Dick Advocaat

Foto David van Dam

Interview

Dick Advocaat: ‘Dat imago van brutaal ventje klopt niet’

Scheidend Feyenoord-coach Zijn voetbalarchief gaat straks door de versnipperaar. Dick Advocaat (73) staat voor zijn afscheid, maar bang om vergeten te worden is hij niet. „Zonder twijfel hoor ik in het rijtje Van Gaal, Hiddink, Beenhakker.”

Hij is milder en emotioneler. Sneller moe ook. Bang voor het idee dat hij opeens weg kan vallen. „Vanavond ga je fris je bed in, maar op onze leeftijd weet je niet of je er morgenochtend weer uitkomt”, zegt Feyenoord-coach Dick Advocaat (73). We zitten in een businessunit in de Kuip, met zicht op het veld. Hij is goedgehumeurd, draagt een colbert met spijkerbroek. Vijf dagen eerder heeft hij zijn eerste vaccinatieprik gehad.

Bent u opgelucht?

„Eigenlijk wel. Probleem met deze pandemie is dat je het niet ziet. Je moet echt opletten, al vergeet ik soms dat ik arm in arm met een speler loop.”

Is uw omgeving bezorgd?

„Nee. Ik houd het zoveel mogelijk op afstand, ga niet zo vaak uit.”

Denk u wel eens aan uw hart als u vol geestdrift aan het coachen bent?

„Ik realiseer mij niet hoe oud ik ben. Als er een bal langs mij heen schiet, wil ik er nog achteraan. Ik voel mij ook niet kwetsbaar.”

Hij wijst naar zijn neus. „Hier zaten van die bruine plekjes, die moesten wel weggehaald worden.”

Beangstigt de dood u?

„Soms. Beangstigend in de zin: goh, hoe lang heb ik nog? Krijg ik geen pijn? Word ik niet ziek? Dat soort gekke dingen. Het onbekende. Omdat ik die leeftijd niet voel.”

Uw trouwe assistent Cor Pot zegt dat u zachter bent geworden.

„Ja. Dit jaar bij Feyenoord zijn dingen gebeurd die ik normaal, als ik jonger was geweest of hier langer zou blijven, heel anders had opgelost.”

U had dan harder opgetreden?

„Zeker. Ik zat er altijd bovenop, was veeleisend. Als ze iets niet deden, zei ik er wat van, tot vloeken aan toe.” Hij slaat met de vuist op tafel. „Niet twijfelen, zonder aanzien des persoons. Nu laat ik het soms glippen, kijk ik even de andere kant op, omdat ik de confrontatie niet aan wil gaan.”

U wilt uw carrière hier op een prettige manier afsluiten.

„Ja. Maar dat interesseerde me vroeger helemaal niet. Mooi of lelijk: het moest gebeuren.”

Hij zit in zijn laatste weken bij Feyenoord. Vijf competitieduels nog, en mogelijk nog play-offs voor Europees voetbal. Het is waarschijnlijk zijn laatste klus, zegt hij, in zijn veertigste jaar als trainer.

Als naoorlogs kind groeide hij op in de Haagse arbeiderswijk Transvaalkwartier, in een gezin met drie oudere broers en een jongere zus. Het was sappelen. Ze sliepen met zijn drieën op een kamer in stapelbedden. Zijn opvoeding vond vooral plaats op school. „Onze ouders waren allebei overdag niet thuis, die moesten werken om de vijf kinderen te kunnen onderhouden.”

Uw moeder werkte in het ziekenhuis. Wat deed ze daar precies?

Hij haalt zijn schouders op. „Dat weet ik niet. Iets in de operatiekamer.”

Uw vader was kantoorbediende op het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.

„Zes dagen per week, want toen werkte je nog op zaterdag hè. Op zondagavond stookte mijn vader op het ministerie als bijverdienste de kachels op. Hij was altijd aan het werk, ik kende hem niet goed. Als ik eerlijk ben heb ik niet zo veel aan mijn vader gehad. Hij hield van ons, maar was heel erg met zichzelf bezig. Kinderen hadden in die tijd, vlak na de oorlog, ook een andere band met hun ouders dan nu.”

De opvoeding was strenger?

„Niet strenger, maar … hoe zal ik het zeggen?”

Er werd weinig over gevoel gesproken.

„Er werd überhaupt weinig gesproken thuis.”

Terwijl u wel een gevoelsmens bent. Uw assistent Pot zei: ‘Dick is een gevoelige, sentimentele man die keihard kan zijn, maar ook in tranen kan uitbarsten bij het minste of geringste.’

„Zo is het wel. Maar dat wist ik niet als kind. Pas naarmate ik ouder werd merkte ik hoe snel ik geëmotioneerd kon raken.”

Hij zwijgt, schraapt zijn keel en trommelt met zijn vingers op tafel. „Mijn vader overleed op zijn 58ste, ik was zeventien. Twee jaar later ging ik in het eerste van ADO spelen. Voor elke wedstrijd vroeg ik aan mijn vader of hij wilde zorgen dat ik goed zou spelen. Ik ben niet echt gelovig, maar had wel het gevoel dat hij vanaf mijn schouder mee keek.”

Toch bijzonder, want u had geen innige band met hem.

„Ja, maar ik was wel trots op hem. Hij werkte hard.”

Hij overleed aan longkanker. Klopt het dat hij dronk tegen de pijn?

„Dat zei hij, maar dat geloof ik niet. Ik heb nooit onder zijn drankgebruik geleden – zo hoort dat, dacht ik – maar schaamde me wel als hij op zondagmiddag geen rechte lijn kon lopen. Mensen die te veel drinken vind ik egoïstisch.”

Omdat ze hun omgeving uit het oog verliezen?

„Ja. Dat heb ik nooit eerder gezegd, maar het is wel zo.”

Wat voor impact had zijn vroege overlijden op u?

„Ik was al heel jong zelfstandig. Maakte mijn eigen brood klaar als ik naar school ging. Tussen de middag haalde ik avondeten. Mijn oudere broers hadden hun eigen groep vrienden. Daar kwam ik niet tussen.”

U was een buitenstaander?

„Dat niet, maar ik kon mezelf goed vermaken. Nog steeds. Ik kan heel goed alleen zijn. En dat moet ook wel, want voetbaltrainer is een eenzaam beroep. Mensen vinden dat normaal, want je leeft in luxe. Bij Zenit Sint-Petersburg werd ik ’s morgens om half negen met een Mercedes 600 met chauffeur opgehaald. Bodyguards erbij. ’s Avonds werd ik weer afgeleverd en was mijn kleding netjes gewassen en gestreken. Je gaat het normaal vinden, maar het is natuurlijk niet normaal.”

Dick Advocaat: „Mensen die te veel drinken vind ik egoïstisch.”

Foto David van Dam

Luxe in eenzaamheid.

„Ja. Dat is prettiger dan luxe in armoede, maar het blijft alleen.”

Niemand om het leven mee te vieren.

„Helemaal niemand. Nou ja, met mijn assistenten. Al sliepen die altijd in een ander hotel. Ik nam afstand. Ik ben een serieuze man, wat dat betreft.”

Een Schotse krant schreef in uw tijd bij Glasgow Rangers: hij heeft een zelfverzekerde uitstraling, maar twijfelt voortdurend.

„Bij zakelijke besprekingen weet ik heel snel hoe ver ik kan gaan. Dan ben ik vol zelfvertrouwen. Ik denk dat mensen mij daarom ook aannemen. Ik weet nog dat ik in 2004 sprak met de manager van Borussia Mönchengladbach, mijn advocaat zat erbij. Ik moest naar het toilet, had eigenlijk al besloten dat ik het niet zou doen. Hoor ik die manager in het voorbijgaan tegen iemand zeggen: Wir müssen ihn unbedingt haben.”

Hij lacht. „Toen zei ik tegen mijn advocaat: we kunnen hoger gaan zitten, want ze gaan mee.”

Maar kent u twijfels?

„Jawel. Ik weet nog dat ik als speler bij ADO een omweg maakte als ik bestuursleden zag staan. Ik keek enorm tegen die mensen op. Dan maar geen gedag zeggen. En als ik vroeger in de bestuurskamer werd verwacht, vroeg ik altijd iemand om mee te lopen. Zo ging de aandacht naar die ander uit. Heel prettig. Dat imago van brutaal ventje klopt niet.”

Ziet u verlegenheid als teken van zwakte?

„Nee, maar het laten zien wel. Ik vond het mooi als mensen dachten: die laat zich niet manipuleren. Wat ik nu vertel over die verlegenheid wist trouwens niemand, alleen degene die met mij meeliep. Tegen hem zei ik: ga maar mee, want dan letten ze ook op jou. Ik had altijd het gevoel dat iedereen naar mij keek. Zelfs als bondscoach wilde ik niet in mijn eentje naar de bestuurskamer.”

U kunt goed veinzen. Neem alleen al die luide stem van u.

Hij buigt over tafel. „Toen ik in Rusland coachte vroeg Vladimir Poetin wat ik onder leiderschap verstond. ‘Jij en ik’, zei ik. ‘Dát is leiderschap. Als we een zaal met vijfduizend man binnenkomen valt het stil.’ Poetin en ik mogen klein zijn – hij is 1,69 meter, ik 1,70 – maar we hebben wel uitstraling. Dat vond-ie zó mooi, dat antwoord.”

Maakt uw geringe lengte u onzeker?

„Nee. Lange mensen als Aad de Mos hebben een voordeel als ze ergens binnenkomen. Ik moet het meer van de inhoud hebben.”

Lees ook, uit 2019: Dick Advocaat, troubleshooter in crisistijd

U zei dat ze u aannemen vanwege uw zelfvertrouwen. Had u het minder ver geschopt zonder die présence?

„Als coach moet je nooit je twijfel laten zien.”

Want wat kan er dan gebeuren?

„Dat is gewoon niet goed. Een speler van Sunderland, Jermain Defoe, heeft wel eens gezegd dat mijn rustige uitstraling de ploeg enorm inspireerde toen we streden tegen degradatie. Mooi, toch?”

Toch kan het niet makkelijk zijn: altijd die gevoelige kant onderdrukken.

„Ik ben niet erg spraakzaam over mezelf. Daarom zijn vertrouwelingen zo belangrijk voor mij. Mensen bij wie ik niet op mijn woorden hoef te letten. Zoals mijn assistenten Cor Pot en Bert van Lingen. Hun loyaliteit is heel bepalend voor mij geweest.”

Heeft u veel vrienden overgehouden aan de 55 jaar dat u in het voetbal werkzaam bent?

„Een handvol, hooguit. Maar daar heb ik geen probleem mee. Ik kan met veel mensen opschieten en vraag me trouwens ook af wat een echte vriend is. Is dat iemand met wie je wat gaat drinken? Of is dat iemand die er altijd voor je is, ook al spreek je hem weinig? Dat laatste, denk ik. Bert van Lingen is zo iemand.”

Nog even over uw moeder. Zij was veel belangrijker voor u dan uw vader, toch?

„Zeker. Ze was er altijd, qua gevoel.”

U belde haar elke dag.

„Ja. In mijn tijd bij PSV ging ik twee keer in de week langs voor een kopje koffie. Ik was echt een moederskind. Dus toen ik een baan als coach in Glasgow kreeg, durfde ik dat eerst niet aan haar te vertellen. Helemaal naar een ander land …” Hij trommelt met zijn vingers op tafel. „Ze is vrij oud geworden. 89.”

Wat waardeerde u zo in haar?

„Ze stond altijd klaar voor haar kinderen. Dat mens heeft keihard gewerkt. Alleen de woensdagavonden waren van haar. Dan ging ze klaverjassen in het café om de hoek. Dat pakte niemand haar af.”

Hij zucht, kijkt naar zijn nagels. „Ik weet nog dat ik in Glasgow werd gebeld door mijn broer dat ze overleden was. Het was 1 januari, ik had haar na middernacht nog gebeld om een gelukkig nieuwjaar te wensen. Ze vertelde dat ze heerlijke paling bij mijn broer had gegeten. De volgende ochtend vond hij haar in een stoel, het kopje thee was uit haar hand gegleden. Op zich een mooie dood.”

Glasgow speelde kort erop de beladen wedstrijd tegen Celtic. Daar stond u gewoon op het veld, zonder dat iemand wist welk verlies u net geleden had.

„Als dat bekend was geworden, was de media er bovenop gesprongen. Dus ik heb het alleen aan de voorzitter verteld en ben na afloop meteen naar Nederland gevlogen, naar de plek waar ze lag opgebaard. Pas toen de crematie achter de rug was werd de pers ingelicht.”

Ook nu moest u uw gevoel onderdrukken.

„Dat verdriet kwam pas later bij mij, toen ik besefte wat zij allemaal gedaan heeft. Daar sta je niet bij stil als je met je carrière bezig bent.”

Wat heeft u van haar geleerd?

„Liefde? Ja, liefde. Dat je er bent voor de ander. Niet dat ze daar met ons over sprak. Dat deed je niet.”

Mist u haar nog?

„Het is al lang geleden. Nu ben ik zelf van een leeftijd dat je je afvraagt: hoe lang duurt het allemaal nog?”

Dick Advocaat: „Ik kijk altijd naar prijzen.”

Foto David van Dam

Cor Pot vertelde dat jullie na uw afscheid gaan reizen. Hij heeft al trips gepland naar Rusland en de VS.

„We moeten ons even laten zien, zegt Cor altijd. Drie dagen Moskou, vier dagen Sint-Petersburg, weekje Chicago.”

Uw vrouw zit thuis niet op u te wachten?

„Nee, die vindt dat niet erg.”

Het leven zonder voetbal vreest hij niet. Hij kan straks als analist voor Ziggo Sport en Voetbal International aan de slag. Hij tennist en wil leren golfen. Misschien begint hij een kaartclubje, grijnst hij. Klaverjassen vindt hij leuk. „Ik ga mij niet vervelen, ben ik helemaal niet bang voor.” Thuis moet hij zijn voetbalarchief opruimen. „Ik bewaarde altijd mijn spullen. Áls het Nederlands elftal nog een keer komt, heb ik al mijn ordners nog. Gaat straks door de versnipperaar. Ook alle voetbalbladen.”

Bent u bang vergeten te worden?

„Nee, dat heb ik helemaal niet. Als mijn dierbaren mij maar niet vergeten, vind ik het prima. Ik zou het ongemakkelijk vinden als hier straks de laatste wedstrijd is, en ze afscheid van mij willen nemen. Het liefst loop ik dan naar de overkant, naar mijn auto, en ben ik weg.”

Anders staat die schijnwerper weer op u?

„Ik weet nog goed toen ik bij Zenit vertrok. Werd ik eerst met een open Bentley rondgereden. En vervolgens kleurde het hele vliegveld oranje met spandoeken. Dan voel ik mij zó opgelaten.”

Krijgt u in Nederland wel voldoende erkenning?

„Ja, maar in het buitenland is die groter. Ik ben drie keer bondscoach van het Nederlands elftal geweest. Daar loop ik niet mee te koop, maar wie kan dat zeggen? Denk ik: laat ze allemaal kletsen. Drie keer bondscoach, komt echt nooit meer voor hoor, geloof me maar.”

Ziet u zichzelf in de categorie Louis van Gaal, Guus Hiddink, Leo Beenhakker?

„Ik kijk altijd naar prijzen. Ik geloof dat ik na Van Gaal de tweede trainer ben – met vijftien prijzen. Dat wil niet zeggen dat een trainer die geen prijzen wint niet goed is. Het moet ook een beetje meezitten. Maar mensen zetten mij wel in dat rijtje, hoor.”

U vindt zelf ook dat u daarin thuishoort?

„Zonder twijfel, al is Van Gaal de grootste. Omdat hij bij alle grote clubs gewerkt heeft. En omdat hij voor zichzelf een hele moeilijke trainer is. Louis gaat altijd de confrontatie aan. Daar ben ik iets milder in.”

U heeft nooit een band willen opbouwen met uw spelers.

„Nee. Daarin verschil ik met Van Gaal, die alles weet van zijn spelers, tot de verjaardag van de kinderen aan toe. Ik vind het wel mooi dat je dat als trainer kan. Maar daar ben ik heel afstandelijk in. Als je je aan spelers gaat hechten, kan je niet meer de beslissingen nemen die je moet nemen.”

Spreekt u de taal van deze generatie nog? Pierre van Hooijdonk noemde u bij Studio Voetbal onlangs ‘old school’.

„Ik vraag mij af waarop hij dat baseert. We hebben hier de modernste mensen rondlopen, die allerlei data aan mij voorleggen. Dat weet hij [Van Hooijdonk] niet, want ik zie hem hier nooit.”

Het raakt u?

„Het irriteert me. Ik had een uitnodiging van de NOS om daar iets te doen als analist rond het EK voetbal deze zomer, dat heb ik afgezegd. Ik ga daar dan niet met Van Hooijdonk zitten.”

Advocaat vertelt dat hij na het EK 2004, toen hij als bondscoach verketterd werd na de veelbesproken wissel van Arjen Robben, er wel „even klaar mee” was. Hij vertrok na het toernooi en ging de eerste maanden niet in op aanbiedingen van buitenlandse clubs. „Ik dacht: ik stop lekker, we hebben het financieel goed.”

De mensen van wie u houdt, daar gaat het om, zei u.

„Ja, uiteindelijk wel.”

En toch heeft u de meeste tijd aan het voetbal besteed.

„Ja. Maar dat heeft mij ook zo ver gebracht.”

Dat compenseert een hoop?

„Het was mijn leven. Als ik niet succesvol was geweest, had ik het waarschijnlijk niet zolang volgehouden. De compensatie die er tegenover staat is ontzettend hoog. En ik vond het ook geweldig.”

Anders dan vaak wordt beweerd waren het niet de financiën die het aantrekkelijk maakten, maar het spelletje en de uitdaging?

„Ik zal het één keer zeggen: salaris is medebepalend geweest in mijn keuzes.”

Maar op een gegeven moment heb je genoeg, toch?

„Dat is wel zo. Maar wanneer heb je genoeg? Dat vind ik moeilijk te zeggen.”

Heeft dat met het sappelen van vroeger te maken?

„Nee. Ik was zestien toen ik een jeugdcontract kreeg bij ADO en op mijn negentiende een profcontract. Ik heb altijd wel centjes gehad. Niet het grote geld. Dat verdiende ik pas als trainer.”

Waar staat geld voor u voor?

„Ik kan daar veel mensen gelukkiger mee maken, denk ik. Ik heb zelf altijd goed kunnen leven, maar ik heb nooit hele gekke dingen gedaan.”

Krijgt de gevoelsmens Dick Advocaat meer ruimte nu u stopt?

Hij denkt even na. „Ja, want die wereld, daar kom ik niet meer in.”

Is dat ergens een opluchting?

„Nee, want ik vond het wel een mooie wereld. Ik had natuurlijk allang kunnen stoppen, maar vond het toch wel leuk als ik weer gebeld werd. Feyenoord, daarvoor FC Utrecht. Als het maar aan te rijden was.”

Hoe wilt u herinnerd worden?

„Als aardig. Dick was een aardig mens. Ik denk dat velen met wie ik gewerkt heb zullen zeggen: Dick was een goede kerel. Maar ik ben er nog wel een tijdje.”