Interview

Opeens voelde Sonja DuBois de ‘schuld’ van de overlevende

Sonja DuBois, Holocaust-overlevende Als tweejarig Joods meisje werd ze gered in de oorlog. Haar hele leven zocht Sonja DuBois – eigenlijk Clara van Thijn – naar haar identiteit.

De emoties overvallen haar, wanneer Sonja DuBois in 2015 het herdenkingsmonument bij Loods 24 bezoekt. In de oorlog was dit de plek waar Rotterdamse Joden zich in 1942 moesten melden, om op transport gezet te worden. Bij het monument voor de weggevoerde kinderen voelt ze voor het eerst survivor’s guilt, zegt ze: de schuld van de overlevende.

„Toen ik de namen van al die arme kinderen zag staan… Die van mij had er ook tussen moeten staan”, vertelt ze. „In plaats van gelukkig en opgelucht te zijn, moest ik huilen.”

Komende week zou Sonja DuBois weer in Rotterdam zijn, net als zes jaar geleden, toen ze hier de Dodenherdenking meemaakte. Voor de deur van Vierambachtsstraat 66a in Rotterdam-West, haar geboortehuis, zou ze Stolpersteine leggen. Dit zijn herinneringsplaatjes in het trottoir voor woningen waaruit Joden in de nazitijd zijn verdreven. Sonja vroeg ze aan voor haar ouders, Maurits en Sophie van Thijn. Door corona is de plaatsing uitgesteld, ze hoopt in het najaar.

Joodse naam

Ze mag dan een geboren Rotterdamse zijn, Sonja woont al sinds haar kindertijd in de Verenigde Staten, in Knoxville, Tennessee. Daar bracht zij in 2019 in eigen beheer haar boek uit: Finding Schifrah; the journey of a Dutch Holocaust child survivor. Schifrah verwijst naar de Joodse naam die haar ouders haar gaven.

Als we DuBois via Zoom spreken, verschijnt een 80-jarige vrouw op het scherm waarin het gezicht van het jonge meisje dat het omslag van haar boek siert nog is te herkennen. Ze praat met onvervalst Amerikaans accent, Nederlands is ze bijna vergeten.

In het boek beschrijft Sonja haar zoektocht naar haar persoonlijke en Joodse identiteit. Haar leven dat, zonder dat zij zich dat als peuter bewust is, op 26 juli 1942 een beslissende wending neemt. Op die dag schrijft haar vader Maurits van Thijn een briefje aan zijn goede vriend Dolf Henkes.

„Beste Dolf”, begint hij. „Je zult waarschijnlijk wel al hebben gehoord, dat de volgende week (dus morgen) een aanvang wordt gemaakt met het wegsturen van de Rotterdamsche Joden tusschen 15 en 50 jaar. Aangezien de oproeptermijn is ingekort van aanvankelijk een week tot thans 24 uur, is er dan geen gelegenheid meer om afscheid te nemen. Als je dus komende week eens een avondje langs wilt komen, zouden we dat wel prettig vinden.” Maurits sluit af: „Verder is hier geen nieuws, dus tot kijk en het beste.”

De brief van Maurits van Thijn aan zijn goede vriend Dolf Henkes, op 26 juli 1942. Beeld Belvédère

Het is het laatste teken van leven van Maurits en Sophie. Een paar dagen later melden zij zich bij Loods 24. Via Westerbork worden ze naar Auschwitz gedeporteerd, om daar te worden vermoord, waarschijnlijk onmiddellijk na aankomst op 3 augustus. Acht dagen na het schrijven van het briefje.

In het boek van Sonja speelt Dolf Henkes, de vriend aan wie haar vader het briefje schreef, een centrale rol. Het briefje komt in 2014 boven water als Verhalenhuis Belvédère een expositie van zijn schilderijen voorbereidt – Henkes was een bekende schilder. Tot vreugde van Sonja. „Voor het eerst zag ik zijn handschrift.”

Het vermoeden is dat Dolf inderdaad nog op bezoek is geweest bij haar ouders, en dat is besproken hun tweejarige dochtertje in veiligheid te brengen. Zeker is dat Henkes haar enige tijd onder zijn hoede heeft gehad op Katendrecht.

Aan die korte periode heeft Sonja geen herinneringen. Henkes brengt haar onder bij het kinderloze echtpaar Willem en Elisabeth van der Kaden, zodat de wens van Maurits en Sophie in vervulling gaat: dat hun dochtertje relatief veilig in een christelijk gezin kan opgroeien.

Lees ook dit artikel over het Erasmiaans Gymnasium waar leerlingen onderzoek deden naar oorlogsslachtoffers van de school

Haar pleegouders beschermen haar, maar schermen haar ook af van haar verleden. Lange tijd weet zij niet beter dan dat Willem en Elisabeth haar ouders zijn. Zo groeit zij als Sonja van der Kaden op in Schiedam.

Totdat het gezin begin jaren vijftig naar de VS emigreert – Sonja is dan twaalf. Het paspoort dat ze daarvoor aanvraagt moet ze ondertekenen. Dit is het moment dat Willem en Elisabeth haar de waarheid vertellen: zij zijn niet haar ware ouders, en Sonja van der Kaden is niet haar echte naam. Ze heet eigenlijk Clara van Thijn; ze moet maar goed oefenen om die naam te kunnen schrijven.

Voor Sonja valt dan veel op zijn plaats: gesprekken die zij niet mocht horen, toespelingen die ze niet begreep. Altijd al had zij ervaren wat ze nu de „stille samenzwering” van een verzwegen verleden noemt.

Er werd over haar gesproken, maar niet met haar. Al had ze altijd een vermoeden. „Ik voelde dat ik anders was. Er ontbrak iets.”

Taboe

Ook na de emigratie bleef haar afkomst taboe. Een vriendinnetje van vroeger besluit de stilte te doorbreken als Dolf Henkes in 1985 een oproep doet in Het Nieuwe Stadsblad, dat in Schiedam verschijnt: „Waar is Claartje toch gebleven?” De dan 82-jarige kunstschilder wil weten wat er van het meisje is geworden dat hij in 1942 heeft gered. Twee jaar later komt het tot een bezoek. „Dat was heel bijzonder, om voor het eerst in mijn leven iemand te ontmoeten die mijn vader persoonlijk goed gekend heeft.”

Maar Sonja is stug, ze heeft het gevoel met haar bezoek haar pleegouders te verraden, en daardoor stelt ze niet de vragen die in haar branden. Ook weigert ze een schilderij dat Henkes haar aanbiedt. Nu heeft ze daar nog spijt van. „Ik was zo stom het af te wijzen. Ik moet hem daar erg mee gekwetst hebben.” Henkes overlijdt in 1989.

Ook nu zij de tachtig is gepasseerd vindt Sonja DuBois – na het huwelijk met Ron DuBois neemt zij zijn naam aan – het belangrijk om op scholen haar verhaal te vertellen. Om te waarschuwen voor de gevaren van antisemitisme en andere vormen van racisme.

Het leggen van de Stolpersteine voor haar geboortehuis heeft speciale betekenis, zegt ze. „Mijn ouders hebben geen graf. Die steentjes zijn tastbare gedenktekens van hun leven. Niet dat ik het achter me laat, maar het is toch een soort afsluiting.”