Recensie

Recensie

De zoemende grondtoon die heimwee opwekt naar de baarmoeder

Geschiedenis van gebrom In een muzikale safari dwars door alle genres en tijden gaat muziekjournalist Harry Sword op zoek naar de drone, ofwel de oerklank: het geluid dat doet terugverlangen naar de geborgenheid van het kloppende moederhart.

Zanger Iggy Pop liet sapcentrifuges en stofzuigers razen, gitarist Ron Asheton blies twee akkoorden zijn versterker uit en broer Scott beukte met hamers op olievaten om tot de oertoon te komen.
Zanger Iggy Pop liet sapcentrifuges en stofzuigers razen, gitarist Ron Asheton blies twee akkoorden zijn versterker uit en broer Scott beukte met hamers op olievaten om tot de oertoon te komen. Foto Tom Copi

SKWIIIIIEEEEUUK! Het klonk als een ware openbaring, althans voor de Amerikaanse experimentele geluidskunstenaar La Monte Young. Toen hij in 1960 een wasserette in Berkley binnenstapte en op een bankje neerplofte, verschoven de houten poten over de cementen vloer. Dat leverde „onvoorstelbaar mooie zingende noten” op, die Young meteen met zijn Theatre of Eternal Music ging reproduceren. Dankzij die piepende composities zou hij samen met Philip Glass en John Cage uitgroeien tot een van de voornaamste vertegenwoordigers van het minimalisme.

Zeven jaar later blies gitarist Ron Asheton de enige twee akkoorden die hij kende uit zijn versterker, beukte broer Scott met hamers op olievaten en liet zanger Iggy Pop sapcentrifuges en stofzuigers razen terwijl hij tegelijkertijd feedback uit een trechter probeerde te toveren. Dat was de geboorte The Stooges, het protopunkkwartet dat eerst werd verguisd („een demonstratie van verveling” noemde Rolling Stone het debuutalbum) maar uiteindelijk ongeveer elke gitaarband zou beïnvloeden.

„Doe alsof je Chewbacca bent die net achtduizend liter codeïne heeft gedronken”, instrueerde de Canadese ambient-artiest Tim Hecker alle koorleden met wie hij in een kerk in Reykjavik vijftiende-eeuwse IJslandse samenzang ging opnemen: „En zing dan nog tien keer langzamer!” Het resultaat belandde tien jaar geleden op zijn bejubelde plaat Ravedeath, 1972.

Zomaar drie voorbeelden van musici die op zoek zijn naar hetzelfde oergeluid: de drone. En zij zijn zeker niet de enigen, schrijft de Britse muziekjournalist Harry Sword. De drone is namelijk „de zwarte ader” van de muziekhistorie, betoogt hij in zijn ruim vierhonderdvijftig pagina’s tellende monografie Monolithic Undertow, In Search of Sonic Oblivion. Het boek is een spannende maar tegelijkertijd uitputtende speurtocht naar de kracht van de meest elementaire toon die zowel de maker als toehoorder mijlenver (en desgewenst dagenlang) kan optillen en meevoeren.

Grotten, jenever en monniken

De muzikale safari voert dwars door alle genres en (ijs)tijden. Om de hypnotiserende werking van echo te bestuderen daalt de auteur af in eeuwenoude grotten, sacrale kelders en ondergrondse tempels. Op zijn jaarlijkse pelgrimstocht naar het Tilburgse festival Roadburn laat hij zich – op een dieet van wiet, jenever en kapsalon – moedwillig wegvagen door een verpulverend harde show van de lome stonergoden Bongripper. Maar net zo makkelijk ondergaat hij de „magie van catharsis” door thuis in zijn luie stoel weg te zwijmelen bij de boventoonzang van Tibetaanse monniken.

Moraal van het verhaal: de drone is altijd overal, je moet alleen even goed luisteren. „Het is het geluid dat je nog nooit hebt gehoord, maar altijd al kende”, zegt gitarist Lee Ranaldo van de New Yorkse noiserockers Sonic Youth. Steve Von Till, voorman van post-metalband Neurosis noemt het „een golf die dwars door mensenvlees gaat”. Allebei vermoeden ze dat de zoemende grondtoon heimwee opwekt naar de baarmoeder en doet terugverlangen naar de geborgenheid, ritme en toonaard van het kloppende moederhart.

Dat primaire instinct is alomtegenwoordig en verklaart het zogeheten „drone continuüm”: het eeuwige gegons dat al klinkt vanaf de oerknal, later werd versterkt door de eerste homo sapiens die op een hoorn toeterden of een snorrebot in het rond slingerden, en verder aanzwelde toen gelovigen samen gingen zingen.

Die oerklank is in talloze gedaantes oneindig blijven resoneren: als grenzeloze freejazz van John Coltrane, via The Beatles (toen ze baarden kregen, LSD namen en de Indiase sitar-influencer Ravi Shankar invlogen) en The Velvet Underground (waarin John Cale zo monotoon mogelijk op zijn viool kraste en aartsvijand Lou Reed zijn gitaar in zijn zelfbetitelde, letterlijk ééntonige ‘struisvogelstemming’ liet zeuren), tot aan de Britse dubstep-dj Pinch (die zijn kneiterharde beats en buitenaards lage bassen promootte met de geniale slogan: „If your chest ain’t rattling, it ain’t happening!”).

Wormgaten

Sword laat overtuigend zien hoe het gebrom zich in de popgeschiedenis nestelde en via welke wormgaten vaak schijnbaar onverenigbare drone-profeten elkaar toch wisten te vinden. Treffend voorbeeld: The Melvins. De sludge-pioniers uit Seattle stalen de drone van furieuze hardcorebands als Flipper en Black Flag (die als enige punkers halverwege de jaren tachtig laag en langzaam durfden te spelen) en oefenden met hun bulldozerriffs een onuitwisbare invloed uit op stadsgenoten als Nirvana en Soundgarden.

Maar behalve de mainstream zou ook de avant garde de kunst bij hen afkijken: het oorverdovende experimentele duo Sunn O))) – dat standaard een bataljon van tientallen versterkers 120 decibel laat blazen – geeft eerlijk toe hun bestaan te danken te hebben aan de Melvins-plaat Lysol (1992), en dan vooral de tien minuten durende openingstrack ‘Hung Bunny’.

En rara, wie waren volgens The Melvins uitgerekend de belangrijkste inspiratie voor dat nummer? Daar zijn ze weer: zichzelf in trance zingende Tibetaanse monniken.

De muziek mag dan nog zo verschillen, concludeert Sword, de intentie is telkens hetzelfde: ook dat is het drone continuüm.