Laat de winkels leeg blijven, ook na woensdag

Essay Winkelen op afspraak haalde de sjeu van het shoppen af. Houd dat zo, schrijft , ook na woensdag, als we weer vrij mogen kopen. Achter funshoppen schuilt een systeem van treurnis.

Illustratie
Illustratie Jasmijn van der Weide

Afgelopen woensdag was ik getuige van massale plunderingen in een Rotterdamse winkelstraat. Het gebeurde om tien uur ’s ochtends, bij stralend weer. Ik wandelde over de Coolsingel. Die straat is onlangs op de schop gegaan, de fietspaden zijn nu breder, maar in wezen is er niets veranderd: je komt hier om te funshoppen. Er is zelfs een tandje bijgezet: naast de Bijenkorf zit nu een nieuwe flagshipstore van Primark.

Daar stonden die ochtend precies vijftig vrouwen in de rij, wachtend achter afzetlint, gadegeslagen door beveiligers en handhaving. Sommigen vrouwen hadden een baby op de arm. Iedereen had dezelfde shopper van Primark. Klokslag tien uur kwam het hele tijdslot in beweging. Lachend gingen de klanten door een erehaag van applaudisserend, zelfs joelend winkelpersoneel. Ik dacht aan hoe casino’s gokverslaafden fêteren.

Primark is zoals bekend een genadeloze winkel. De kleren zijn er te goedkoop omdat ze genaaid worden door moderne horigen en omdat zwaar vervuilende schepen bemand door een soort moderne slaven ze naar ons toe brengen. Het personeel krijgt er weinig betaald en daar krijgt de multinational nog subsidie voor ook (de zogeheten Primark-premie). Is er moreel verschil tussen het kopen van een T-shirt van drie euro bij de Primark en het plunderen van winkels, waar zoveel ophef over was?

Maar alleen als je goed luisterde kon je boven de vreugdekreten uit het zachte snikken horen van fabriekskinderen en ook het schokkende wenen van Gaia. Verder was het een heel ordentelijke, geplande stormloop: plunderen op afspraak.

Het tafereel maakte me verdrietig. Want er leek niets veranderd, niet op de nieuwe Coolsingel, niet in de nieuwe wereld, ook niet in mijn eigen hoofd. Daar had ik nog zo op gehoopt. Ik had gehoopt dat de pandemie een spaak in het wiel was van het ongebreideld consumeren. Gehoopt dat de vastgelopen pakjesboot in het Suezkanaal een wekker was. Dat we wakker schrokken uit onze koophypnose. Maar we gaan door, driftiger dan ooit. En vanaf komende woensdag mogen we weer voluit spontaan shoppen.

Het zou te makkelijk zijn om de Primark-fans vol walging te verguizen. Het zijn fashion victims in de ware zin des woords: slachtoffers van een systeem. Je kunt het ze niet kwalijk nemen, zoals je arme dikke mensen ook niet kwalijk kunt nemen dat ze dik zijn, als in hun omgeving alleen spotgoedkoop fastfood te koop is. En de Primark-fans verschillen niet wezenlijk van Bijenkorf-klanten, hooguit hebben ze minder geld. Ook mensen met minder geld willen weleens de geur van nieuwe schoenen, de extase van een jurk die past. We zijn allen graaiers en plunderaars.

We kunnen niet anders, misschien: shoppen is onze voornaamste toegang tot troost en zingeving, zo hebben we onze binnensteden en onze innerlijke levens ingericht. Geen kerkpleinen, maar koopstraten. Voel je je kut, koop iets moois en ga door. Daarom hebben we tijdens de pandemie zoveel gekocht, daarom staan de aandelen zo hoog: meer stress, meer zooi kopen.

Dus als ik walg van de Primark-fans is het omdat ik daar zelf in de rij had kunnen staan. Troostkopen deed ik tot voor kort evengoed, bij andere winkels weliswaar. Een briesje stress over een deadline of een zuchtje chaos door een pandemie was genoeg. Mijn werkplek in het centrum is omsingeld door louter winkels. Hoe vaak ben ik niet naar buiten gesneakt, steeds met een goede smoes aan mezelf. Dat ik acuut extra T-shirts moest kopen bij de H&M, dat ik per nu een led-zaklantaarn of een reserveset karabijnhaken nodig had van de Decathlon, dat ik stante pede extra notitieboekjes of fietslampjes moest hamsteren bij de HEMA.

Was het gewoon de extase van het directe hebben? Ja, nee, ook, maar het was meer dan materialisme, dat is het venijnige van de zaak. Je moet dat hele kapitalisme niet onderschatten, het lijkt te gaan om spullen, maar gaat om geestelijke zaken. Voorbeeld: als ik na twee dagen online research precies de juiste twee Le Creuset-mokken koop, dan koop ik niet die mokken zelf, maar vooral het gevoel dat ik te midden van de chaos in de wereld precies doe wat ik moet doen, precies krijg wat ik wil. Controle.

Shoppen is geestelijke wonderzalf. Als je het niet uit je eigen leven herkent, is er ook wetenschappelijk bewijs. Er bestaat absoluut iets als retail therapy. Mensen voelen zich daadwerkelijk beter na het kopen. Winkelcentra moet je daarom ook zien als instellingen van geestelijke gezondheidszorg. Aan de Coolsingel zat ooit een groot ziekenhuis, nu zit er een grote Primark, in wezen is het hetzelfde (zoals ziekenhuizen trouwens ook winkels zijn geworden met zorgconsumenten, maar dat is voor een ander verhaal).

We zijn een beetje doorgeslagen. Ieder jaar kopen Nederlanders gemiddeld twintig tot veertig nieuwe kledingstukken – en gooien er ongeveer evenveel weer weg (lees ook het stuk van Emy Demkes voor De Correspondent: ‘Hoe kleding een wegwerpproduct werd’). Er zou een verbod moeten komen op goedkope kleren, zoals er ook een suikertaks moet zijn.

De hele logistiek van het kapitalisme lijkt gericht op hersenloos kopen, koopjes waar je je geen buil aan kunt vallen, slechts picoseconden tussen begeerte en bezit. De vraag die we van opruimgoeroe Marie Kondo aan onze spullen moeten stellen – ‘does it spark joy?’ – is natuurlijk een uitstekende vraag, alleen stellen we die vraag als het te laat is: pas als we de spullen al in huis hebben gesleept.

Oh, alle dozen die ik afgelopen jaar begerig heb opengescheurd. Troostkopen werkt – dat is het listige – maar slechts even. Het heet instant satisfaction omdat het geluksgevoel ogenblikkelijk verdwijnt. Je scheurt pakjes open, cadeautjes aan jezelf, die algauw even grauw zijn als de dozen waarin ze komen. Het meeste spijt heb ik van de op afstand bestuurbare helikopter. Die vangt nu met verlepte wieken stof op een kast.

We spreken trots over ‘Nederland, logistiekland’. Maar met onze slimme toeleveringsketens produceren we straten met uitpuilende afvalbakken en buitengebieden vol blokkendozen van distributiecentra.

We hebben een overvloed aan troep en tekort aan levensreddende spullen. Daarom, als je het woord logistiek tegenkomt, op een vrachtwagen, op een bedrijfspand, in de krant, zet er dan voortaan de letters ON voor. Want het is onlogisch, het is onzinnig, het is allemaal onlogistiek. Het is onlogistiek om in tijden van extreme woningnood en parkengebrek de mooiste delen van onze steden weg te geven aan winkelketens die ons geld - en onze dure levenstijd! - uit de zak kloppen voor troep.

En soms schittert daar opeens het inzicht: er is een verband tussen het schip in het Suezkanaal en al de lege dozen die je gang blokkeren.

Uiteraard moeten we het kapitalisme de schuld van dit alles geven. Maar niet zonder bewondering. Niet zonder bewondering voor het ingenieuze systeem dat dit alles in stand houdt. De sporen van vernieling genaamd supply chains. Die ketenen van de wereld brachten me dit jaar ook veel troostboeken, vaak boeken over logistiek, wereldhandel en supply chains. Besteld voor 23:59, de volgende dag bezorgd. Maar voor je ze gelezen hebt…

Toch ben ik nu begonnen in een hoopgevend boek van Willem Schinkel, een socioloog die ik ooit verfoeide omdat hij te veel moeilijke woorden gebruikt. Maar misschien is lezen als pistachenootjes eten: je moet wat meer moeite dan voor pinda’s, maar ze smaken beter. Enfin. Het boek heet De Hamsteraar. Kritiek van het logistiek kapitalisme. Het gaat over die bespotte hamsteraar, die voorraden wc-rollen aanlegde. De hamsteraar koopt massaal in, schrijft Schinkel, omdat hij bang is dat het systeem zal falen, dat de voorraden op zullen raken. En gelijk had-ie. Het systeem faalt. Omdat we de wereld hebben ingericht volgens het inmiddels beruchte net-op-tijd-principe, met zo min mogelijk voorraden (want voorraden zijn ‘inefficiënt’). Toen het onvoorziene gebeurde, ontstond meteen tekort aan levensreddende middelen als mondkapjes, IC-bedden, blikvoer, enzovoorts. En ja, ook aan wc-papier. Het wantrouwen van de hamsteraar was dus volkomen terecht. Die logistieke ketens zijn kwetsbaar, zie ook Suez.

„In plaats van de morele veroordeling van het hamsteren, is het zaak ons in de hamsteraar te herkennen”, las ik ook. De schrijver ziet in de hamsteraar een gids. Iemand die ons kan leiden naar de ontsnapping uit de kooi (en uit het hamsterrad van keihard werken tot de burn-out erop volgt, de staking van het individu). De hamsteraar is in feite per ongeluk een saboteur. Hij doet zijn goede burgerplicht: shoppen, shoppen, shoppen. En daarmee zorgt hij voor lege schappen. En daardoor gooit hij de hele logistiek in de war.

Precies wat nodig is: zand in de raderen strooien van die mooie, goed geoliede machine die de planeet en onszelf opbrandt. Het kapitalisme uit zijn flow halen.

Ik heb het boek nog niet uit, moet nog wat pistachenootjes kraken, maar al lezend begon ik te denken. En ik voelde een grote, onverwachte weemoedige liefde in me opkomen. Namelijk voor die periode van winkelen-op-afspraak, die aanstaande woensdag ten einde loopt.

Aanvankelijk vond ik dat winkelen-op-afspraak vreselijk irritant en vernederend. Een rolletje plakband kopen (of Le Creuset-mokken) werd zo ingewikkeld als de grens naar China oversteken. Uren wachten, formulieren ondertekenen. Het winkelbezoek zelf voelde alsof je naar een gokhal of hoerentent ging. Onrein, verboden, fout. Portiers die je verhaal checkten als grenswachten. Waarschuwingsmails met regels en geboden als: ‘Je hebt je eigen bezoek aan de winkel online voorbereid en komt gericht je aankopen doen’ en ‘Je bezoekt de winkel ALLEEN’. Ik zwijg over de passief-agressieve borden, de pijlen met looprichtingen, het afzetlint.

De binnenstad leek communistisch. In de Koopgoot speelde de muzak nog door als het orkest op de Titanic. Maar veel rolluiken waren dicht. En op straat lege reclameborden. En de matrixborden drongen aan om weg te gaan. Keer om! Blijf thuis! Bekeert u! U heeft al een speelgoedhelikopter en Le Creuset-mok! En u weet het!

De sjeu was van het shoppen af, het was als seks met toestemmingsformulieren. Ik moest er eerst aan wennen, was verscheurd, na tientallen jaren training als klant en shopper. Ik ben eens boos weggelopen bij de HEMA omdat een arme jongeman, een kind nog, bedremmeld zei dat ik een mandje moest pakken. Ik voelde me in de ziel gekrenkt als consument. Eén keer werd ik geweigerd bij een schoenenwinkel, omdat ik vijf minuten na het tijdslot aankwam. Weer boos. Maar achteraf – die jongen en die verkoopster waren engelen op mijn pad.

De Griekse held Odysseus wist dat hij niet genoeg zelfdiscipline had om de lokroep van de dodelijke sirenen te weerstaan. Daarom bond hij zichzelf vast aan de scheepsmast en voer er voorbij. Voor mij was shoppen op afspraak de manier om verleidingen te negeren: ik kon weer over straat lopen zonder iets te kopen, weer op het station zijn zonder te consumeren. Zijn. Wandelen. Niets begeren. Mijn hartslag vertraagde, er daalde rust neer over de wereldzeeën.

Pas nu het afspraakwinkelen weer verdwijnt, besef ik juist hoe mooi die tijd was. Het maakte van kopen precies wat het moet zijn: noodzakelijk kwaad. Winkelen voelde fout – en terecht! Je moest nadenken, gericht kopen - en terecht! En al je nadenkt over shoppen, echt nadenkt over het hele systeem van treurnis, dan stop je ermee, vol walging. En niet zelden dacht ik: lamaar. Ik haal mijn troost wel uit moeilijkere, duurzamere dingen. Pistachenootjes. Lamaar, ik pak wel een boek van de ongelezen stapel.

In dat woordje lamaar schuilt de revolutie.