Recensie

Recensie Boeken

Een stad vol begraven lijken

Vincent Merjenberg In zijn debuutroman schets hij een eigen universum, met fictieve steden en een niet bestaand volk, de Hooglanders.

Vincent Merjenberg (1983) geeft tegenwoordig ‘taalles aan nieuwkomers’, maar in een vorig leven was hij werkzaam (en best lang ook) bij de grote Nederlandse uitgeverij waar nu ook zijn eigen debuut is verschenen. Er zullen in die functie vele, vele manuscripten door zijn handen en hersencellen zijn gegaan. Het is merkbaar aan De grijzen, dat een echte lezersgeest verraadt en de invloed ademt van veel collega-schrijvers: een sinister grensgebied à la Cormac McCarthy, afdalingen naar de zelfkant à la J.M. Coetzee, de aanwezigheid van een raadselachtige, kafkaëske K, een gewaagde, tragische woestijnreis die Tommy Wieringa’s Dit zijn de namen in herinnering brengt en een grondige Hermansiaanse twijfel aan het bestaan van een waarheid.

Maar de schrijver aan wie je toch vooral moet denken is Roberto Bolaño. Dit omdat de voornaamste stuwende kracht in Merjenbergs roman die van een heuse zoektocht naar het Kwaad is – het Kwaad dat ook in het oeuvre van de Chileense schrijver zo’n prominente rol vervult.

Dat is dus nogal een ambitie voor een debutant. Merjenberg heeft zijn thema bovendien in een bewonderenswaardig verbeeldingsvol decor gegoten: geen taferelen in het horeca-leven van Amsterdam of iets anders herkenbaars, maar een echt eigen universum, met fictieve, naamloze steden en een niet bestaand volk, de Hooglanders genaamd.

De meeste aandacht is er voor taferelen in ‘de grensstad’, waar de jonge journaliste Lena vanuit ‘de hoofdstad’ naartoe wordt gestuurd om onderzoek te doen naar de herhaaldelijke vondst van vele, in de grond begraven lijken. Ze treedt hiermee in de voetsporen van ene Glas, een man die tot voor kort in dezelfde stad over hetzelfde onderwerp schreef maar die toen opeens van de radar verdween. Lena dompelt zich onder in de stad, praat met en observeert de haveloze bewoners en tijgert zich een weg richting de ontvouwing van het vraagstuk.

Chinese lijken

Merjenberg is goed in het in stand houden van de spanning. Hij voert uit zoveel hoeken en tijden informatie aan dat je aan het slot van de roman nog steeds geen enkel benul hebt van hoe het nou precies in elkaar steekt. Er zit dan ook een erg ongebruikelijk motief achter de dood van de begraven mensen: er zit geen drugsbaas of een malafide politiecommissaris achter die je al vanaf het begin van de roman in het snotje kúnt hebben. Het zou zonde zijn om er te veel over weg te geven, maar meer dan eens dwalen de gedachten af naar Bodies, de spraakmakende expositie die een jaar of vijftien geleden in de Beurs van Berlage te zien was en waar je je kon vergapen aan 21 geconserveerde Chinese lijken.

Een minder aan de plot verbonden compliment geldt de herhaaldelijke behandeling van anonimiteit, van verdwijnen, van niet meer gezien worden door anderen – hoe springlevend je ook wezen mag. Op een zuiver melodramatisch, intiem niveau is er bijvoorbeeld het mooie hoofdstuk over Jona, een jongetje uit een dorp dat zijn nieuwsgierigheid niet de baas is en voor even aan het wakende oog van zijn stam ontsnapt door niet tot, maar voorbij een waterval te lopen. Het hele dorp zal wel in rep en roer zijn, denkt hij na een nacht ronddwalen in een bos, en de ontzetting is dan ook groot als blijkt dat niemand hem gemist heeft.

Hermansiaanse twijfel

Mis gaat het, zo cru mag dat gerust gesteld worden, op het gebied van de taal. Die eerder genoemde Hermansiaans aandoende twijfel over het bestaan van waarheden mag dan een thema zijn, Merjenberg heeft dat ook doorgevoerd in de stijl. Bewust gedaan of niet: je ergert je al snel aan hoe er aan de lopende band eerdere mededelingen worden bijgesteld, verduidelijkt, gecorrigeerd, genuanceerd of – het ergste – herhaald worden. De oogst van een halve pagina: ‘Even was ze bang’; ‘maakte zijn verhaal niet af’; ‘maar in plaats daarvan’; ‘ook niet duidelijk’; ‘moest hebben ervaren’; ‘misschien’; ‘ook maar iets te weten te komen’; ‘begreep ze van’; ‘praatten trouwens nauwelijks’; ‘bijna als mensen die’.

Na tien pagina’s is al duidelijk dat je te maken hebt met een schrijver die weet dat wat we voor waar houden slechts verhaaltjes zijn, daarna mag je het nog dik driehonderd pagina’s in je oren knopen. In de mist van het schimmenrijk hadden we al, dit is In de mist van het van rook vergeven, amper verlichte, in spinrag en nevelslierten gehulde schimmenrijk.

De grijzen is dus zo’n debuut met twee gezichten: een indrukwekkend raamwerk waarin iemand een verre van zuiver lied zingt.