Opinie

Derde leg

Ellen Deckwitz

Afgelopen week belde ik met mijn vriendin Doortje (97). Ik probeer haar al tijden aan mijn oudoom Karel (109) te koppelen, maar zij vindt hem te oud. „Hij is rijk hoor”, probeerde ik. „Nou en? Ik toch ook?”

„Als jij rijk was, woonde je niet in een bejaardenhuis maar had je een eigen villa met butler en verplegers.”

„Nee hoor”, grinnikte ze. „Met rijkdom bedoel ik dat ik een eigen kamer heb. Dat is me toch een luxe als je opgroeide in een gezin met vijftien kinderen. Pas toen ik het huis uit ging en een eigen ruimte had om me in terug te trekken, begon ik echt te leven. Opeens kon ik ongestoord lezen, denken en schrijven.”

Het resultaat was een wolk van een academische carrière. Ik moest denken aan A Room of One's Own, waarin Virginia Woolf stelt dat om je te ontwikkelen, je allereerst een eigen kamer nodig hebt.

Nadat we hadden opgehangen, stroopte ik mijn mouwen op. Ik had eigenlijk met mezelf afgesproken om verder te gaan met de Twentse familieroman waar ik al twintig jaar aan schrijf, maar in plaats daarvan ging ik gordijnen wassen, oud papier wegbrengen, kastjes ophangen en het kruidenrek alfabetiseren. Vijf uur later had ik nog geen letter op papier gezet. Net toen ik wilde beginnen met het ontkalken van de wc belde Doortje weer, om te vragen of ik nog poëzietips voor haar had, en hoe het schrijven vandaag was gegaan. Ik gaf schoorvoetend toe dat ik nog niet eens was begonnen.

„Het is ook gewoon uitstelgedrag”, zei ik somber. „En dat terwijl ik nota bene een schrijfkamer heb.”

‘Nou ja”, zei Doortje. „Voor schrijven zijn niet één, maar twee plekken essentieel.” „Hoe bedoel je?”

„Je hebt een kamer van muren nodig, en eentje van tijd. Het is niet alleen een kwestie van een eigen stoel en bureau hebben, maar ook van elke dag een moment voor wat je écht wil vrijmaken. Een holte uitbikken in die enorme stroom aan afleiding, waardoor je, als je niet uitkijkt, anders gewoon wordt meegesleurd.”

De klok sloeg acht.

„Ah”, zei Doortje. „Tijd om aan de slag te gaan. Dan kun jij nog net het staartje van de dag in een kamer veranderen.”

Ik gooide de bel eraf, deed de telefoon uit, klapte het schrijfblok open, pakte een pen en ging aan de slag. Woord na woord werd aan het papier toevertrouwd. Buiten werd het donker, binnen werd het wit opgeslokt door inkt. Tijd en ruimte verdwenen naar de achtergrond. Op het laatst hoorde je alleen nog het kraken van kamers die steeds verder in elkaar schoven, en ten slotte oplosten.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.