Margalith Kleijwegt: „Mijn broer noemt ons amateur-Joden: we zijn het niet én ook weer wel.”

Foto Frank Ruiter

Interview

‘Mijn broer voelde weerstand tegen Joods-zijn, ik vooral een groot gevoel van ongemak’

Margalith Kleijwegt (70), journalist en schrijver, groeide op met een moeder die Joods was, maar het niet wilde zijn. In haar boek zoekt ze naar brokstukjes oorlog bij haar familieleden. „Joods-zijn betekende gevaar.”

‘Zullen we wat eten?”, zegt Margalith Kleijwegt (70) na bijna een uur praten over haar familie en het boek dat ze daarover schreef, Verdriet en boterkoek. Ze schept zelfgemaakte salade op mijn bordje, breekt een stuk versgebakken brood af, schaaft plakjes kaas. Met haar mes tikt ze even tegen het zilveren broodmandje op tafel en zegt: „Kijk, dit is van mijn moeders servies.” Het énige wat er na de oorlog nog over was van de familiebezittingen. Ze neemt een hap, en zegt dat haar moeder vroeger „tot vervelens toe brokjes en stukjes” over haar oorlogsverleden meldde. Nooit werd het een afgerond, „soepel verteld” verhaal.

Netty Rosenfeld heette haar moeder, ze was een bekende, naoorlogse radio-omroepster en later programmamaakster voor de televisie. Margalith Kleijwegt werkte 25 jaar voor weekblad Vrij Nederland en schreef daarna, als zelfstandig journalist en onderzoeker, verhalen over uitsluiting, achterstand en ongelijkheid (van meisjes, migranten, kinderen op het vmbo). In Verdriet en boterkoek richt ze haar onderzoekersblik op haar eigen familie. De Jodenvervolging vaagde een complete generatie uit, zij probeert te achterhalen wat die schok teweeg heeft gebracht bij de paar familieleden die toen nog over waren, en wat daarvan weer is doorgesijpeld naar de volgende generaties. Het zijn kleine brokstukjes oorlog die ze verzamelt, verspreid over tijd, personen en gebeurtenissen, en die lijmt ze tot een verhaal van haar misjpooche, Jiddisch voor familie.

De zusjes Rosenfeld (Margaliths moeder Netty en Esther) hadden ondergedoken gezeten, ieder bij een ander gezin in Eindhoven. Hun vader, die het „verdomde” zich te verstoppen, werd vermoord in Sobibor. Hun moeder was al overleden, bij de geboorte van Netty. Esthers man overleed in Auschwitz. Esthers zoontje Jaap – 1 jaar toen de oorlog begon – was ondergebracht bij een gezin in Blaricum. „Hij had het daar heerlijk. Moest hij na de bevrijding ineens terug naar een vreemde vrouw, zijn moeder, die hem in de deuropening met een slap handje begroette.”

Hoe verschillend mensen na de oorlog omgingen met die oorlog, hoe „geschift” soms ook, laat Margalith Kleijwegt zien bij deze drie familieleden. Er wordt verdrongen en verdoofd, vergeten en gevochten. Zus Esther wil niet oprakelen, niet psychologiseren, geen problemen zien. Haar zoon Jaap stort zich op het leven, maakt carrière, pakt uit met feesten en zorgt met zijn kinderen en kleinkinderen voor springlevende takken aan de familiestamboom. En Netty Rosenfeld, Margaliths moeder? Zij bond direct na de onderduik blokjes hout met leren lappen onder haar voeten, bij wijze van schoeisel, sloeg een paardendeken om als jas, en ging omroepen bij Radio Herrijzend Nederland. „Ze veegde de scherven bij elkaar en ging door.”

„Wil je nog een broodje?”, vraagt Margalith Kleijwegt, net als het over haar moeders berooide toestand gaat. „Of liever een koffiebroodje?” Ze vertelt dat het voor haar niet per se hoefde, maar dat ze voor haar boek toch eens op het onderduikadres in Eindhoven is wezen kijken. En? „Mijn moeder heeft het heel goed gehad bij dat gezin. Fantastische mensen. Ze hebben altijd contact gehouden.” Maar vóélde ze zelf nog iets toen ze in dat kamertje stond? „Oh, nee. Ik heb allang besloten niet overal wat bij te gaan voelen.” Haar moeder was destijds begin 20, had ze een schooldiploma? „Ja, dat wel.” Waar ging ze wonen? „Ik denk bij Esther, die had haar huis teruggekregen.”

Vreemdelingenpaspoort

Margalith Kleijwegt was in 1951 de eerste naoorlogse boreling in de familie. Voor haar moeder betekende haar komst „troost, hoop”. Haar vader – een in Canada wonende Amerikaan – was geen voorstander van haar komst. Er moest een psychiater aan te pas komen die verklaarde dat het „onverstandig” was om een vrouw met een „geschiedenis van vernietiging en verlies” ook nog op te zadelen met een abortus. Met een Amerikaanse vader en een Nederlandse moeder ontstond er een probleem met haar nationaliteit. „Ik was stateloos.” Zelf was ze nogal ingenomen met haar roze vreemdelingenpaspoort. „Maar mijn moeder vond het verschrikkelijk. Háár kind een vreemdeling, ongewenst.” Haar moeder hertrouwde met journalist en later VPRO-directeur televisie Arie Kleijwegt, uit dat huwelijk werd Margaliths broer Martijn geboren.

Joods-zijn was voor Margaliths moeder een last. In haar eerste jaar bij de radio, in 1945, ontving ze briefjes. „Of die Jodin niet ontslagen kon worden.” Later kwamen er ook telefoontjes. „Antisemitisme, en haar diepe, diepe angst daarvoor zou haar levenslang achtervolgen.” Joods-zijn betekende gevaar en ellende en leverde onnodige, onplezierige risico’s op. Thuis vierden ze geen Pesach, maar Pasen. „En mijn moeder vertelde ons met nadruk dat zij nooit een Joodse partner had willen hebben, en dat het raadzaam was, ook voor Martijn en mij, het bloed zoveel mogelijk te verdunnen.” Maar ondertussen gaf ze haar dochter wel een Hebreeuwse versie van de naam Margaretha, ze vierde geen Pesach, maar zag wel overal risjes (antisemitisme) en een slechte grap noemde ze ‘gojse ongein’. „Ze was onmiskenbaar Joods, maar ze wist niet hoe ze zich ertoe moest verhouden. Het was een voortdurende tweestrijd, ze vervloekte het en hield ervan. Hoe kun je met iets breken als het je familie de kop heeft gekost? Dat is verraad. Daar was ze woedend om. Ze zei: ik ben Joods geworden door die oorlog.”

Afweer en aantrekkingskracht

Margalith en haar broer Martijn moesten als kind „via sluiproutes” zien te ontrafelen hoe het zat met hun moeders achtergrond, en vervolgens hoe zij zich daar zelf toe moesten verhouden. „Joods-zijn was zwáár, negatief. Mijn broer voelde er weerstand tegen, ik vooral een groot gevoel van ongemak.” Die ambivalentie blijft, zegt ze. „Afweer en aantrekkingskracht, het is allebei. Dat verandert niet, ook niet door dit boek.” Al pratende met haar naoorlogse familieleden merkte ze dat iedereen, zelfs de jongste, derde generatie, zich op een of andere manier verbonden voelt met hun gedeelde verleden. De zoon van Jaap (inmiddels 80) probeert te achterhalen wie destijds zijn vaders vader heeft verraden. Een kleindochter is afgestudeerd op online rechtsextremisme. Een kleinzoon maakte een Birthright-reis naar Israël, een door Israël betaalde excursie voor jongeren met Joodse wortels. Tot haar verrassing ziet de nieuwe generatie hun Joodse afkomst en familiegeschiedenis niet als een probleem. „Ze zijn emotioneel betrokken, maar niet beschadigd.”

Ze schept onze schaaltjes vol met fruit en denkt hardop. „Waarom ik zelf nou vind dat die oorlog mij zo indirect heeft bepaald, dat is een vraag waarop ik eigenlijk nog geen antwoord heb.” Ze wijst naar het raam, met uitzicht op de Reguliersgracht. „Toen ik volwassen was en in dit huis kwam wonen, stond mijn tante Esther dáár, en zij zei: ‘Eindelijk is er weer iemand van ons terug op deze plek.’” Het is, zegt ze, allemaal hier gebeurd. Ze wijst links en rechts door het raam aan de achterkant van het huis: „Daar woonde mijn grootvader, en daar zat mijn moeder op de lagere school.”

Wist ze dat niet? „Jawel, jawel. Als kind hoor je er wel over, maar het dringt niet tot je door.” Ze lacht. „Mijn broer noemt ons amateur-Joden: we zijn het niet én ook weer wel.” Zoals zij zullen er meer zijn, zegt ze. „Mensen die de oorlog niet meemaakten, maar wel een tik van de molen mee hebben gekregen en zich daartoe moeten verhouden.” Zij heeft de gespletenheid van haar moeder overgenomen, zegt ze. Haar angst ook? „Er is een gevoeligheid gebleven, een voelspriet, je weet wat er kan gebeuren met mensen met een andere achtergrond, de underdog.”

Doseren

Hoe de oorlog verdween is de ondertitel van haar boek en dat lijkt vooral iets te zeggen over hoe zij het graag wil zien. Ze benadrukt de „veerkracht” van neef Jaap, ze vertelt over haar moeder die op haar sterfbed zei dat ze een fantastisch leven had, en als ze het over haar bezoek aan Sobibor heeft, gaat het over hoe „sereen” het daar was en hoe blij ze is dat ze de reis ernaartoe heeft ondernomen. Vraag haar naar details over het verdriet van vroeger, of begin over het opflakkerende antisemitisme van nu, en ze glipt weg. Alsof ze het niet écht wil weten. „Ik steek mijn kop niet in het zand, maar ik zoek de ellende ook niet op. Ik wil het wel weten, maar heel gedoseerd. Als het te erg wordt, gaat het scherm dicht.” Ze wilde haar boek aanvankelijk ook een beetje luchtig houden. „Niet te zware, larmoyante verhalen, maar ook de leuke anekdotes.” Maar? „Toen stokte het schrijven. Pas toen de uitgever zei: ‘Maar die oorlog wás ook een catastrofe, daar kun je niet licht over schrijven’, kon ik weer vooruit.”

Halverwege haar boek schrijft Margalith Kleijwegt over de laatste televisiefilm die haar moeder maakte voordat ze in 2001 overleed, Zonder rabbinaal toezicht. Het is een film over het jodendom en haar ambivalentie daarover. „Ze probeerde de vraag te beantwoorden waarom ze zich, ondanks haar verzet ertegen, nog steeds Joods voelde.” Margalith Kleijwegt vond dat nogal wat, schrijft ze: „Zo’n document, over zo’n gevoelig onderwerp, dat heel Nederland kon zien.” Doet zij, met haar boek, niet precies hetzelfde? Ze lijkt oprecht verrast door die overeenkomst en prompt staat ze op om koffie te gaan zetten. Ze is de drempel al over naar de gang, als ik informeer of dit boek soms haar coming-out betekent. „Als Joods iemand?”, vraagt ze. Ja. „Dat weet ik niet”, roept ze vanuit de keuken. „Zeg jij het maar.” Ik denk van wel. „Dán is het zo.” Haar stem schalt door de gang. „Laat mij maar eens uitkomen, lekker als Jodin.”