Alles wat altijd ‘anders’ is, is tijdens het Songfestival even normaal

Essay Hoe meer hij zijn eigen homoseksualiteit accepteerde en omarmde, hoe meer van het Songfestival ging houden. „Het is iets wat echt van ‘ons’ is.”

Illustratie Jasmijn van der Weide

In een Utrechtse kroeg, twee jaar geleden, had ik me definitief gewonnen gegeven. Het begon de maanden voor die zaterdagavond relatief onschuldig, met berichtjes over en weer naar een Instagram-vriend, als een van de landen hun nummer had gepresenteerd. Had hij het weer over zijn voorliefde voor kermende Balkan-diva’s, had ik het over hoe dat liedje van Spanje misschien objectief niet te pruimen was, maar dat ik het al weken onder de douche zong.

In de laatste weken voordat het zover was, zat ik aan de site met de bookmakers gekluisterd alsof het een spannende Netflix-serie was en wist ik wat iedere blogger van iedere inzending vond. Toen was daar de avond zelf, in die Utrechtse kroeg, te midden van een uitzinnige menigte homo’s, joelend naar een zingend Europa alsof het de WK-finale van 2010 was. En riep ik dingen als: ‘Sorry, we gaan níét verliezen van een vrouw op stelten’ en: ‘Oké, is niet erg, Servië geeft ons nooit punten, en die houden ook niet zo van ballads.’

De jaren van latente interesse waren nu echt voorbij. Het was alsof ik voor een tweede keer uit de kast kwam: ook ik was er een, een homo die gek was van het Songfestival.

Het is een hardnekkig cliché, en zoals met elk cliché over homo’s gaat het natuurlijk lang niet voor iedereen op, maar het is nou eenmaal zo dat wij bovengemiddeld geïnteresseerd zijn in dat jaarlijkse weekje eurocircus, dat weekje net-niet-muziek, dat weekje doe maar niet normaal, je doet nooit gek genoeg.

Maar wat is het nou waardoor homo’s zich zo tot het Songfestival aangetrokken voelen?

Natuurlijk zijn de ruim 180 miljoen kijkers wereldwijd niet in meerderheid deel van de lhbt+-gemeenschap, maar de zichtbaarste en meest toegewijde fans zijn dat wel, en dan gaat het met name om homo’s. Kijk naar wie de grote fanclubs oprichten, kijk naar de vloggers die elk nummer tot in detail op YouTube analyseren en kijk naar de mensen die er een traditie van maken om elk jaar naar Zweden, Israël, Oekraïne, of waar het Songfestival ook maar neerstrijkt, af te reizen.

Maar wat is het nou waardoor homo’s zich zo tot het Songfestival aangetrokken voelen? Ik vroeg het mezelf ook af na de 44ste keer de volledige playlist voor dit jaar te hebben geluisterd tijdens een lange coronawandeling: waarom ga ik er zo in op? Ik kon er mijn vinger niet op leggen. Alsof het voor mij en andere homo’s een soort lotsbeschikking is, je krijgt bij je coming-out nog net niet een gratis kaartje voor het festival.

Terwijl, laat dat duidelijk zijn, het Songfestival geen lhbt+-evenement is. Althans, zo is het nooit bedoeld geweest en nog steeds benadrukt de organisatie dat het een feest voor iedereen is. Homo’s hebben er alleen gaandeweg hun plek gevonden.

Het gezinsvriendelijke, apolitieke onschuldigedeuntjesfestijn van de jaren vijftig en zestig veranderde mede dankzij de disco in de jaren zeventig naar een steeds campyer wordend geheel, dat aansloeg bij homo’s. Uitbundig zijn, ánders zijn, werd gevierd. Mannen moesten in die tijd vooral niet te veel emoties tonen, en het Songfestival zat juist vol van die emotie. Dat was voor veel homo’s een verademing, zei de Ierse hoogleraar en Songfestival-expert Brian Singleton in 2015 in een artikel op de website van France24.

Illustratie Jasmijn van der Weide

In de jaren zestig en zeventig was Europa bovendien veel ‘geslotener’. Het aanbod op televisie was beperkt, je kreeg slechts één beeld van de wereld voorgeschoteld. Behalve die ene avond in het jaar waarop je kon zien hoe anders de cultuur in andere landen was, hoe anders ook de mensen. Dat droeg er volgens Singleton aan bij dat homomannen leerden accepteren dat ze buiten de norm vielen.

Het Songfestival wás dus geen homofestival, toen al helemaal niet, maar veel homo’s herkenden zich wel in de subtekst. Ze keken er met een ‘queer gaze’ naar, zoals dat in de literatuur wordt genoemd: hún blik. Neem het winnende nummer uit 1961, van de Luxemburger Jean-Claude Pascal. In ‘Nous les Amoureux’ (Wij, de geliefden) bezong hij een verboden liefde. ‘On voudrait nous séparer, on voudrait nous empêcher d’être heureux.’ ‘Ze willen ons scheiden, ze willen voorkomen dat we gelukkig zijn’. Pascal liet het geslacht van die liefde in het midden, bewust, zo bleek jaren later, toen hij verklaarde dat het ging om de liefde voor een man. Dat ook daadwerkelijk zingen was in die tijd uiteraard hoogst controversieel. Maar homo’s zullen deze betekenis er destijds wellicht al wel in hebben gezien.

Het mag allemaal best een homo-evenement zijn, we moesten het niet zo in Europa’s gezicht duwen

Het Songfestival bleef zelf lang in de kast. Het gaye was er wel, je moest het er alleen zelf in zien. Dus toen er in 1986 naast de Noor Ketil Stokkan een groep dragqueens stond, mocht dat al baanbrekend worden genoemd. In 1997 was er met de IJslander Paul Oscar eindelijk de eerste openlijk homoseksuele deelnemer, maar de echte coming-out van het Songfestival kwam een jaar later, toen de Israëlische transvrouw Dana International won. Een moment van niet te onderschatten betekenis: iemand ver buiten wat de maatschappij als de norm beschouwde, die op zó’n podium zó’n wedstrijd kon winnen.

Door de jaren heen werd steeds iets explicieter wat zo lang impliciet was gebleven. Met de dragqueens van het Sloveense Sestre in 2002. Met de winst van de Servische Marija Serifovic in 2007, die optrad in mannenkleding (maar pas in 2013 zei lesbisch te zijn). Met de kus die de Finse (heteroseksuele) Krista Siegfrids een van haar danseressen gaf in 2013. Met Conchita Wurst natuurlijk, namens Oostenrijk een jaar later, vaak laatdunkend weggezet als ‘die vrouw met de baard’. En de vorige winnaar, Duncan Laurence, is biseksueel.

Zelfs Paul de Leeuw droeg in feite een steentje bij aan de coming-out van het festival, toen hij in 2006 zijn momentje voor de bekendmaking van de Nederlandse punten aangreep om opzichtig te flirten met de Griekse presentator Sakis Rouvas en hem live op televisie zijn mobiele nummer te geven. Verschillende commentatoren spraken er schande van: smakeloos. Het toonde meteen het ongemak: het mag allemaal best een homo-evenement zijn, we moesten het natuurlijk niet zo in Europa’s gezicht duwen.

Dat het Songfestival nooit écht expliciet gay is geweest, zal door de jaren heen voor veel homo’s tegelijkertijd ook veilig hebben gevoeld. Zeker als je nog niet uit de kast was en thuis met het gezin keek. Er was een soort codetaal. Als papa de Poolse vrouwen met de omhooggeduwde borsten zag, zag jij de achtergronddansers in hun korte glitterbroekjes. Als mama meezong met een vrolijk liefdesliedje, hoorde jij de boodschap daarin voor mensen zoals jij. Dat is weer die ‘queer gaze’.

Het heeft lang geduurd voordat ik mezelf toestond zo gay te zijn als ikzelf wilde

We kunnen het hebben over al die losse onderdelen die het Songfestival aantrekkelijk maken voor homo’s, vaak in allerhande generaliseringen beschreven. ‘We’ houden van over-the-top, van camp. ‘We’ houden van diva’s, meer dan gemiddeld van popmuziek. Er bestaat volgens onderzoek onder Vlaamse jongeren uit 2015 van de Universiteit Antwerpen inderdaad een meer ‘homoseksuele’ muzieksmaak, en ja, die sluit goed aan bij het Songfestival. Of ‘we’ hebben gewoon ‘geen smaak’ en waarderen de kitsch op het festival daarom meer – al dan niet ironisch.

Het gaat vast voor een deel op. Hoewel ik naar buiten toe vooral poch met mijn hippe voorkeuren voor allerhande ‘moeilijke muziek’, stond Ariana Grande pontificaal bovenaan mijn eindejaarslijstje van Spotify. En ja, ik kijk alles wat ook maar te maken heeft met RuPaul’s Drag Race, niet bepaald een programma dat bekendstaat om zijn ingetogenheid.

Maar volgens mij draait de innige band die we voelen toch echt om die grotere betekenis. Juist het meest gehoorde commentaar op het Songfestival, dat het een rariteitenkabinet is, is waarom homo’s zich zo verbonden voelen. Alles wat in de maatschappij als ‘anders’ wordt gezien, is even normaal. Sterker nog: het is een pluspunt. Zelfs een act als Lordi, de Finse monsterrockers uit 2006 – typisch zo’n door critici verguisd symbool voor het gebrek aan kwaliteit op het festival – draagt in zekere zin bij aan de acceptatie van dat anders-zijn. Deze mannen traden graag op met monstermaskers. Dus? Weg is ook even de hypermasculiniteit, op het Songfestival is geen sprake van een ideaal van mannelijkheid: de gespierde man is net zo valide als die met een flinke laag make-up, en dat maakt een act niet meer of minder geslaagd.

De omarming van het Songfestival als onderdeel van de homocultuur vervult ook een belangrijke rol in ‘queer belonging’, ergens bij kunnen horen als homo. Een ‘safe space’ zoals je die in de homokroeg kunt hebben, of tijdens Gay Pride. Iets wat echt van ‘ons’ is. Zo was het misschien niet bedoeld, maar we hebben het wel geclaimd. Zelfs als je niets met het festival hebt, is het een prettig gevoel dat er iets is waar je zonder enig oordeel deel van kunt uitmaken.

Ik heb weken nagedacht over waarom ikzelf zo’n toegewijd fan ben geworden. Want dat was ik eerst dus niet. Ik ben tot de conclusie gekomen dat hoe meer ik mijn eigen homoseksualiteit ben gaan accepteren, gaan omarmen, hoe minder mijn weerstand werd tegen dingen die ik onlosmakelijk verbond met homo-zijn. Ik kwam op mijn twintigste pas uit de kast – ik ben nu 32 – terwijl ik eigenlijk veel eerder al wist wat er aan de hand was.

Mijn eigen worsteling ging verder, zelfs na de coming-out. Ik was natuurlijk niet ‘zó’n’ homo, zei ik dan. Voor dragqueens was ik ‘bang’, Pride vond ik maar ‘benauwend’. Ik hield alleen van sport, ik was een ‘mán’. Het heeft lang geduurd voordat ik mezelf toestond zo gay te zijn als ikzelf wilde. Het leuk vinden van het Songfestival was lang zo’n cliché waar ik me niet aan over wilde geven. Wellicht dat ik het nu juist nu radicaal omarm, omdat het symbool staat voor die zelfacceptatie.

Inmiddels zitten de nummers voor dit jaar alweer weken gebeiteld in mijn brein. De toekomstige zomerhit uit Malta, de club-beat van Moldavië, de retrodisco van Denemarken. En weer zing ik het Spaanse nummer onder de douche. Staat 35ste bij de bookmakers trouwens, gaat ’m niet worden.