Recensie

Recensie Boeken

Een wat slapjanussige middelbare man die zich overbodig geworden voelt (●●●●)

Wouter Godijn Nederland dreigt kopje-onder te gaan, met man en muis. In het relaas van een overbodig geworden man viert desondanks het speelse hoogtij.

Illustratie: Paul van der Steen

Grappige scène aan het begin van Karina of de ondergang van Nederland: de hoofdpersoon is net thuisgekomen na een busritje heen en weer naar de kust. Daar zag hij met eigen ogen dat werkelijkheid was geworden wat al jaren dreigde: de zeespiegel is gestegen. Nu staat hij in de keuken bij zijn vrouw Karina, die bezig is aan het aanrecht, het ligt ‘vol kleurrijke zaken, voedsel bedoel ik, er was vis bij, roze brokken vis, allerlei soorten groente’ en hij wil vertellen. Maar ze staat te koken. Maar het is dringend. Hij begint, zoekt, haspelt met onbenulligheden, beschrijft ‘het zeewier, het afstervende gras, de schelpen’. En Karina reageert half afwezig (‘Zei je nou dat je schelpen hebt gezien?!’), want ze staat dus te koken, en valt dan uit: ‘Als je nou… Ik kan me nu niet concentreren op wat je zegt! Je timet altijd zo slecht!’

Dat is een geestige, huiselijke ruzie, maar de scène is vooral zo goed omdat hij metaforisch te lezen is, op meerdere niveaus. Het is een beeld van hoe het klimaat een moeizaam gespreksonderwerp is – die zeespiegelstijging, ja, het komt nu écht slecht uit, sorry. En het is een tragikomisch symbool voor het punt waarop het huwelijk van de (naamloze) hoofdpersoon en Karina beland is. En ik las er ook een zelfkritisch plaagstootje in (wellicht onbedoeld): een roman over een wat slapjanussige middelbare man die zich overbodig geworden voelt, is niet héél lekker getimed. Van zachtmoedige mannen die overstemd worden door gebrul van buiten, stroomt het Nederlandse literaire landschap momenteel over (denk: Te Gussinklo, Van den Berg, Van Straten, Van Dis).

Literair vuurwerk

Maar goed, we hebben het hier wel over de zevende roman van Wouter Godijn (1955), bij wie doorgaans genoeg te halen valt om je over eventuele thematische tegenzin heen te kunnen zetten. Literair vuurwerk – ook nu weer. Speels en beeldend is de taal: bij Godijn kan op een gezicht van een personage een ‘kipnuggetslach’ of een ‘slimme-eekhoornenuitdrukking’ staan, of juist een ‘overleggen-over-de-boodschappen-achtige’ blik, of er fonkelt zilverachtig ‘knipperlichtzweet’ op een zomers lichtbruine huid – ‘(een béétje oranjerood door het bruin mengen, lezer)’. Zijn verbeelding maakt de dingen mooier, beter. Dat gefantaseer heeft ook een keerzijde, want je kunt met je verzinsels zomaar grenzen overschrijden: van de waarheid, van het betamelijke. Daar geeft de verteller zich rekenschap van in een metafictioneel lijntje, waar hij bespiegelt over wat hij aan het vertellen is, en hoe – denk aan hoe schrijvers als Arie Storm en Rob van Essen dat doen.

Die elementen zorgen direct voor een fijne gelaagdheid in de roman: er wordt hier niet klinkklaar verteld, er wordt over nagedacht – en soms dreigt de vertelling voor de verteller uit te snellen. Zo verdwijnt er meer achter zijn horizon: zijn vrouw zegt hem de wacht aan, zijn gezondheid laat te wensen over, zijn vaderlijk gezag verkruimelt, en er is een ondemocratische populist aan de macht, en, tja, die zeespiegel…

Die opeenstapeling van verliezen maakt Godijn interessant door alles metaforisch met elkaar te laten samenhangen, door het persoonlijke en het politieke sterk te verbinden. Veelzeggend is de ‘heimwee’ die de schrijver voelt naar de apathie van vóór de ondemocratische machtsovername: ‘Zelfs als er honderdduizenden mensen de straat op zouden gaan, zou er niets veranderen. […] Het maakte niets uit op welke partij je stemde.’ Een actuele schimpscheut, en des te pijnlijker omdat er zijn apathie tegenover zijn zieltogende huwelijk in doorschemert.

Evenzeer verlangt hij terug naar de argeloosheid waarmee hij ooit verliefd werd op Karina, naar hun verliefdheid en eerste seks. ‘Knorrende varkens én engelen waren we, op één en hetzelfde moment, in één en dezelfde handeling’, schrijft Godijn, die weldadig losgaat op de begeerte die een genot én een beetje goor is: hoe hij ‘haar goudblonde schaamhaar kuste (de geur en de smaak van zout en vis en ook iets dierenwinkelachtigs)’. Daar lééft zijn tekst bij uitstek. Zoals Godijn in zijn roman De kamer waar alle verhalen beginnen (2019) de registers van allerlei literaire genres inzette, zo heeft hier de stijl van de vervoering maximaal effect.

Ondemocratische verleiding

Tegelijk zinspeelt Godijn erop dat zo’n seksscène, vanuit de man bezien en plastisch opgetekend, in de huidige tijd niet als louter onschuldig en heerlijk zal worden gelezen – male gaze! Dat thematiseert Godijn: de verteller loopt vaker op z’n tenen, vanwege wat er naar zijn idee eigenlijk niet meer gezegd kan worden. Het goede van Karina of de ondergang van Nederland is dat dit niet blijft hangen in een gratuite klacht, maar tot hoofdthema uitgroeit.

Het zet bovendien het buitelende eindspel van de roman in gang. Dat begint ermee dat de hoofdpersoon betrokken raakt bij een soort roofoverval (dat het een sóórt roofoverval is, tekent hoe kolderiek deze roman óók blijft). Dat doet een politiek-incorrecte opvatting bij hem ontbranden, waarover hij dan op televisie bij De Wereld Draait Door mag vertellen. Daar drijft Godijn het zeggen-wat-je-vindt tot het uiterste: de verteller zweept zichzelf zo op dat waar hij altijd voor stond er niet meer toe doet. ‘Waarom kwamen mensen die in een democratie leefden in de verleiding hun vrijheid op te geven?’, vraagt de schrijver zich een ogenblik later af – en hij geeft een geweldig antwoord, dat alles in de roman min of meer samenknoopt.

Zo helt Karina of de ondergang van Nederland dan wel sterk over naar het politieke: de liefde, de vervoering en de zinderende taal ruimen het veld. Dat vond ik jammer, maar tegelijk maakt het Godijns onderneming niet minder geslaagd. Hij schreef een roman waarin echt iets op het spel staat en die tegelijk zeer speels is – en erg goed getimed, trouwens.