Recensie

Recensie Boeken

Met zijn wilde beesten reisde hij door Europa. Toen verdween hij in de mist van de geschiedenis

De dierentuin Giovanni Alpi reisde eind 18de eeuw met zijn wilde beesten door Europa. Arie van den Berg reconstrueerde zijn leven en bracht zo prachtige misvattingen bijeen. (●●●●●)
Een leeuw uit de menagerie van koning Lodewijk Napoleon, geschilderd door Pieter Gerardus van Os, 1808.
Een leeuw uit de menagerie van koning Lodewijk Napoleon, geschilderd door Pieter Gerardus van Os, 1808. Illustratie Rijksmuseum. Amsterdam

Een ‘biografie’ over een ‘beestenman’, verzamelaar en uitbater van een rondreizende dierentuin vol exotische vliegers en viervoeters, is een schier onmogelijke opgave. ‘Zo hier, en zo weg’, aldus samengevat door Arie van den Berg in De leeuw van Alpi, ‘een beestenman komt uit het niets en verdwijnt, met of zonder dieren, weer achter de horizon. De leeuw van Alpi is dan ook de weergave van een sporenonderzoek. Van den Berg treft Giovanni Alpi in maart 1784 in Hannover voor het eerst aan, als exposant van een drietal rendieren, op dat moment een zeldzame aanblik. De reis gaat verder naar Gent en Lille, en eindigt in de wetenschappelijke zoölogische tuin in Alfort nabij Parijs. Alpi wordt er maître palefrenier (toezichthouder) en het vermoeden bestaat dat zijn reis om drie stuks ‘Lappenvee’ uit Scandinavië te halen een Franse opdracht betrof. Nadien duikt hij nog geregeld op, tot hij uiteindelijk verdwijnt in de mist van de geschiedenis.

Arie van den Berg schreef eerder Van binnen moet je wezen (1989), over charlatans, keisnijders, erotische vlooienliteratuur, eierleggende paashazen, meikevers, duivelsvliegen et cetera. Dezelfde wind waait hier en daar in De leeuw van Alpi. Als je de wervende beschrijvingen op de strooibiljetten (‘komt dat zien!’) leest, verschillen de overdrijvingen en halve waarheden over de tentoongestelde dieren niet wezenlijk van de gebrekkige wetenschappelijke zoölogische beschrijvingen van rond 1800. Zo schrijft de wetenschapper Weigel over de blauwe ara (door Alpi extra-exotisch ‘de Indiaanse raaf’ genoemd) dat een tam exemplaar te Stralsund een hekel had aan vrouwen en ze altijd in de voeten pikte. Ontzetting bracht Alpi’s introductie in 1799 van een ‘Franse’ hyena in Wenen, die volgens sommige plaatselijke bronnen een lugubere lach produceerde en als ‘onheilsstichter in het land der guillotine’ bijnamen verwierf als ‘Marat’ of ‘Robesbeer’. In dezelfde sfeer brengt Van den Berg prachtige misvattingen bijeen, bij voorbeeld dat de bergzebra dol zou zijn op doedelzakgepijp. Of hilarische overdenkingen als van de Duitse Universitätsmamselle Therese Huber in 1809, na een bezoek aan de door Alpi te Amsterdam ingerichte zoölogische afdeling van de Hortus: ‘Het tijgergeslacht doet mij denken aan mensen die slecht zijn zonder passie. Dan heb ik liever de eerlijke leeuw, die het woud in brult, met een sidderende echo, als hij ronddwaalt om bloed te vergieten.’

Praaldieren

Belangstelling voor exotische dieren bestond al lang voor Alpi, ze werden gehouden als ‘praaldieren’ Zo waren omstreeks 1420 al exoten te zien in de Londense Tower, je had van 1675 de menagerie van Blauw Jan op de Amsterdamse Botermarkt, Lodewijk XIV hield in Versailles een menagerie van opgeteld 123 zoogdiersoorten, 239 soorten vogels en 10 amfibische specimina. Gaande de achttiende eeuw ontwikkelde zich het ‘vergapen aan’ tot de behoefte aan een zo systematisch mogelijke ‘kennis over’.

Gravure uit Voyage au Jardin des Plantes, een boek van L.F. Jauffret uit 1797. Privécoll. Arie van den Berg

Kermis en wetenschap hand in hand, een interessante combinatie. Natuuronderzoeker Buffon (1707-1788) stelde dat ‘de natuur langs onbekende trappen op en neer klimt’. Dit leidde tot hilarische kwesties. Is Alpi’s ‘naakte paard’ een haarloos origineel of stiekem toch geschoren? Zet de malbroeck (een langstaartaap) op zijn rooftochten inderdaad een schildwacht uit, die bij onraad met ‘Hoep, hoep!’ alarm slaat? Opmerkelijk ook de tussen nooit geziene zoogdieren tentoongestelde ‘Afrikaanse kakkerlakken’, elders ‘blafards’ genoemd, ‘dondos’, ‘albino’s of ‘witte negers’. En wat te denken van de zezel, de kruising van zebra met ezel, als men ‘nimmer heeft vernomen dat ze zich samen vermengden en voortplantten?’ Om dit soort vraagstukken uit te benen had de wetenschap levende exotische dieren nodig, de kermisman leverde ze. Dat ‘levende’ was overigens niet vanzelfsprekend. Vervoer maar eens een olifant. Vaak gebeurde dit per schip, want ‘olifanten steken niet graag een brug over’, maar eten en drinken onnoemelijk veel. En voor het vervoer van twee tijgers van Bengalen naar Bretagne moesten 400 levende schapen mee. Beestenbazen als Alpi waren ervaringsdeskundigen, die wisten hoeveel en wat welke dieren aten. Geregeld werden hij of collega’s door gekroonde hoofden ook ingehuurd als beheerder van hun menagerie. Zo trad Alpi in dienst van Lodewijk Napoleon, Hollands eerste koning. Diens menagerie begint op paleis Soestdijk, na dik een maand wordt tot verhuizing naar Haarlem besloten, vanwege de frisse zeelucht. Te fris misschien, Van den Berg citeert uit een brief van de koning: ’De struisvogel en de leeuwin zijn dood, de mooie leeuw is ernstig ziek. Het lijkt er op dat de lucht van Haarlem hun geen goed doet.’ Volgt de verhuizing van het hele spul naar Amsterdam.

Medelijden

Gezeul met dieren. Veel te krappe onderkomens, verhuisstress, onkundig zorgpersoneel, men leest De leeuw van Alpi niet zonder een gevoel van medelijden. ‘Het was de kindertijd van de biologie,’ schrijft Van den Berg ook zelf, ‘In Alpi’s tijd werd er niet gefilmd, dus moest de afstand tussen mens en dier op een minder veilige afstand worden overbrugd. Minder veilig vooral voor het dier. En kritiek op het dierkwellend aspect was er overigens al in de achttiende eeuw.’

Een biografie over Alpi mag dan een mission impossible zijn gebleken, uit de stukken en brokken over hem ontstaat toch het beeld van een bijzonder creatieve ondernemer, met een flink bedrijfsrisico. Sterfelijke handel. Wat we met De leeuw van Alpi aan de hand van een vluchtig personage lezen is een imponerende, ware historie over een verdwenen bedrijfstak, zoölogie in de kinderschoenen, en redeneren waar het aan kennis ontbreekt. Je slaat achterover van wat hier bijeen is gebracht, en is verantwoord in een uitgebreid notenapparaat. En als het over stijl gaat: Arie van den Berg is een dichter op de natuurwetenschappelijk aangeblazen kermis. Van binnen moet je wezen, gaat dat zien! De mond valt je er bij open.