Recensie

Recensie Boeken

Wat is het nut van de man?

De man Op zoek naar de positieve kanten van mannelijkheid schreef journalist Maarten Huygen een boek over de nadelen daarvan. De vraag is of dat ergens toe leidt.
Illustratie Alma Haser/ Getty Images
Illustratie Alma Haser/ Getty Images

Het nut van de man, de goede kanten van mannelijkheid: ga er maar aan staan in dit tijdsgewricht. In de inleiding van zijn boek Het nut van de man memoreert voormalig NRC-redacteur Maarten Huygen een antwoord dat iemand gaf op zijn hoofdvraag: ‘Het nut van de man? Dat is er niet.’ Toch heeft Huygen een poging gewaagd om een antwoord te geven op die vraag. Hoe heeft hij het er vanaf gebracht?

Het nut van de man is een enigszins losse aaneenschakeling van hoofdstukken over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Commentaren op hedendaags feminisme en #MeToo passeren de revue, maar Huygen is ook op pad geweest. Zo put hij uit persoonlijke gesprekken met vuilnismannen en bouwvakkers, reportages bij de Friese amateurvoetbalclub VV Sleat en een cursus ‘mannelijke vaardigheden’ voor vrouwen. Ook zijn eigen tijd bij het Groningse studentencorps Vindicat komt aan bod.

Wat volgt, is niet zozeer een beschouwing over de positieve aspecten van hedendaagse mannelijkheid, maar vooral een weerlegging van de kritiek op de man. We zouden best wat meer nadruk op de positieve kanten van mannelijkheid mogen leggen, vindt Huygen.

Positieve kanten van mannelijkheid, hoe zit dat? Huygen schrijft in zijn inleiding dat hij zich niet bezig wil houden met ‘eeuwige essenties’, eigenschappen die inherent mannelijk zijn. Mannelijkheid en vrouwelijkheid vormen een spectrum waarvan het grootste deel overlapt. Huygen wil slechts kijken naar de extreme kanten van dat spectrum: wat zijn nu de positieve eigenschappen die mannen net iets meer hebben dan vrouwen?

Haantjesgedrag

Daar geeft Huygen een vrij beperkt antwoord op. Mannen zijn volgens hem de motoren van economische en wetenschappelijk vooruitgang. Zij nemen meer risico, zijn ondernemender en monomaner. Mannen zijn weliswaar vaker verkrachter of crimineel en hebben vaker een uitkering dan vrouwen, daar staat tegenover dat er meer mannelijke uitvinders, wereldleiders, ondernemers, ontdekkingsreizigers en ‘genieën’ zijn. ‘Zeker, Pol Pot en Hitler waren mannen, maar Nelson Mandela en Franklin Delano Roosevelt waren dat ook.’

Het haantjesgedrag van mannen, dat zij aanleren bij de voetbalclub of het studentencorps, leert mannen succesvol te worden en brengt de mensheid zo verder. Zonder de man zou de mensheid nog in een plaggenhut wonen, citeert hij de controversiële schrijver Camille Paglia die van anti-feminisme wordt beschuldigd.

Alle verschil tussen mannen en vrouwen ‘afschaffen’ en een 50/50-verdeling in alle geledingen van de maatschappij forceren, is volgens Huygen het kind met het badwater weggooien. Volgens hem hebben de pogingen daartoe van ‘genderideologen’ – die volgens hem ‘politiek vooringenomen’ en niet empirisch te werk gaan – sowieso geen zin: ‘De afschaffing van millennia oude genderrollen is van een heel andere orde dan het opheffen van de slechts 150 jaar oude traditie van Zwarte Piet’.

De successen van mannen als Mandela en Roosevelt zijn niet te ontkennen, maar de vraag is of dat komt door een inherente eigenschap van de man. Zoals een briefschrijver in deze krant al in een reactie op een voorpublicatie van Het nut van de man stelde: dat de meeste uitvindingen door mannen zijn gedaan, komt misschien ook doordat vrouwen lang niet werden toegelaten tot universiteiten. En dat de universiteit, het bedrijfsleven en de politiek tot op de dag van vandaag mannenbolwerken zijn waar vrouwen nog steeds lastig hun plek kunnen veroveren.

Toxische mannelijkheid

Veel verder komt Huygen niet in het beschrijven van de voordelen van mannelijkheid. Het boek leest eerder als een poging om de hedendaagse kritiek op mannelijkheid (‘manspreading’, ‘mansplaining’, ‘toxische mannelijkheid’) te weerleggen, zonder dat de auteur die kritiek echt goed begrepen lijkt te hebben. Zo besteedt hij vooral aandacht aan de nadelen van #MeToo, moeten vrouwenquota en genderneutrale toiletten het ontgelden en betwist hij dat mannen in Nederland geprivilegieerd zijn en onderdeel uitmaken van ‘het patriarchaat’.

Huygen zegt te neigen naar een liberale opvatting: mensen vrij laten om zelf uit te maken wat hen gelukkig maakt. Maar het is nog maar zeer de vraag of we in Nederland het patriarchaat al definitief naar de geschiedenisboeken hebben verwezen, zoals hij betoogt. Huygen heeft zijn conclusie al getrokken, veelal op basis van controversiële auteurs als Paglia en de Canadese hoogleraar Jordan Peterson.

Een grondige analyse van mannelijke voorkeuren en vooroordelen zou een nuttige toevoeging zijn geweest aan het maatschappelijk debat over (toxische) mannelijkheid. Helaas weet Huygen geen zinnig of verfrissend antwoord te geven op zijn zinnige, weliswaar niet heel verfrissende, vraag.