Analyse

Kabinet onder leiding van Rutte weer reële optie

Eindrapport De formatie in rustiger vaarwater krijgen: even leek dat heel lastig te worden. Maar Tjeenk Willink ziet toch mogelijkheden.

Informateur Herman Tjeenk Willink overhandigt zijn eindverslag aan Kamervoorzitter Vera Bergkamp.
Informateur Herman Tjeenk Willink overhandigt zijn eindverslag aan Kamervoorzitter Vera Bergkamp. Foto REMKO DE WAAL/ANP

In de ruim drie weken waarin informateur Herman Tjeenk Willink rust moest brengen in het formatieproces en moest onderzoeken of het vertrouwen tussen partijleiders hersteld kon worden, gebeurde er veel waardoor dat al broze vertrouwen nog meer op de proef werd gesteld. Toch valt na lezing van zijn eindverslag op dat de meeste partijen eerder nader tot elkaar lijken te zijn gekomen dan verder van elkaar af zijn gedreven. „De inhoudelijke formatie kan beginnen”, zei Tjeenk Willink daar vrijdag zelf over, nadat hij zijn verslag had aangeboden aan Tweede Kamervoorzitter Vera Bergkamp.

Tjeenk Willink constateert op basis van de gesprekken die hij tweemaal met de zeventien partijleiders heeft gevoerd, dat drie daarvan „deelname of steun aan een nieuw kabinet onder leiding van de demissionair minister-president” uitsluiten: de PVV, SP en BIJ1. De PvdD, Denk en de BBB, achten „samenwerking met de VVD van Mark Rutte” niet geloofwaardig. De overige elf fracties in de Tweede Kamer sluiten Rutte dus niet bij voorbaat uit. Een nieuw kabinet onder zijn leiding lijkt weer een realistisch scenario.

Lees ook: Formatie mét Rutte kan door

Hoe anders was dat drie weken geleden. Herman Tjeenk Willink was ingevlogen als laatste hoop, nadat vier andere verkenners kortstondige pogingen hadden ondernomen om het versplinterde en verdeelde politieke landschap tot eenheid te bewegen. Tjeenk Willink bouwde een fase van rust in. Hij wilde het over de inhoud hebben en van politiek leiders weten wát ze bedoelden als ze zeiden dat ze een andere politieke bestuurscultuur wilden. Hij vroeg ze ook naar de inhoudelijke thema’s die de meeste prioriteit verdienen. En pas daarna vroeg hij hoe het vertrouwen in elkaar hersteld kon worden. Daarmee verschoof hij de focus: van de woede die er heerste over Mark Rutte naar een gezamenlijke opdracht die gaat over het vinden van oplossingen om Nederland uit de crises te leiden.

Tjeenk Willink begon aan zijn opdracht in de week waarin in één nacht bijna de hele Tweede Kamer een motie van afkeuring tegen VVD-leider Mark Rutte had gesteund – alleen de VVD niet. Dat was begin april, nadat bleek dat Rutte met verkenners had gesproken over Kamerlid Pieter Omtzigt, ondanks dat hij eerder zei dat niet te hebben gedaan. Een motie van wantrouwen kreeg die nacht de steun van de hele oppositie. Even leek het erop dat het tienjarige premierschap van Rutte ten einde zou komen.

Maar daarna gebeurde er niets. Gert-Jan Segers van de ChristenUnie haalde nog één keer uit door te zeggen dat hij zeker niet nog eens met Rutte in een kabinet zou gaan zitten, hij stelde hem verantwoordelijk voor de politieke cultuur waar iedereen op het Binnenhof zich tegen heeft gekeerd – maar kwam daar later op terug. Segers had alleen gestaan, zelfs GroenLinks en de PvdA, die eerder de motie van wantrouwen hadden gesteund, hadden zijn woorden niet overgenomen. En ook D66 en CDA, partijen die na de verkiezingsuitslag als logische deelnemers van een nieuw kabinet worden gezien, hielden zich stil.

De ChristenUnie boorde begin april de hoop bij de VVD op een meerderheidskabinet-Rutte IV de grond in. Het vertrouwen in Rutte was verdwenen.

Zelfreflectie

Wat is er in die drie weken gebeurd? Inhoudelijk niet veel. De zelfreflectie van VVD-leider Mark Rutte waar partijen om hadden gevraagd, heeft hij maar deels getoond. Rutte hield het bij de belofte dat hij „radicale ideeën” over een andere, nieuwe politieke bestuurscultuur zou delen. Hij had, zei hij steeds weer, „diep en lang nagedacht” over zijn eigen rol. Nog voordat zijn plannen duidelijk zijn, lijkt een deel van de fractievoorzitters overstag te zijn.

De harde woorden die in de hitte van de strijd, aan het begin van de formatie, waren gevallen, maken plaats voor een voorzichtige mildheid. Begin april had D66-leider Sigrid Kaag nog tegen Rutte gezegd: „Hier scheiden onze wegen.” Donderdag, in het debat over de notulen van de ministerraad, zei ze: „dat wil niet zeggen dat ik voor eeuwig afstand neem van alles en iedereen, maar ik sta op een ander punt van vertrek”. D66, wilde ze maar even herhalen, sluit samenwerking met Mark Rutte niet uit. Ook het CDA heeft dat steeds niet gedaan. In de gespreksverslagen met de informateur is te lezen dat partijleider Wopke Hoekstra begin april zegt dat er „tijd nodig” is. „Het is belangrijk dat eerst de situatie afkoelt.”

In het debat van donderdag was te merken dat ook GroenLinks en de PvdA voorsorteren op de volgende fase in de formatie. De hoop van Tjeenk Willink dat het vormen van een nieuwe regering inmiddels goede kans van slagen heeft, is mede gebaseerd op de motie die GroenLinks-leider Jesse Klaver met PvdA-leider Lilianne Ploumen indiende. Daarin worden acht harde eisen geformuleerd die de „cultuur van geïnstitutionaliseerd wantrouwen van de overheid tegenover burgers” moet helpen oplossen: van het investeren in de sociale advocatuur tot het stoppen van discriminerende algoritmes bij fraudebestrijding door de overheid. Tjeenk Willink noemde deze breed gesteunde motie (door 14 van de 17 fracties) een „uiting van de toegenomen bereidheid om met de bestaande bestuurscultuur te breken”. Hij zei ook: „Dat zou drie weken geleden toch anders gelegen hebben.”

Toch staat zijn opvolger geen gemakkelijke taak te wachten. Bij de nieuwe bestuurscultuur waar Den Haag naar snakt zou ook een niet dichtgetimmerd regeerakkoord horen. In de gespreksverslagen is terug te lezen dat niet iedereen zich daarin kan vinden. Onder meer GroenLinks en de PvdA stellen dat het om „kwaliteit” moet gaan, zij willen wél duidelijke afspraken over bijvoorbeeld het klimaat. En ook D66 wil een regeerakkoord op hoofdlijnen „afgezien van de onderwerpen waar gedetailleerde afspraken nodig zijn om de inzet van een partij zeker te stellen”. Voor D66 is dat migratie. Tjeenk Willink zag het wellicht al aankomen. Vrijdag schreef hij: „Wie een andere bestuursstijl predikt, moet daarvan uitgaan.”