Nestelen en huizenjacht

Vogels

Vogels bouwen fanatiek nesten voor hun nestvlieders. De jonkies van mensen kunnen niet uitvliegen, ziet , voor hen zijn er geen huizen.
Foto Getty Images

Vanuit mijn werkkamer kijk ik recht op een berk met in de kruin een knoert van een eksternest. Iedere ochtend volg ik met de verrekijker nauwgezet hoe de aspirant-ouders af en aan vliegen met takjes en stukjes kleiaarde. Het nest bestaat al vijf jaar en krijgt iedere lente een kleine opknapbeurt. Bij de oplevering stond het bouwwerk als een huis. Geen storm of hoosbui kon het ruïneren. Sta er één moment bij stil: waarom kukelen de eerste stokjes niet naar beneden? Hoe grijpen al die twijgjes zo naadloos in elkaar? Wie bedacht die verborgen ingang? Geen steiger of computer kwam eraan te pas. Hamer noch troffel. Slechts één verfijnd snaveltje, het vlocht een wieg in elkaar die ieder jaar vier of vijf jonkies draagt en veilig beschut.

De afgelopen weken keerden miljoenen trekvogels terug naar ons land. Strandplevieren, lepelaars, grutto’s, kluten. Pandemie of niet, met duizenden kilometers nog in de veren jagen ze alweer vlijtig op insecten en rupsen, en vooral: op huizen. Wie door bos en weideland sluipt, merkt een geweldig komen en gaan van takjes, grassprieten, bladeren. Oevers, struwelen, riethagen, vijvers, overal duiken de meest fraaie broedplaatsen op. Onder een kakofonie van vrolijke noten knutselen tjiftjafjes en fitissen hun kotten in boomtoppen, terwijl zwaluwen met modder en spuug hun bedsteden metselen in boerenschuren. Aan het eind van de dag vloeit hoog boven de bomen het gave gezang van de merel en vallen alle bouwvakkers en architecten in een diepe slaap – om weer vroeg te worden gewekt door diezelfde merel.

Onmogelijk om geen ontzag te koesteren voor deze uitbundige volkshuisvesting. Sommige vogels krijgen het in de schoot geworpen en vinden in tuinen een spreeuwenpot of kant-en-klare uilenkast. Ook de regering helpt een handje mee, sinds ze vorig jaar besloot dat er 37.000 hectare bos bij moet komen. Eén partij bepleitte zelfs het planten van zeventien miljoen bomen; voor elke Nederlander één. Zeker, vogels vinden hier aangename domicilie. De huisvesting gaat gesmeerd en er is plek voor iedereen.

Nee, dan wij mensenvolk. Sinds ik mij kan heugen, kampen we met abnormale woningnood en geen bewindsman die dit oploste. Artikel 22 van de Grondwet verplicht de overheid tot „bevordering van voldoende woongelegenheid”, maar dat blijkt een wassen neus: de huizenmarkt is ontaard in een nachtmerrie voor elk jong paartje met nestambities. Onze jonkies kunnen simpelweg niet uitvliegen. Wat rest zijn licht sneue noodconstructies als een tiny house, yurt of pipowagen, die roemloos stranden op bestemmingsplannen.

Waarom hebben wij het zo slecht en vogels zo goed – hebben wij misschien te veel noten op onze zang? Of snappen wij domweg niet meer dat een nest in oorsprong bedoeld was als een eenvoudig heiligdom voor broed en bewoning in plaats van beleggingsobject ter vergaring van fiscale rijkdom?

Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is en elk nestje heeft zijn typische geur. Toen ik onlangs in de Biesbosch de opgewekte baltskreten hoorde van een karekiet en even later het sprankelende gekwinkeleer van een zwartkopje, werd ik onbedoeld wat somber. Een man kan veel in huis hebben, maar als hij niet kan zingen…