Opinie

Toenemend geweld tegen journalisten is serieus alarmsignaal

Persvrijheid

Commentaar

Journalisten en persfotografen zijn de laatste tijd aan heel wat gewend geraakt. Maar de aanval op een fotograaf in Lunteren afgelopen week is een nieuw en zorgwekkend dieptepunt. Toen de fotograaf zijn werk wilde uitoefenen werden hij en zijn vriendin eerst met stokken belaagd, daarna in hun auto opgeschept door een shovel en met auto en al in een sloot gekieperd. Het geweld tegen fotografen past in een bredere trend waarbij „journalisten niet als waarnemer maar als tegenstander, als doelwit” worden gezien, volgens Thomas Bruning van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten. Dat is een terechte constatering.

Bij coronademonstraties, verslaggeving in probleemwijken, rechtbankjournalistiek, het maken van reportages over kerkdiensten tijdens de pandemie: bedreiging van journalisten is op zich helaas niets nieuws, maar het fenomeen verbreedt zich. Dat is niet normaal. De pers als vijand van het volk: mede door de opkomst van politici die zich expliciet afzetten tegen de „fake news media” is dat een opvatting die leeft in uiteenlopende groepen in de samenleving. De NOS haalde afgelopen jaar logo’s van zijn zendwagens om vernielingen te voorkomen.

Dat is reden tot zorg omdat vrije media een essentieel onderdeel zijn van een functionerende democratie. Journalisten moeten hun controlerende en verslaggevende taak zonder bedreigingen kunnen uitvoeren. Nederland daalde door de toenemende bedreigingen vorige week in de jaarlijkse World Press Freedom Index van beroepsclub Reporters sans Frontières.

Dat is een serieus alarmsignaal. Geweld en bedreiging zijn illegaal en verdienen in alle gevallen scherpe en ondubbelzinnige veroordeling.

De toegenomen boosheid tegen journalisten onder sommige bevolkingsgroepen, is symptomatisch voor grotere veranderingen in de maatschappij.

Mede door sociale media ontstaan hermetische sociale bubbels waarin mensen zich in echokamers van het eigen gelijk kunnen opsluiten, en zo steeds verder radicaliseren. Als buitenstaanders zoals journalisten die echo doorbreken met kritische vragen of andere standpunten, leidt dat meer dan vroeger tot verontwaardiging en een gevoel van aantasting van de groepsidentiteit.

Het publiek raakt er door digitale media aan gewend helemaal zelf de regie over hun eigen beeldvorming te voeren. Dat is op zich een goede ontwikkeling. Maar als een journalist dat beeld bevraagt of bekritiseert, geldt dat tegenwoordig al snel als belediging of aantasting – te snel.

Deze identitaire ontvlambaarheid is gevaarlijk: bevolkingsgroepen horen in een vrije samenleving met hun critici in gesprek te blijven. Botsende standpunten, kritische vragen, felle discussies: ze horen allemaal thuis in het collectieve gesprek van een democratie. Professionele media zijn allang niet meer de enige, maar nog wel altijd cruciale middelen voor dat gezamenlijke gesprek. Discussie over eventuele blinde vlekken van journalisten is daarom belangrijk.

Blijkbaar voelen sommige groepen in de samenleving zich structureel niet vertegenwoordigd door de manier waarop journalisten te werk gaan. Dat kan een reële grief zijn. Persvrijheid houdt ook in dat media stevig bevraagd en bekritiseerd mogen worden over hoe ze hun taak uitvoeren. Ook de mate waarin bevolkingsgroepen zich in de dominante media herkennen is in een vrije samenleving onderwerp van het gezamenlijke gesprek. Dat debat hoort gevoerd te worden – maar altijd met woorden en nooit met stokken, shovels en bedreigingen.