Schatkist vol partituren overleefde de hel van Warschau

Herdenkingsmuziek De oorlog betekende voor veel componisten een reis naar de vergetelheid. De nazi’s verketterden hen en daarna werden ze ouderwets gevonden. Maar tijden veranderen. Op drie nieuwe albums herrijzen deze muzikale verschoppelingen.

Duitse soldaten verschansen zich in het ’operagebouw van Warschau’, tijdens de opstand in 1944.
Duitse soldaten verschansen zich in het ’operagebouw van Warschau’, tijdens de opstand in 1944. Foto Getty Images

Aan het slot van de vorige eeuw waren de namen van de componisten Ludomir Rózycki, Mieczyslaw Weinberg en Eric Zeisl verworden tot onleesbare krassen op de grafstenen van de muziekgeschiedenis. De oorlog sloeg diepe wonden in hun leven en werk. Onlangs brachten drie violisten op nieuwe albums een eerbetoon aan deze ‘vergeten’ meesters.

Gidon Kremer deed dat voor de Poolse jood Weinberg (1919-1996) die op zijn negentiende oostwaarts vluchtte voor de binnenvallende nazi-legers. Als enige van zijn familie ontsnapte hij aan de Holocaust. In de Sovjet-Unie bouwde hij een aardige loopbaan op, hoewel hij ook daar regelmatig voor zijn leven moest vrezen vanwege antisemitische sentimenten binnen het regime. Angst zat elke dag aan tafel. De geheime dienst vermoordde zijn joodse schoonvader, en in huis stond altijd een ingepakte koffer voor het geval van de onvermijdelijke nachtelijke klop op de deur.

Mieczyslaw Weinberg: Vioolconcert, Sonate voor twee violen. Door Gidon Kremer, Madara Petersone en het Gewandhausorchester o.l.v. Daniele Gatti.

In het Westen kende niemand Weinberg. Eerst bleef hij verborgen achter het IJzeren Gordijn van de communistische dictatuur. Na het uiteenvallen van de ‘heilstaat’ bleef hij nog lang in de schaduw als de ‘Kleine Sjostakovitsj’, de navolger van de componist op wiens vriendschap, bewondering en hulp Weinberg altijd kon terugvallen.

Maar deze eeuw begon hij een gestage opmars, die een hoogtepunt beleefde in zijn honderdste geboortejaar, toen ook grote platenlabels het ene na het andere Weinberg-album uitbrachten. Onlangs verscheen onder meer zijn Vioolconcert met Gidon Kremer als solist. Hij ‘ontmoette’ Weinberg zelfs, eind jaren zestig, in zijn Moskouse studietijd, toen de componist opdook in de klas van Kremers leermeester David Oistrach, als pianist bij de voorpremière van de Vioolsonate van Sjostakovitsj. „Tot mijn spijt herkende ik dit genie niet”, zei Kremer twee jaar geleden in een interview.

Het zou nog zo’n veertig jaar duren voordat de violist zich op de muziek van Weinberg wierp. „En hoe meer ik van hem ontdekte, hoe groter mijn obsessie werd.” In diens stukken weerklonk het levensverhaal van Kremers vader, wiens familie ook werd uitgemoord door de nazi’s. „Die tragedies verklankt Weinberg. Het is belangrijk zijn werk te vertolken, en de menselijkheid die eruit opstijgt te omarmen. Daarom moeten we componisten zoals hij uit de vergetelheid bevrijden.”

Vastgeroeste tradities

Zo’n wedergeboorte bleef uit voor Weinbergs landgenoot Rózycki (1883-1953). Hij was niet joods maar nationalist, en een oprichter van de muzikale tak van de kunstenaarsbeweging Jong Polen, die een eigen Poolse identiteit zocht tussen de kieren van vastgeroeste tradities en opkomend modernisme. Zijn symfonische gedichten en opera’s spraken tot de verbeelding. En zijn ballet over de Poolse Faust Pan Twardowski telde meer dan duizend opvoeringen in Europa.

Na omzwervingen in Duitsland en de Oekraïne keerde hij in de jaren twintig terug naar Polen, waar hij zich richtte op lesgeven en de oprichting van een componistenbond. Zijn composities uit de oorlogsjaren gingen grotendeels in vlammen op, toen zijn huis afbrandde tijdens de Poolse Opstand tegen de Duitsers in de zomer van 1944. De strijd veranderde Warschau in een ruïnelandschap, bezaaid met zo’n 200.000 doden.

Rózycki ontvluchtte de hel. Een kist met zijn manuscripten en schetsen werd begraven in de achtertuin. Maar de componist keerde nooit meer terug naar de hoofdstad, hoewel hij in de zeven jaren die hem restten nog wel probeerde zijn verloren muziek te herscheppen.

Decennia later vonden bouwvakkers de partituren, die tenslotte in de Nationale Bibliotheek belandden. Daar ontdekte de Poolse violist Janusz Wawrowski een fragment uit Rózycki’s Vioolconcert. „De eerste 87 maten van de orkestversie”, vertelt hij. „Het materiaal intrigeerde me, maar ik kon er niets mee, dus vergat ik het weer. Totdat ik enkele jaren terug iemand ontmoette die op basis van een overgeleverd piano-uittreksel een reconstructie had vervaardigd.”

Ludomir Rózycki/ Tsjaikovski: Phoenix. Door Janusz Wawrowski, en het Royal Philharmonic Orchestra o.l.v. Grzegorz Nowak.

Met de Poolse componist Ryszard Bryla maakte Wawrowski een eigen versie, met het orkestrale fragment als uitgangspunt. En nu ligt er een opname van het Phoenix Concerto, een werk verrezen uit de as van de geschiedenis. Prachtige maar bevreemdende muziek, want in de hel van Warschau schreef Rózycki een filmisch en neoromantisch vioolconcert met een stralend en dansend slotdeel. „Niets van de angst en dood die in de straten hing, weerklinkt hier”, zegt Wawrowski. „Deze magische klankwereld lijkt op zichzelf te staan.”

Door zijn eclectische en laatromantische stijl verdween Rózycki na de oorlog uit beeld: voor de Sovjets leverden zijn stukken geen bijdrage aan het communisme, en modernisten in het Westen vonden ze ouderwets: met zulke mooie melodieën kon je na alle verschrikkingen niet meer aankomen. „Maar nu die standpunten zelf zijn uitgestorven, wordt zijn muziek de laatste tien jaar herontdekt.”

Hollywood-filmsound

Ook de Weense jood Eric Zeisl (1905-1959) behoorde tot de vele componisten die verdwenen in de breuklijnen van de gewelddadige botsing tussen de oude en de nieuwe tijd in de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij ontvluchtte zijn land na de Anschluss bij nazi-Duitsland in 1938. Via Parijs en New York belandde hij in Los Angeles. De Weense violist Johannes Fleischmann zette hem opnieuw op de kaart met zijn album Exodus, waarin hij Zeisl koppelt aan zijn vakgenoot en vriend Erich Wolfgang Korngold, muzikaal ook een kind van Wenen, die in de Verenigde Staten uitgroeide tot de vader van de Hollywood-filmsound.

Het talent Zeisl leek in Wenen een gouden loopbaan tegemoet te gaan met zijn liederen. Maar zijn vlucht voor de nazi’s maakte de verhouding met de Duitse taal zo problematisch dat die bron opdroogde. Zeisl verdiepte daarentegen zijn joodse identiteit, zoals op het album te horen is in de Vioolsonate Brandeis, genoemd naar een Amerikaans zomerkamp waar hij lesgaf en dit werk schreef. „Hierin herdenkt Zeisl zijn in Treblinka omgekomen vader, gaat hij in gesprek met God, en verbindt hij de joodse en Oostenrijkse muziektradities, die Hitler aan het hart van Wenen ontrukte. Hij vindt zichzelf opnieuw uit.”

Eric Zeisl/ Erich Wolfgang Korngold: Exodus - The men who shaped Hollywood. Door Johannes Fleischmann.

Dat gebeurde na een moeilijke tijd in Hollywood, waar het voor Zeisl als een ondersteunend filmcomponist artistiek en financieel schrapen was. En toen de componist in de tweede helft van de jaren vijftig eindelijk erkenning en roem begon te oogsten, stierf hij. „Het noodlot stond meestal om de hoek”, beaamt Fleischmann. „Altijd op het punt van een doorbraak wierp de geschiedenis een hindernis op. Het wordt tijd dat de geschiedenis Zeisl nu een mooie plek onder de zon geeft.”