een paradijs met mooie winkels, goede scholen, een zwembad en de grote speeltuin in de Gaaspstraat.

De ondertitel van Esselinks boek luidt Honderd jaar schoonheid & schuld. En daarmee geeft hij ook de tragiek van de buurt aan, die je op vrijwel iedere bladzijde tegenkomt. In 1940 was 35 procent van de ruim 50.000 inwoners Joods. Daarvan zouden er maar een paar honderd de kampen en de onderduik overleven. Schuldige stenen dus, zoals Armando het noemde. Stenen waarachter het verdriet van de slachtoffers verborgen zit en de schaamte of het ongemak van hen die het hebben laten gebeuren. Het is de stille waarheid van een buurt. Een waarheid waarover werd gezwegen. Ook door mevrouw Speijer, mevrouw Moscou, mevrouw Godschalk en mevrouw Salomons, Joodse weduwen van in de zeventig, voor wie ik af en toe een boodschap deed en die me als hun kleinzoon zagen. Als ze bij elkaar kwamen om te bridgen, waren ze voor even jong en schaterlachten ze volop. Soms kwam zelfs de whisky op tafel. Dankzij de ontembare levenslust van die vier vrouwen weet ik wat Bevrijdingsdag voor iemand kan betekenen.

Esselink behandelt ook alle schrijvers, geleerden en artiesten uit de buurt. Zelf herinner ik me Heintje Davids en professor Presser, die een paar straten verderop woonden. Ineens kreeg ik zin om de boeken te herlezen die zich er afspelen, zoals Kinderogen van Alam Darsono of het literaire juweel Kinderjaren van Jona Oberski. En ik vergeet zeker niet Polen in Plan Zuid van Daniël Vermeulen, die eigenlijk Leo Ellowicz heette en een vriend van me was. Hij schreef over de buurt van na zijn terugkeer uit de onderduik. Het is een zwartgallig portret van een kapotte Joodse familie. Als je het uit hebt, wil je het liefst die groene lanen en straten met Stolpersteine bedekken en maken dat je weg komt. Zelfs een gedicht van Ischa Meijer kan je daar niet van weerhouden.