Reportage

De arme kinderen naar de voetbalkooi krijgen, zo makkelijk is dat niet

Buurtsportcoach Kinderen uit arme gezinnen sporten weinig. Gemeenten willen dat veranderen, maar het lukt niet goed. Op pad in Kanaleneiland met buurtsportcoach Nabil Azarkan (25). „Ik stuur hun gedrag bij.”

Nabil Azarkan is buurtsportcoach in Kanaleneiland, Utrecht.
Nabil Azarkan is buurtsportcoach in Kanaleneiland, Utrecht. Foto Ilvy Njiokiktjien

Al na een halve minuut moet Nabil Azarkan (25) ingrijpen. „Hé”, roept hij tegen een kind in de voetbalkooi. „Geen ‘kanker’ zeggen. Anders kun je niet meedoen”. „Ja, sorry”, zegt de jongen, en rent weer achter een bal aan. Op een scooter komen twee jongens langs. Trainingspakken aan. Ze kijken even naar het veld. „Nabil, kunnen we meedoen?” Azarkan kijkt op: „Natuurlijk. Parkeer die scooter, jas uit. We doen afvalraceje.”

Het Marco Poloplein in Kanaleneiland-Noord, Utrecht. Lage grijze flats met dichte gordijnen. Jongetjes rennen achter elkaar aan over het asfalt, dat met blauwe vlakken en witte strepen is verdeeld in sportvelden. Midden op het plein staat een groepje mannen te tennissen, een grote groep pubers staat rond een tafeltennistafel met een afgebrokkeld netje van beton naar elkaar te roepen.

Lees ook dit artikel: Overheid krijgt kind uit arm gezin al jaren niet aan het sporten

In de voetbalkooi, een Cruyff Court, gooit Nabil Azarkan een bal op de grond. Als vanzelf snelt een zwerm jongens toe. Zolang hij er is, voetballen ze fanatiek. Als hij even wegloopt, breekt meteen chaos uit. Urenlang staan ze op het veld. Tot half negen in de avond. Dan vertrekt iedereen naar huis. De zon is bijna onder. Het vasten, vanwege ramadan, wordt verbroken.

Nabil Azarkan is hier geboren, ‘op’ Kanaleneiland. Een wijk in het zuidwesten van Utrecht. Er wonen veel migrantengezinnen, armoede is een groot probleem. De helft van alle gezinnen heeft schulden. Bijna een kwart van de kinderen leeft in gezinnen die net kunnen rondkomen. Precies die kinderen probeert Azarkan aan het sporten te krijgen. Hij is buurtsportcoach. Tweeënhalf jaar geleden begon hij met het werk. Het is zijn droombaan.

„Elke dag zeg ik tegen mijn vrouw hoe gezegend ik ben met dit werk. In mijn eigen buurt kan ik kinderen structuur geven en ze helpen. Ik speelde hier vroeger ook op het plein, maar dan was er niemand om ons te begeleiden. Het was altijd chaotisch. Ik heb die structuur gemist”, vertelt Azarkan aan de rand van het veld.

Arme kinderen sporten minder

Kinderen en jongeren uit arme gezinnen sporten structureel minder dan leeftijdsgenoten bij wie thuis meer te besteden is. Dat blijkt deze donderdag uit een rapport van het Kenniscentrum voor Sport en Bewegen en het Mulier Instituut. ‘Arm’ betekent: ongeveer 2.000 euro in de maand voor een echtpaar met twee kinderen. Daarvan moeten ze alles betalen. Van de kinderen tussen de vier en elf jaar uit gezinnen met een dergelijk laag inkomen sport minder dan de helft wekelijks, tegenover ruim driekwart van de kinderen uit gezinnen met een hoog inkomen.

Gemeenten proberen al jaren de kloof te dichten. Het is namelijk niet zomaar een gegeven: kinderen die minder sporten krijgen eerder gezondheidsproblemen en hebben een lagere levensverwachting. Samen besteden gemeenten elk jaar 300 miljoen euro aan sportbeleid en het „activeren” van moeilijk bereikbare groepen. Door het hele land werken 3.600 buurtsportcoaches zoals Azarkan, die een cruciale rol spelen in dat beleid.

Laura Butselaar, expert jeugd van het Kenniscentrum Sport en Bewegen, ziet dat de buurtsportcoaches belangrijk zijn voor veel kinderen. Ze is ook kritisch op gemeenten, die de algemene trend nog niet kunnen keren. „Ambtenaren moeten achter hun bureau vandaan komen en nog beter kijken hoe ze deze kinderen enthousiast kunnen maken voor sport. Het is geen makkelijke doelgroep, maar wel een die je via sport kunt raken. Sport kan ook een belangrijke manier zijn om problemen in een gezin op te vangen. Een kind kan bijvoorbeeld vertellen over schuldenproblematiek, waardoor er hulp ingeschakeld kan worden”, zegt ze.

Op Kanaleneiland, zegt Azarkan, is „bijna iedereen arm”. Het speelt in zijn werk niet zo’n grote rol, want zijn trainingen zijn gratis. Toch ziet hij het soms. „Een jongetje in de wijk heeft bijvoorbeeld speciale schoenen nodig, omdat zijn voeten niet helemaal recht staan. Hij heeft pijn tijdens het sporten. Maar voor die schoenen is geen geld. Dat is moeilijk om te zien”, vertelt Azarkan.

Buurtsportcoach Nabil Azarkan: „Ik speelde hier vroeger ook, maar er was niemand om ons te begeleiden.” Foto Ilvy Njiokiktjien

Precies die kinderen verliest hij soms uit het oog. Net als kinderen met bijvoorbeeld overgewicht – iets dat in lagere sociaal-economische milieus vaker voorkomt dan gemiddeld. Azarkan: „Die jongeren zitten binnen te gamen, soms zijn ze depressief. Zonder ons zouden ze nooit buiten komen. Dat is ook spannend, want ze worden soms gewoon gepest omdat ze zwaarder zijn. Zo gaat het op straat hè, het recht van de sterkste. Als ze dan wél komen, zorg ik dat zij bijvoorbeeld de partijen mogen kiezen. Dan blijven ze niet als laatste over en krijgen ze niet weer een mentale tik.”

Gedrag bijsturen

Hij hoort veel van de jongens, voor velen is hij een vertrouwenspersoon. Het jongetje dat komt voetballen, maar tegelijkertijd op zijn zusje van één jaar moet passen, vertelt over de problemen thuis. Groot gezin, een vader die werkt, een moeder die altijd thuis is, maar niet altijd aandacht voor alle kinderen kan hebben – zo groeit bijna iedereen hier op. Azarkan ziet sommige kinderen een beetje ontsporen. „Ik probeer hun gedrag bij te sturen, op heel jonge leeftijd al. Dat schelden bijvoorbeeld. Sommige jongetjes weten letterlijk niet wat kanker is, voor hen is het puur een stoer woord. Ik leg ze dan uit dat er mensen aan doodgaan, misschien wel mensen die ze kennen. Bij sommigen komt dat binnen”, vertelt hij.

Azarkan geeft ook trainingen in Leidsche Rijn, de grote Vinex-wijk van Utrecht. De meeste gezinnen zijn er welvarend. Kinderen zijn er veel vaker lid van een sportvereniging dan op Kanaleneiland. Hij hoeft ze minder uit te leggen. „Als ik hier op het Marco Poloplein heb gestaan is mijn energie helemaal op aan het einde van de avond. In Leidsche Rijn luisteren kinderen beter. Je kunt met ze hockeyen, basketballen, allerlei sporten doen. Hier willen de kinderen voetballen. Als ik hier zou gaan hockeyen, dan kwamen ze nooit meer.”

Rond de voetbalkooi verzamelen zich steeds meer jongeren. Scooters ronken, ze hangen over de hekken, schreeuwen, grappen. Maar als Nabil Azarkan iets zegt is het stil. „Ga die bal eens pakken”, zegt hij als iemand over het hek heeft geschoten – het wordt meteen gedaan. Hij ziet hier vaak dezelfde gezichten, al hoopt hij ook kinderen en jongeren die níét sporten hier naartoe te krijgen. Aan scholen en de moskee laat hij altijd weten waar hij training geeft. Dat helpt.

„Ik wil het goed doen voor de kinderen in de wijk. Ze hebben dat nodig”, zegt Azarkan. „Zelf ben ik jong volwassen geworden. Mijn broer is een paar jaar geleden overleden. De politie stond ineens aan de deur. Hij had een auto-ongeluk gehad. Ineens was ik de oudste zoon thuis. Ik was altijd een beetje speels, maar dat was meteen verdwenen. Ik ben me ook meer gaan verdiepen in het geloof. Nu ben ik serieuzer, ik wil problemen in de wijk oplossen. Zo kan de dood van mijn broer toch nog iets moois opleveren.”