Foto Sake Elzinga

Interview

De Moeder van alle Molukkers is beledigd

Josina Soumokil-Taniwel De oprichting van de vrije Republiek der Zuid-Molukken wordt dit weekend herdacht. De weduwe van de geëxecuteerde president Chris Soumokil is al 55 jaar Moeder aller Molukkers. ‘Ik weet nog steeds niet waar hij begraven is.’

De Moeder van alle Molukkers, wordt ze genoemd. Josina Soumokil-Taniwel (87) glimlacht met ingehouden trots als haar gevraagd wordt of zij dat ook zo voelt. „Nou ja, als mensen dat zo zien, dan ga ik daar in mee. Ik ben de weduwe van president Soumokil, de leider van onze vrijheidsstrijd, die is geëxecuteerd door Indonesië. Op de sterfdag van mijn man, 12 april, heb ik dit jaar gesproken voor kinderen van de vierde en vijfde generatie. En ik heb gezegd dat zij moeten doorstrijden voor de vrijheid van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS). Dat land is van ons. Het is niet het bezit van anderen.”

Njonja (mevrouw) Soumokil ontvangt in de Molukse Rehob oth kerk in de Molukse wijk van Assen. Ze is gekleed in een traditionele, rode sarong en kabaja. Daaroverheen draagt ze een lang groen vest, als om te laten zien dat ze Nederland nog altijd een koud land vindt.

De weduwe arriveerde in de zomer van 1966 in Nederland, nadat de toenmalige president Soeharto de doodstraf had laten voltrekken. Ze verstaat Nederlands maar antwoordt in het Maleis via een tolk. Haar man was nauw betrokken bij het uitroepen van de RMS op 25 april 1950, en hij leidde op het eiland Ceram als president dertien jaar een guerrillastrijd tegen de eerste Indonesische president Soekarno. Deze zondag is de 71ste herdenking van de oprichting van de RMS, een staat die alleen erkend werd door het Afrikaanse Benin. Maar die nog steeds voor veel Molukkers in Nederland en ook in Indonesië een ideaal is. De herdenking valt bijna samen met het bericht dat njonja Soumokil deze week ontving van de Nederlandse staat: dat haar 147,81 euro wordt toegekend als smartengeld voor de drie en een half jaar die haar man als dwangarbeider moest werken aan de Birmaspoorweg. Het gaat om de zogeheten ‘Birmauitkering’ uit gelden die Japan na de capitulatie betaalde aan de geallieerden als smartengeld bedoeld voor dwangarbeiders. In deze uitkering is ook het geld verwerkt dat Thailand betaalde voor het overnemen van de spoorweg. De eenmalige uitkering is niet gecorrigeerd voor inflatie. Net als vele duizenden andere Nederlandse militairen van het koloniale leger (KNIL) was Soumokil na de capitulatie van Nederland aan Japan, in maart 1942, krijgsgevangene gemaakt.

Over het smartengeld is de weduwe duidelijk: dat bedrag is een belediging door de Nederlandse regering. „Mijn man heeft meer dan drie jaar dwangarbeid verricht in Birma. Dat was een lijdensweg die niet met zo’n bedrag wordt verzacht.”

Njonja Soumokil wordt eigenlijk meer in beslag genomen door de herdenking op zondag. Die emotioneert haar nog steeds. „Ik ben dankbaar dat mijn man met het volk is opgestaan tegen Indonesië en ik sta nog altijd helemaal achter de strijd voor de Vrije Molukse Republiek. Mijn man heeft mij een dag voor zijn executie, toen we elkaar voor het laatst zagen, opdracht gegeven met onze zoon Thommy naar Nederland te gaan en hier de strijd voort te zetten. En dat heb ik gedaan.”

Lees ook dit verhaal over speciale woonwijken: ‘Molukse wijk is alleen voor Molukkers’

De strijd die zij in Nederland leverde voor haar ideaal kan niet vergeleken worden met de strijd die zij met haar man en kind leverde op Ceram, een bergachtig, dichtbegroeid en dunbevolkt Moluks eiland. Toen zij trouwde met Christiaan Soumokil had ze geen vermoeden van wat haar te wachten stond. Soumokil was een in Leiden opgeleide jurist, die na de oorlog procureur-generaal was en zelfs minister van Justitie van de door Nederland bedachte deelstaat Oost-Indonesië. Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 maakte president Soekarno korte metten met de federale structuur die Nederland had bedacht. Soumokil legde zich daar niet bij neer en werkte met zijn latere opvolger Manusama mee aan de proclamatie van de vrije Republiek der Zuid-Molukken. Jakarta ging in de aanval en Soumokil en de zijnen trokken zich terug op Ceram. Daar was Josina Taniwel opgegroeid in een klein dorp. „Ik was nog maar 17 jaar, toen ik werd uitgehuwelijkt,” zegt njonja Soumokil, „Nog net geen kind meer. Mijn man was dertig jaar ouder. Ik wilde eerst ook niet met hem trouwen, maar ik kon mijn familie ook niet te schande maken. Later zag ik in dat de strijd nu eenmaal voorgaat. We moeten gelijk worden gesteld aan andere volkeren op de wereld.”

De jaren op Ceram waren zwaar, vertelt njonja Soumokil. Ze waren voortdurend op de vlucht voor Indonesische troepen. „Mijn moeder is doodgeschoten. Een zus is verkracht en vermoord en de andere zus is verdwenen. Tot we op 3 december 1963 werden gearresteerd. We verbleven in een hut in het bos. De militairen hebben toen de mensen in de buurt die sago aan het kloppen waren onder druk gezet, gedreigd dat ze hun sagotuin in brand zouden steken. Toen zijn we verraden. Voordat we werden afgevoerd is mijn man nog gedwongen een brief te ondertekenen waarin hij opdracht gaf aan de resterende guerrillastrijders om de wapenen neer te leggen.”

Zijn weduwe vindt het niet eenvoudig Christiaan Soumokil te typeren. Hij was de zoon van een Ambonese vader en een Nederlandse moeder. En had behoord tot de toplaag in de kolonie. Njonja Soumokil: „De overgang naar een strijd in de jungle was voor hem niet makkelijk. Maar hij had natuurlijk ook in Birma veel meegemaakt. En voor hem ging de strijd boven alles. Hij was natuurlijk geïsoleerd maar heeft verschillende missies uitgestuurd om contacten buiten het eiland te leggen. Om wapens te halen naar Sorong in Papua bijvoorbeeld. Of om contact te leggen met Permesta, een andere opstandelingenbeweging in Sulawesi.”

Permesta stond eind jaren vijftig in verbinding met rebellen in Sumatra. Beide groepen kregen waarschijnlijk wapens van de Amerikanen, die niet blij waren met de communistische koers van Soekarno.

Njonja Soumokil neemt het Nederland kwalijk dat het land niets gedaan heeft om de executie van haar man te voorkomen. „Dat mijn man uiteindelijk in 1966 door Soeharto, die Soekarno opzij had gezet, is geëxecuteerd wijt ik ook aan de Nederlandse regering. Tot elf april 1966 had Den Haag de mogelijkheid een gratieverzoek in te dienen, maar Buitenlandse Zaken deed niets. Dominee Souisa, die mijn man in de dodencel van de Salembagevangenis in Jakarta bijstond, heeft tot het laatste moment gewacht op bericht uit Den Haag, maar er kwam niets. Op 11 april heeft hij mij om half twaalf ’s nachts gebeld met de mededeling dat er geen bericht uit Nederland was gekomen en dat mijn man zou worden geëxecuteerd.”

De Indonesische regering heeft sindsdien altijd geheimgehouden waar het lichaam van Soumokil is begraven. Zijn weduwe heeft verschillende malen tevergeefs aan Indonesië om opheldering gevraagd. „Maar men wil kennelijk niet dat het graf van mijn man een bedevaartsoord wordt voor Molukkers, omdat ze bang zijn dat het de strijd voor een vrije RMS zal laten opleven.”

Lees ook dit opiniestuk: Dekoloniseer het Molukse verhaal van trots en verraad

Toen njonja Soumokil in 1966 aankwam in Nederland, stichtten Molukse jongeren brand bij de Indonesische ambassade in Wassenaar. Later volgden er de soms bloedige treinkapingen en andere gijzelingsacties. De meest gewelddadige treinkaping was bij Wijster in 1975: kapers schoten de machinist en twee reizigers dood om hun eisen kracht bij te zetten. In 1977 was er weer een actie bij De Punt in Drenthe. Toen mariniers daaraan na drie weken een einde maakten, op 11 juni 1977, doodden zij twee treinpassagiers en zes van de negen kapers.

Njonja Soumokil is geen voorstander van gewapende strijd in Nederland, maar ze heeft wel begrip voor wat de Molukse treinkapers dreef. „Dat geweld kwam er pas nadat vreedzame pogingen om het streven van de Molukse jongeren onder de aandacht te brengen nergens toe hadden geleid. Demonstraties, petities werden allemaal genegeerd.”

Bij beide treinkapingen werd op verzoek van de kapers ook njonja Soumokil betrokken als bemiddelaar. „Er was een groot verschil tussen beide kapingen,” zegt ze, „In 1975 hebben de jongens drie mensen gedood. Maar bij De Punt in 1977 zijn geen gijzelaars gedood door de kapers. De leider van die groep, Max Papilaja, wilde per se met mij spreken. Eerst lag dat moeilijk. Omdat de Nederlandse autoriteiten mij niet vertrouwden. Uiteindelijk werd ik toch tot de trein toegelaten. Twee keer zelfs. Ik heb Max gewaarschuwd. Ik was bang dat de mariniers zouden ingrijpen. Maar hij zei dat hij niet bang was voor de mariniers en het winst zou zijn voor de RMS als hij zou sneuvelen.”

Nabestaanden van om het leven gekomen kapers bij het beëindigen van de gijzeling bij De Punt, waaronder die van Papilaja, voeren nu een proces tegen de Staat omdat zij van mening zijn dat hun familieleden zonder noodzaak zijn gedood door de mariniers terwijl zij al waren uitgeschakeld. Over deze zaak doet het Gerechtshof in Den Haag per 1 juni uitspraak.

Njonja Soumokil is van mening dat in deze zaak toenmalig minister Dries van Agt (Justitie, KVP) de hoofdverantwoordelijkheid draagt. „Deze kapers hadden niemand gedood. En toch heeft Van Agt de opdracht gegeven dat de mariniers het vuur moesten openen op de trein – ook al zou dat als consequentie hebben dat daarbij kapers werden gedood. Ik heb daar geen begrip voor. Maar we moeten het nu overlaten aan de wijsheid van de rechter.”

Nog steeds hoopt njonja Soumokil dat Indonesië de plaats bekend maakt waar haar man is begraven. „Daarom doe ik nogmaals een beroep op de Nederlandse Staat om dat verzoek over te brengen aan Jakarta.” Op de vraag of zij dan nog ooit wil terugkeren naar haar geboorteland, antwoordt zij kort: „Nee.”

Aanvulling 25 april 7:47 uur: In deze nieuwe versie van het artikel is de herkomst van de ‘Birmauitkering’ toegevoegd.