Recensie

Recensie Boeken

Dramatische relaties, verbroken vriendschappen en een stoet minnaressen: het leven van Philip Roth

Philip Roth In zijn onthullende biografie laat Blake Bailey overtuigend zien dat het leven van deze grote Amerikaanse schrijver nog gecompliceerder in elkaar stak dan menig Roth-fan kon bevroeden.

Wie was Philip Roth? De joodse antisemiet, die de spot dreef met Amerikaanse joden, zijn eigen ouders in de eerste plaats? De pathologische bosneuker, die in veel van zijn romans de verteller is? De bejaarde erotomaan, die op veel jongere vrouwen geilt? De vrouwenhater, die zijn vele geliefden alleen als seksobject zag? De egomaan, die zich alleen voor anderen interesseerde als hij ze kon gebruiken als personages voor zijn boeken of als begunstigers van zijn oeuvre? Of gewoon de beste Amerikaanse schrijver van het laatste kwart van de twintigste eeuw?

Een aannemelijk antwoord op die vragen staat op twee derde van Blake Baileys vuistdikke Roth-biografie - waarvan de distributie in de VS tijdelijk is stilgelegd vanwege aantijgingen van seksueel wangedrag van de biograaf zelf. Hier komt Jonathan Brent, een voormalige vriend van Roth, aan het woord. Begin jaren negentig had hij huwelijksproblemen, omdat hij door zijn drukke gezinsleven maar niet opschoot met zijn roman en een boek over Stalin. Roth adviseerde hem te scheiden en zich daarna, net als hijzelf, geheel aan het schrijven te wijden. Brent raadpleegde op zijn aanraden zelfs een echtscheidingsadvocaat.

Uiteindelijk bleek een scheiding toch een stap te ver, toen Brent besefte hoeveel hij van zijn vrouw en kinderen hield. Daar kwam nog bij dat Brent de bemoeizuchtige Roth ‘te voyeuristisch’ vond en hij bang was om na zijn scheiding nog afhankelijker van hem te worden dan hij al was. ‘Philip wil dat ik dit voor hém doe, en niet voor mezelf’, dacht hij.

Dat Brent dit goed aanvoelde, blijkt uit een door Bailey uit Roths nalatenschap opgedoken memo van 29 juni 2000, waarin de toen 67-jarige schrijver zich duidelijk ergert aan het terugkrabbelen van zijn vriend. Zo staat er: ‘Heeft die sentimentaliteit nodig voor agressieve gevoelens jegens vrouw.’

In 2001 herkende Brent zich in Roths roman The Dying Animal als het personage Kenny, die ondanks het advies van zijn vader David Kepesh, een van Roths alter ego’s, zijn beroerde huwelijk voortzet. Toen Brent zijn vrouw vertelde dat hij in Roths nieuwe roman voorkwam, ontplofte zij van woede. De vriendschap tussen beide schrijvers bekoelde hierna algauw.

Ziekelijke obsessie

Dertien jaar later gaf Brent in een gesprek met Bailey een treffende omschrijving van Roths karakterstructuur: ‘Ik weet niet hoe ik het anders kan zeggen: hij heeft iemand nodig die echt van hem houdt – daarom maakt hij zo’n verweesde indruk. Omdat hij in een lege wereld leeft. Niet leeg in intellectueel of artistiek opzicht, maar wel leeg in een dieper geestelijk opzicht. En dat is een leegte die hij zorgvuldig gecultiveerd heeft. Omdat hij greep heeft op de wereld. Maar hij voelt zich er leeg vanbinnen en ik denk dat hij snakt naar de echte liefde die hij niet vindt.’

Roth had toen nog vier jaar te leven en voor de liefde, waarvan Brent veronderstelde dat hij die zocht maar niet kon vinden, was het te laat. Op een enkele poging na om weer contact te zoeken met een vroegere vriendin, was hij er ook klaar mee. Zijn ziekelijke obsessie met seks was verdampt, de rugpijnen die hem al sinds zijn jonge jaren kwelden waren heviger geworden, zijn hartproblemen namen toe. Het belangrijkst was alleen nog het orkestreren van zijn nagedachtenis. Tegen de door hem als biograaf uitverkoren Bailey, die eerder een biografie van John Cheever schreef, zei hij: ‘Ik wil niet dat je me rehabiliteert. Maak me gewoon interessant.’

Dat het Bailey gelukt is om aan dat verzoek te voldoen, mag een klein wonder heten. Want zijn Philip Roth is machtig interessant. Uit alles wat zijn biograaf boven water heeft gekregen, blijkt zelfs dat hij nog veel ingewikkelder in elkaar stak dan menig kenner van zijn oeuvre had kunnen raden.

Met zijn extreme personages houdt Roth (1933-2018) je altijd een spiegel voor, waarmee hij je confronteert met je eigen, al dan niet bewuste, onzuivere en amorele verlangens. Dat vermogen ontleende hij aan zijn eigen spiegelpaleis, want in zijn meeste boeken is hij altijd bezig zichzelf te analyseren, al ontkende hij dat tegenover Bailey. Philip Roth is Neil Klugman uit Goodbye, Columbus, Alexander Portnoy uit Portnoy’s Complaint, zoals hij ook Nathan Zuckerman, Mickey Sabbath en David Kepesh is. Hij pelt hun persoonlijkheid af totdat hij bij de kern komt van wie hij zelf is, hoe ranzig ook. In alles is hij de schaamte voorbij. En juist dat maakt zijn eenendertig boeken zo interessant, ook al zijn ze in literair opzicht niet altijd even geslaagd.

Stoet minnaressen

Roth schreef niet alleen over Roth in zijn verschillende vermommingen, zoals deze biografie overtuigend laat zien, maar ook over ongeveer iedereen die hij op zijn pad tegenkwam. Hij hoorde ze uit, gaf ze raad, won hun vertrouwen en stal vervolgens hun levens door ze voor zijn boeken te gebruiken. Om hen op papier genadeloos te kunnen manipuleren, moest hij in werkelijkheid afstand tot hen bewaren. Vandaar die door Jonathan Brent vermoede emotionele leegte als het er op aankwam om met iemand intimiteit te hebben. Hoewel hij daar wel degelijk naar verlangde, ging Roth die intimiteit op een pathologische manier uit de weg en was hij in zijn meeste relaties en vriendschappen altijd op zijn hoede. Roth wantrouwde zelfs de vrouwen met wie hij langdurige verhoudingen had.

Volgens Bailey is dat laatste in hoge mate te herleiden tot zijn dramatisch verlopen relatie met Maggie Martinson, een gescheiden vrouw met twee kinderen, die in 1959 net deed of ze zwanger van hem was. Toen Roth wilde dat ze zich liet aborteren, zei ze daartoe bereid te zijn, maar dan moest hij wel met haar trouwen, wat geschiedde. Drie jaar later scheidden ze van tafel en bed, waarna voor de rechter een jarenlang gesteggel volgde over alimentatie, dat plotsklaps eindigde toen Margaret in 1968 bij een auto-ongeluk om het leven kwam. In de roman When she was good zou hij over Maggie schrijven.

Roth heeft zich in die scheiding genadeloos opgesteld, wat hem tot een hufter maakt. Bailey velt daar geen oordeel over, al trekt hij wel de conclusie dat Roth vanaf dat moment behoorlijk paranoïde raakte als een vrouw met hem wilde trouwen.

Na Maggie volgt er een hele stoet minnaressen. Met twee van hen, Ann Mudge, dochter van een antisemitische staalmagnaat, en theologiestudente Barbara Sproul was hij misschien wel het gelukkigst. Maar Ann kon hem na een paar jaar seksueel niet meer boeien en Barbara wilde in 1974, na zes jaar samen te zijn geweest, trouwen en een kind. En aangezien Roth dat niet wilde, ging ook die relatie voorbij.

Vrouwenhater

Opvallend is dat hij daarna toch opnieuw trouwde, dit keer met de Britse actrice Claire Bloom, met wie hij tussen 1976 en 1994 samen was – om zodra zij weer eens een tijdje bij haar dochter in Londen was met zijn Noorse buurvrouw annex fysiotherapeute in bed te duiken.

Toen Roth genoeg kreeg van de aanstellerige Bloom, zette hij haar van het ene op het andere moment aan de kant. Zij liet het er echter niet bij zitten en nam wraak door in 1996 de vernietigende memoir Leaving a Doll’s House te publiceren, waarin ze Roth afschilderde als een vrouwenhater en een controlfreak. Volgens Bailey bezorgde ze Roth daarmee zo’n grote imagoschade dat hij de Nobelprijs voor Literatuur misliep.

Leaving a Doll’s House zou Roth blijven achtervolgen. Hij werd er nog wantrouwiger door dan hij al was, ook al schreef hij Bloom van zich af door haar in 1998 op te voeren als de verraadster Eve Frame in I Married a Communist, zijn roman over de communistenjacht van senator McCarthy.

Het knappe van Bailey is dat hij nergens psychologiseert, maar het leven en lijden van Roth vertelt aan de hand van zijn oeuvre en gesprekken met een paar honderd vrienden van de schrijver. Opvallend daarbij is dat Roth vaak nooit in hún leven of werk geïnteresseerd was en dat hij eigenlijk een slechte mensenkennis had. Vrienden waren voor hem in de eerste plaats personages en vriendinnen wezens om mee te neuken.

Toch vergeven ze hem alles en vinden vooral de vrouwen, inclusief sommige ex’en, hem aan het einde van zijn leven bovenal aardig. De jonge uitgeversassistente Lisa Halliday, met wie hij in 2002 een kortstondige, maar liefdevolle verhouding had die zij meesterlijk beschreef in haar roman Asymmetry, is daar een goed voorbeeld van.

Op haar beurt zegt Mia Farrow, een vriendin, dat Roth geen vrouwenhater was, zoals menig feministe veronderstelde, maar dat zijn houding jegens vrouwen wel ‘ouderwets paternalistisch’ was. Volgens haar wilde hij vrouwen helpen en ervoor zorgen dat ze ‘op hun best’ waren, waarbij het dan vooral over hun kapsel of kleding ging. Ook kon hij wel degelijk hechte vriendschappen met vrouwen hebben, zonder met ze naar bed te hoeven. Daarbij doelt Farrow behalve op zichzelf – Roth haatte haar ex-man Woody Allen, die hij een nepfiguur vond – ook op intellectuelen zoals Colette-biograaf Judith Thurman en Claudia Roth Pierpont, die een indrukwekkende analyse van zijn oeuvre publiceerde.

Patserige middenklasse

Ondanks zulke positieve getuigenissen laat Bailey zien dat Roth zijn leven lang overhoop lag met anderen. Was het niet met een geliefde, dan was het wel met zijn eerste biograaf Ross Miller, een goede vriend die veel te lui was voor dat karwei en aan de kant werd gezet. Als Roth het erover kreeg zei hij dat Miller zijn ‘derde slechte huwelijk’ was.

En dan waren er nog zijn aanvaringen met het Amerikaans-joodse establishment, dat hem na lezing van de verhalen uit Goodbye Columbus and five short stories (1959) van antisemitisme beschuldigde. In het titelverhaal beschrijft hij een patserige joodse middenklassefamilie aan de hand van de liefde tussen de saaie bibliotheekmedewerker Neil Klugman en de mooie Brenda Patimkin, de dochter van een omhooggevallen handelaar in sanitair. Het is een hilarisch portret van de Amerikaans-joodse middenklasse van de jaren vijftig, die geobsedeerd is door succes en niet getraumatiseerd is door de Sjoah in Europa. In Brenda Patimkin, die zich vooral druk maakt om haar nose job en pessarium, is duidelijk Roths ex-vriendin Maxine Groffsky te herkennen. Toen Roth een kwarteeuw later bij een lezing in Israël over vredesonderhandelingen met de PLO Maxine’s zuster Irene tegen het lijf liep, zei ze hem recht voor zijn raap hoezeer ze hem haatte omdat hij haar familie had geruïneerd. Roth antwoordde dat als ze het kon opbrengen om Arafat te vergeven ze toch ook zeker hem zou kunnen vergeven. Waarop de vrouw boos weg beende. Maxine Groffsky zelf was nog bozer en weigerde zich door Bailey te laten interviewen.

Overspel

Veel van Roths obsessieve gedrag is volgens Bailey uiteindelijk toch terug te voeren op zijn ouders, beiden tweede-generatiemigranten uit Rusland, die hij in zijn memoir Patrimony liefdevol heeft beschreven. Want ook al ontkende hij dat zij model hadden gestaan voor de neurotische vader en moeder van de masturberende Alexander Portnoy, volgens hem ligt de waarheid toch in het tegendeel. Het is op zo’n moment dat je beseft dat Roth misschien wel altijd het jongetje had willen blijven dat zich onder de vleugels van zijn vader en moeder het veiligst voelde. Niet voor niets keert hij in zijn geweldige laatste roman Nemesis (2010) terug naar die gelukkige jeugd, die bedreigd wordt door een polio-epidemie.

Bailey heeft een indrukwekkende, klassieke biografie geschreven, waarin hij Roth volgt vanaf zijn jeugd in de merendeels door joden bewoonde wijk Weequahic in de stad Newark tot aan zijn dood in New York. Aan dat Weequahic ontleende Roth de personages voor veel van zijn boeken. Dat vormde dan ook zijn beste verweer tegen de beschuldigingen van antisemitisme. Weequahic was zijn Amerika, zoals hij zichzelf ook geen Amerikaans-joodse schrijver noemde, maar een Amerikaanse schrijver. Een progressieve rabbijn uit Brooklyn, die het in die eerste dagen van cancelling door zijn conservatieve collega’s voor hem opnam, verwoordde het aldus: ‘Roth schrijft nóóit over joden […] Roth schrijft over veel spannender en lucratievere thema’s: overspel, losbandigheid, echtbreuk, ontucht en de verdorvenheid van de mens in het algemeen.’ En precies dat maakt zijn oeuvre en daarmee Baileys biografie zo fascinerend.