Mees hield van de vrijheid op het eiland

Rouw Na Mees’ dood, hij was pas zestien, leefde heel Terschelling mee. „Hoe empathisch de mens is, vind ik heel hoopvol.”

De kist van Mees werd langs een erehaag van vijftienhonderd mensen gereden.
De kist van Mees werd langs een erehaag van vijftienhonderd mensen gereden. Foto Lisa Berkhuysen

Even voor het ongeluk was er een dichte mist neergedaald op Terschelling die ook de dagen erna maar niet wilde optrekken. Zelfs de wind hield zich rustig op het eiland, waardoor de vlaggen die op veel plekken halfstok waren gehangen, stilletjes naar beneden hingen. En op de dag dat Mees Berkhuysen langs een erehaag van vijftienhonderd mensen werd gereden, die allemaal een bloem op zijn kist legden, vielen er dikke druppels uit de lucht. Alsof de hemel huilde.

Veel Terschellingers beginnen spontaan over de manier waarop de natuur reageerde op het overlijden van hun zestienjarige eilandgenoot, die op 28 februari van dit jaar rond zeven uur ’s avonds werd aangereden. Voor hen voelt het logisch dat zijn dood niet alleen hen maar ook de aarde rouwend achterliet.

Mees werd geboren in de stad Utrecht, waar hij tot zijn zesde woonde, tot hij tien jaar geleden met zijn ouders, Arjan Berkhuysen en Anemoon Elzinga, en zijn zusje Lente naar het eiland emigreerde. De elementen bepaalden zijn leven. Iedere dag om zes uur op, om de boot naar school in Harlingen te halen. Meestal nog voor zonsopgang naar de haven en om half zeven ’s avonds pas weer thuis. In zijn vrije tijd ging hij strandzeilen, mountainbiken of surfen. Met zijn zusje roetsjte hij met een zandslee van de steilste heuvel achter hun huis, die ze de ‘raketduin’ noemden.

Tijdens zijn laatste weekend had Mees het eiland ook weer binnenstebuiten gekeerd, samen met Thijs en Daan, twee vrienden van school. Een hele dag fietsen, een autorit met een vriendin, zwemmen in de zee en ’s avonds muziek maken. Op zondag zette hij Thijs rond zeven uur ’s avonds af bij de boot.

Op de fiets naar huis, waar het eten al klaar stond, werd hij van achteren aangereden. In het ziekenhuis constateerden ze meteen dat Mees hersendood was.

Van de artsen mochten Anemoon, Arjan en Lente rustig afscheid nemen. Voor de verjaardag van Mees in januari hadden zijn ouders aan familie en vrienden gevraagd om een liedje voor Mees toe te voegen aan een afspeellijst op Spotify. Arjan: „De muziek schalde door zijn ziekenhuiskamer.” ‘Dancing in the moonlight’ van Toploader was zijn vaakst gedraaide nummer, een vrolijke cover van een hit uit de jaren zeventig. Anemoon had al gevoeld dat Mees er niet meer was, maar Arjan had nog hoop. „Ik keek steeds naar de monitor. Misschien komt hij toch terug.” De volgende ochtend is hij van de beademing gehaald.


Lisa Berkhuysen

Lampionnetjes

Twee weken na de dood van Mees zochten Arjan en Anemoon contact met de redactie van NRC. Ze schreven dat wat er is gebeurd natuurlijk afschuwelijk is, maar dat ze tegelijkertijd merken „dat er na zijn dood bijzondere dingen zijn gebeurd op het eiland, die volgens ons raken aan een universeel thema, namelijk liefde en verbinding”. Daar willen ze over vertellen.

We zitten aan de keukentafel in hun knusse huis aan de rand van een vakantiepark in Midsland, met uitzicht op de duinen. Vroeger werden hier reddingsboten gestald. „Er staat daar een krat met wel duizend brieven”, zegt Anemoon (49). „Bij veel kaarten moesten we eerlijk gezegd opzoeken wie de afzender was.” Hun dochter Lente schuift af en toe ook aan.

„De condoleance in onze tuin was gepland tussen vijf en half zeven ’s avonds, maar we hebben tot negen uur hier in de tuin gestaan”, zegt Arjan (51). „Ze waren met zo veel. Mensen moesten soms twee uur in de kou wachten. Maar ze bleven gewoon staan, in de stilte onder de sterrenhemel.”

„Er waren ook lampjes”, zegt Lente (13), en ze schraapt haar keel. „Ik verslik me.”

„Emoties, emoties”, zegt Arjan plagend.

Lente: „Nee hoor, ik verslik me. Er waren allemaal lampionnetjes in de bomen gehangen.”

Anemoon: „Dat werd ook zomaar gedaan.”

Arjan: „Ik heb nog nooit zoveel liefde gevoeld.”

Anemoon: „Alsof we werden gedragen.”

Foto Jacoba de Graaf Meuldijk

Tradities

Anemoon en Arjan leerden elkaar in 2002 kennen, toen Arjan milieumanagement studeerde en Anemoon in de culturele sector werkte, onder meer voor theaterfestival Oerol op Terschelling. Bij beiden groeide de behoefte aan natuur in hun directe omgeving, dus toen er tien jaar geleden een directeur werd gezocht voor de Waddenvereniging, reageerde Arjan.

Een directeur van de Waddenvereniging die op een van de eilanden kwam wonen, was zo speciaal dat zijn verhuizing in de lokale krant werd aangekondigd. „Voor mijn werk was het goed”, zegt Arjan. „Veel mensen die hier wonen hebben een navelstreng met het eiland. Als je van buitenaf komt vertellen hoe het moet met de natuur, dan krijg je veel weerstand.”

Dat gebeurde voor zijn aantreden bijvoorbeeld toen de eilanders geen visfuiken meer mochten uitzetten. „Terwijl ze zagen hoe grote schepen wél de hele zee leeg visten.” Anemoon: „Gemeenschapszin zit hier in het DNA. Je moet het op het eiland met elkaar doen.”

Ruim twee jaar geleden begon Anemoon voor zichzelf als uitvaartbegeleider. „Mijn moeder, vader en oma zijn rond mijn twintigste in een tijdbestek van vier maanden overleden. Bij mijn moeder hebben we heel veel zelf gedaan: een kist getimmerd, de laatste verzorging gedaan, haar naar de oven gebracht. Maar bij mijn oma ging alles anders. Op haar begrafenis waren van die ‘kraaien’ in zwarte pakken die vroegen: ‘Heeft u een telefoonboek voor onder haar hoofd?’” Zo leerde Anemoon dat een fijn afscheid de pijn zachter maakt. „Voor mezelf beginnen was spannend, want je komt in een hechte gemeenschap terecht. Er gaan relatief weinig mensen dood en er was al een andere uitvaartondernemer.”

Om Oost, zoals het oostelijke deel van Terschelling wordt genoemd, geldt naar oud-Nederlands gebruik bovendien een „burenplicht”, waarbij de buren een groot deel van de uitvaart verzorgen. Dat gebeurde ook na het overlijden van Mees.

Volgens de traditie leverden de naaste buren aan alle bewoners van Midsland persoonlijk een rouwkaart af. Bij een overleden man doen de mannen dat. Om twaalf uur ’s middags luidde de kerkklok voor de overledene – vijftig keer, omdat Mees een jongen was. Bij een vrouw zou dat vijfentwintig keer zijn geweest.

„Normaal is de burenplicht beperkt tot de naaste buren, maar deze keer voelde het alsof het hele eiland naaste buur was”, zegt Arjan. „Toen we thuiskwamen van het ziekenhuis stond de keuken vol eten en stond er een grote percolator voor koffie klaar. Er werd dagelijks eten gebracht, er werden vazen gebracht om alle bloemen een plek te kunnen geven, mensen sprokkelden hout voor een vuur op het strand, de politie begeleidde ons naar het afscheid, de boswachter reed voor ons uit van het strand naar de haven.” TerschellingTV had een week lang geen reguliere uitzendingen, omdat ze een registratie van de afscheidsceremonie in strandpaviljoen West Aan Zee maakten voor de mensen thuis.

Foto Ilma Trip

Fazant

„Het eerste dat de kinderen deden toen we hier tien jaar geleden aankwamen, is dat cirkeltje van stenen leggen”, zegt Arjan. Hij wijst door het raam naar de tuin. „Het ligt er nog steeds, we hebben het nooit aangeraakt.”

„Daar eten de vogels nu ons voer”, zegt Lente. „We hebben ook een fazant die uit onze hand eet. Die noemen we Passant.”

Arjan: „Hij maakt het geluid van een kip.”

Buiten klinkt een schrille roep.

Lente: „Daar is-ie!”

Er komt een fazant zo groot als een kalkoen aangewaggeld.

Arjan: „Import. Voor de jacht zijn ze hierheen gehaald. Maar ze worden geloof ik geen exoten meer genoemd.”

Arjan en Anemoon voelen zich sinds het ongeluk gek genoeg nog meer thuis op het eiland, zeggen ze. Door de steun vanuit de gemeenschap. Lente vertelt dat er op haar basisschool veel werd gepraat over wie nou een échte Terschellinger is. „Je opa en oma moeten hier geboren zijn, je ouders ook, en jij ook. Dan pas ben je een echte Terschellinger.” Maar omdat de huisartsen tien jaar geleden besloten dat eilanders vanwege de veiligheid aan wal moesten bevallen, worden zulke ‘echte’ Terschellingers in principe niet meer geboren.

„Mag ik even iets laten zien op de Aerial Silk?”, vraagt Lente. Ze beoefent een vorm van luchtacrobatiek, met lange lappen stof die aan het plafond zijn bevestigd.

Anemoon: „Ja hoor. Is het een pose of een drop?”

Lente: „Een drop, maar hij is niet eng.”

Lente staat op om naar de naastgelegen woonkamer te gaan. Na het ongeluk hebben Anemoon, Arjan en Lente daar op de houten vloer hun matrassen neergelegd, zodat ze samen kunnen slapen. Normaal slaapt Lente boven, tegenover de kamer van Mees. Ze klimt in de lappen en doet een sierlijke oefening.

„Dat doet ze sinds Mees dood is”, zegt Arjan.

Lente: „Elke dag een paar uur.”

Arjan: „Ze zag haar kans schoon. Nu vinden we het fijn dat zij iets leuks heeft om te doen.”

Anemoon: „Het is fijn om fysiek bezig te zijn als je verdrietig bent. In je lichaam zit ook veel verdriet.”

Arjan denkt dat ook de natuur helpt bij het rouwen. „Ik heb mijn ritueeltjes ontwikkeld. Hiernaast is een plek, daar ga ik heel vaak heen.”

Annemoon: „De huilkuil.”

Arjan: „Soms komt er een soort boosheid. Dan trap ik heel hard in het zand. Dat kan hier.

Mees vond het gevoel van vrijheid op het eiland ook heel fijn, zegt Arjan. Al was hij ook een stadsmens. Hij wilde samen met zijn goede vriend Thijs gaan studeren in Groningen en voelde zich nog altijd aangetrokken tot Utrecht. „Zijn sociale leven speelde zich de laatste jaren vooral af in Harlingen, rondom school”, zegt Anemoon. „In het weekend bleef hij vaak bij vrienden slapen.”

Arjan: „Hij was er al aan toe om te studeren. Zijn vrienden noemden hem soms ‘wandelende Wikipedia’.”

Lente: „Hier aan tafel hield hij soms hele colleges over biologie, weet je nog?”

Arjan: „Mees was een slim ventje. Op de basisschool heeft hij een klas overgeslagen.”

„We hadden hem net de wasmachine uitgelegd”, zegt Anemoon. „Nu ben je helemaal af, zeiden we voor de grap.”

De deurbel gaat. Een kennis komt vragen hoe het gaat en brengt een tasje met chocoladepaaseieren.

De verleiding is groot om te blijven hangen in ‘wat als’

Monument

Arjan: „Om overeind te blijven, proberen we de positieve dingen te blijven zien. Hoe empathisch de mens is, vind ik heel hoopvol.”

Begin dit jaar werkte Mees mee aan een documentaire van zijn nicht over liefde, die nog niet af is. „Liefde betekent vertrouwen, geluk, je tegelijkertijd gebonden en vrij voelen, en er voor elkaar zijn”, zegt hij daarin. Zijn ouders proberen uit die woorden een levensdoel te halen.

Anemoon: „Je kunt in de pijn blijven hangen, maar we voelen ook ontzettend veel liefde en verbinding en saamhorigheid. Daar willen we onze aandacht op richten. We denken dat waar je op focust een keuze is.”

Arjan: „De verleiding is groot om te blijven hangen in ‘wat als’. Had ik hem moeten ophalen? Of de bestuurder… Je kunt denken: waarom heeft hij niet beter gekeken? Je kunt denken: we gaan uitzoeken wat er precies is gebeurd. Maar door het rouwen blijft er maar weinig energie over. We willen juist kijken naar de mooie dingen van Mees.”

Arjan: „Het klinkt misschien een beetje gemaakt.”

Anemoon: „Dominee-achtig. Maar toch voelen we het zo.”

Arjan: „We willen blijven kiezen voor de liefde. Met herinneringen van vroeger en door te zien wat er op het eiland en daarbuiten aan liefde en verbinding is vrijgekomen na zijn dood.”

Anemoon: „Mees heeft ontzettend veel bloemen gekregen. Na twee weken hebben we die opgeruimd. Ze liggen nu op onze composthoop en daar maken we dan vruchtbare aarde van.”

Op de plek van het ongeluk willen we een monument „van liefde, saamhorigheid en verbinding” neerzetten. „We hebben al gesproken met de burgemeester en de eigenaar van de grond en die waren heel enthousiast”, zegt Anemoon. „Het wordt geen gedenkplaats voor Mees, maar een eerbetoon aan wat er uit zijn dood is voortgekomen.”

Arjan: „Af en toe voel ik me zo ongelooflijk kut. Vroeger ging ik dan op zoek naar de oorzaak en zocht ik daar een oplossing voor, maar nu is er geen oplossing. Dat voelt bijna misselijkmakend. Ik kom er wel achter dat je daarnaast ook blij kunt zijn als je expressief bezig bent, zoals met het monument. Volgens mij is dat wat ons gaat redden.”

Het gaat nog even over het ongeluk. Het onderzoek loopt, het is niet duidelijk wat er precies is gebeurd. De automobilist, een eilander, is voorlopig weg van Terschelling, zeggen veel mensen. „Of het hem nou wel of niet te verwijten valt”, zegt Anemoon. „Hij heeft Mees niet moedwillig aangereden. Voor hem is het ook verschrikkelijk.”

Anemoon denkt na. „In het begin vroeg ik me af of het wel goed is dat ik zo rustig ben. Maar als je lijdt, is dat om je eigen lijden, dat inzicht helpt. Mees heeft geen pijn.”

Arjan: „Als ik in de natuur ben kan ik zijn dood soms relativeren. De aarde is miljarden jaren oud. Als je zestien mooie jaren hebt gehad, dan is dat ook goed. Maar misschien praat ik daar over een jaar anders over. Het is nog heel kort geleden. De hamburgers die ik voor ons had gekocht, liggen nog in de vriezer.”

„Deze ochtend was moeilijk”, zegt Anemoon de volgende dag. Ze heeft de kleding gewassen die Mees dat laatste weekend in zijn tas had, omdat hij bij Daan ging logeren. „De laatste keer dat zijn spullen in de wasmachine zaten.”