Opinie

Een spuitjein de RAI

Frits Abrahams

Om inentingen, met welk vaccin ook, had ik me nooit eerder druk gemaakt, maar toch voelde ik enige nervositeit toen ik me zaterdag voorbereidde op mijn eerste coronaprik in de Amsterdamse RAI.

Het was te merken aan de herhalingsdwang bij mijn handelingen. Had ik alles wel bij me? Rijbewijs? Gezondheidsverklaring? Afspraakbevestiging? Ik had het al twee, drie keer nagekeken, maar misschien had ik een van die onontbeerlijke documenten in de tussentijd – om ze niet te vergeten! – elders gedeponeerd. En was het wel verstandig wanneer ik als identiteitsbewijs alleen mijn rijbewijs meenam? Stel je voor dat ik het onderweg verloor… kon ik niet beter óók mijn paspoort meenemen?

Ook besloot ik een half uur eerder dan strikt nodig op pad te gaan, want waren er niet onlangs onverwacht metrostoringen geweest? Je zult het zien: net als je de kans krijgt je eigen leven te redden, verschijnt op het metrostation de dodelijke melding: „Alle treinen uitgevallen.”

Je probeert nog een taxi te krijgen maar ook andere vaccinklantjes zijn, net iets eerder, op dat idee gekomen. Dan maar de fiets. Bezweet meld je je ruim een uur te laat bij de RAI. „Helaas, de Pfizer is op”, zegt een medewerker die de lege wachtruimte schoon bezemt. „Er is alleen nog een bodempje AstraZeneca.” Hij zegt het met de achteloosheid waarmee de barkeeper zijn biersoorten opsomt.

Wat zou ik in dat geval doen? Zelfs die vraag doemde nog bij me op terwijl ik al in de metro naar de RAI zat. Het lijkt de vraag van een ongeneeslijke neuroticus, maar wie wordt er geen neuroticus als hij maanden nagelbijtend op zijn vaccinafspraak moet wachten?

Gelukkig had ik kort voor mijn vertrek naar de RAI in Het Parool een interview met de altijd glasheldere internist Marcel Levi gelezen; tot voor kort was hij directeur van het grootste ziekenhuis van Londen. Daarin zegt hij wat hij een dag later in andere bewoordingen ook op tv in Buitenhof zou zeggen: „Met vijfhonderd specialisten uit de hele wereld hebben we een WhatsApp-groep om kennis uit te wisselen. Toen de regering plotseling een prikpauze instelde, zeiden we tegen elkaar: wie is er iets gevraagd? Niemand. Ze laten zich gewoon niet adviseren door mensen die er verstand van hebben. Iedereen praat hier door elkaar, en dan zijn ze ook nog eens anderhalve maand te laat begonnen met vaccineren. In Engeland is geen enkele twijfel over As-tra-Ze-ne-ca. Daar wordt het met volle tevredenheid gegeven.”

Geruststellende woorden voor mensen die op AstraZeneca zijn aangewezen. Levi – dit terzijde – is lid van de PvdA. Op de vraag of hij minister van Volksgezondheid wil worden, zei hij al twee jaar geleden in een radio-interview: „Ja.” Kennelijk is er, afgezien van mijn vrouw, toch nog iemand die de PvdA kan redden. Levi voelt nog het meest voor een nieuwe linkse partij, maar dat is wel te regelen met PvdA en GroenLinks.

In de RAI was het ’s middags opvallend rustig, alsof de pandemie in Amsterdam even op adem wilde komen. De organisatie, „dat mag ook weleens worden gezegd”, was perfect, we kregen efficiënt ons spuitje Pfizer.

„Eindelijk”, zei de assistente, meteen nadat ze mij had geprikt. Ze zal het tegen iedereen hebben gezegd, maar dat gaf niet – dit was in deze situatie veruit het toepasselijkste woord.