Opinie

Stop met die kiloknallers van steen

Architectuur Efficiëntie en optimalisatie zijn de norm geworden voor elke sector van de architectuur. Innovatie en duurzaamheid krijgen weinig kans, observeert , laat staan variatie.
Bouw van woontoren De Zalmhaven in het Rotterdamse Scheepvaartkwartier.
Bouw van woontoren De Zalmhaven in het Rotterdamse Scheepvaartkwartier. Foto ANP

Ik groeide op in de jaren tachtig in een typische jaren-zeventig tweekapper die mijn ouders als starter kochten, maar die ook levensloopbestendig bleek. Ze wonen er nog steeds. Terwijl ik groeide, groeide ook de rijkdom om mij heen. Dat het alleen maar beter zou worden, was vanzelfsprekend.

In de zomers kampeerden wij aan de noordkust van Bretagne. De omgeving bestond uit duizelingwekkende rotspartijen met ver beneden de kolkende zee. Tegen het decor van dat uitgesproken landschap maakte mijn vader landschapskunst met wat hij lokaal aantrof, zoals schelpen, stenen en aangespoeld materiaal. En ik hielp hem. Als het af was, lieten we ons werk achter, overgeleverd aan de sterke getijdewisseling. De volgende dag troffen we zonder uitzondering een tabula rasa.

Hoewel passanten meestal bewondering toonden, wisten ze zich soms ook geen raad met onze activiteiten. Door hun vragen naar wat we aan het maken waren en waarom, bekroop me een oncomfortabel gevoel van nutteloosheid.

Maar die zogenaamde nutteloosheid bleek een levensles. Op de Bretonse stranden leerde ik over evolutie en erosie, over natuurlijke verhoudingen en de gulden snede. Over structuren en texturen en over de werking van licht en schaduw. Over zwaartekracht en de verschoningskracht van de natuur. Over kennis en vakmanschap. Over vertrouwen op je intuïtie en het nut van experimenteren. Over dat je pas weet wat je zoekt als je het gevonden hebt. Over ontwerpen.

Terwijl ik uitgroeide tot architect, groeide het marktbelang om mij heen. Efficiëntie en optimalisatie werden ongemerkt de norm in elke sector van mijn vak. Vooral binnen de ontwerpopgave voor woningen heeft dat beperkende gevolgen gehad.

Lees ook: Hoe de overheid zelf de woningnood creëerde

Betaalbare woningen

Overheden deden hun volkshuisvestelijke kennis in de uitverkoop en lieten de afgelopen decennia woningbouw over aan de markt. En niet zonder succes. Als Nederlandse bouwsector zijn we in staat gebleken om snel betaalbare woningen te bouwen van relatief hoge bouwkwaliteit. Maar marktpartijen zijn niet gericht op wonen als grondrecht. Voor marktpartijen is wonen een verdienmodel. Zij of hun aandeelhouders hechten primair waarde aan winstmaximalisatie. Ze sturen daarom op aantallen en vragen architecten, bij wijze van risicobeheersing, te werken binnen gekende mogelijkheden van uitgeklede standaarden.

In de dagelijkse ontwerppraktijk is het daardoor nauwelijks mogelijk om op grote schaal en in een stevig tempo duurzame verandering op gang te brengen binnen de massa woningbouw. Niet door gebrek aan goede ideeën, maar omdat ze afwijken van de gecalculeerde norm. Vijfendertig jaar na Bretagne ervaar ik dat de kwaliteit van zoeken, die mij met de paplepel werd ingegoten, is geperverteerd tot een te managen risico. Innovatie en duurzaamheid krijgen maar weinig kans, waardoor we blijven terugvallen op meer van hetzelfde.

Zo maakt het oer-Hollandse massaproduct van de grondgebonden woning met een beukbreedte van 5,4 meter in lage dichtheden land op, en dicteert het de woonnorm aan cultureel divers Nederland. Dat nog altijd op deze manier in grote hoeveelheid wordt geproduceerd, komt doordat het gemakkelijk bouwen is en daardoor aantrekkelijke opbrengsten genereert. Het is een slim verdienproduct dat kan rekenen op een sterke lobby, met betaalbaarheid en snelle bouwproductie als excuus.

Woontorengekte

Net zo schraal is de woontorengekte, met steeds kleinere studio’s als het marginale antwoord op de groeiende onbetaalbaarheid van woonruimte. De naam ‘prestarter’ zou niet misstaan voor de doelgroep die in deze hippe torens te dure en te kleine eenheden bewoont. De vraag wat nu eigenlijk het ‘existenz-minimum’ is en hoe je dat zou kunnen ondersteunen met slim inbouwmeubilair, dringt zich steeds vaker op. Maar anders dan tijdens het interbellum is het een ontwerpvraag die niet meer gesteld mag worden, aangezien inbouwmeubilair geen onderdeel meer is van het woningontwerp.

Nieuwbouwwoningen zijn net kilo-knallers van steen. De onafgewerkte woningen worden met flitsende visualisaties als zoete broodjes verkocht op een hongerige markt. Maar ze worden nog altijd in CO2-uitstotend en inflexibel beton gegoten en gebouwd op basis van een korte economische levensduur. Is de hypotheek afbetaald, dan ben je toe aan groot onderhoud. En onder invloed van de door de markt uitgevonden ‘wooncarrière’ worden bij elke verhuizing keukens, badkamers en afwerkingen compleet vernieuwd. Die particuliere verkwisting blijft buiten beschouwing in de duurzaamheidsmeters van nieuwbouwprojecten.

Duurzame woningproductie

En tot slot is de opkomende trend van gestandaardiseerde fabriekswoningen in het beste geval de start van een meer duurzame of schone woningproductie. Maar het laat ook zien dat we door optimalisatie en efficiëntie en omwille van het verdienmodel alleen nog zoeken naar enkelvoudige oplossingen voor het individuele probleem van een dak boven het hoofd. De straat en de wijk zijn de schamele sluitpost. Terwijl de Nederlandse volkshuisvestingstraditie zowel geroemd werd om de voortreffelijke huisvesting als om haar goed ontworpen en karaktervolle stadsbuurten. Die gedeelde ruimte voor collectieve herinneringen is onbetaalbaar geworden.

De actualiteit van een woningbouwopgave van één miljoen woningen tegen een achtergrond van klimaatverandering en groeiende ongelijkheid wringt met de beperkingen van het systeem. Je weet immers pas wat je zoekt als je het gevonden hebt. Zo zou de vertrouwde eendimensionale sturing op winstmaximalisatie ter compensatie van het (financiële) risico bijvoorbeeld bevraagd moeten worden.

Nu we als samenleving oog krijgen voor een breder waardesysteem, wordt immers duidelijk dat we collectief risico lopen op nadelige gevolgen van de huidige woningbouwproductie, zoals een verstoord ecosysteem, onbetaalbaarheid, ongelijkheid, te kleine woningen of helemaal geen woning, hittestress en te veel CO2. Het afzetrisico van woningen binnen een markt met zo’n enorm tekort wordt in die context relatief. Om wonen weer als grondrecht te zien, is een inclusievere weging van waardes en risico’s nodig.

Die noodzaak van één miljoen woningen is een kans om als woningbouwsector op zoek te gaan naar nieuwe, duurzame standaarden die zowel waardevast als waardevol zijn. De vraag is hoe we in 2040 wonen als we nú de spreadsheet eens loslieten en de realiteitszin omarmden. Het kan alleen maar beter worden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.