Opinie

De illusie van een inclusieve Verlichting

Ideeëngeschiedenis Racisme bij liberale Verlichtingsdenkers is niet te negeren, schrijft .
Schilderij van Lemonnier: Lecture de la tragédie ‘L’Orphelin de la Chine’ de Voltaire dans le salon de madame Geoffrin, en 1755’. Voltaires L’Orphelin de la Chine is een tragedie over Dzjengis Khan.
Schilderij van Lemonnier: Lecture de la tragédie ‘L’Orphelin de la Chine’ de Voltaire dans le salon de madame Geoffrin, en 1755’. Voltaires L’Orphelin de la Chine is een tragedie over Dzjengis Khan.

De Verlichting wordt steeds vaker geassocieerd met racisme, schreef Ian Buruma vorige week in NRC, in het bijzonder door de „woke-cultuur”. Hij betwijfelt of het zinvol is „ras te betrekken bij de Verlichting”. Dit maakt ons namelijk blind voor wat hij ziet als een centrale eigenschap van ‘de’ Verlichting: interesse voor andere culturen. Voltaire mag dan wel vreselijke dingen hebben gezegd over zwarte mensen, hij las wel graag Perzische poëzie.

De oproep om de Verlichting en ras niet met elkaar in verband te brengen doet onwetenschappelijk aan en het idee dat de Verlichting gekenmerkt wordt door inclusiviteit is naïef. Ras speelde in die tijd, samen met etniciteit, cultuur en religie, een belangrijke rol in het afbakenen van Europa als het rijk van rede, vrijheid en moraal. Buruma herhaalt in zijn essay een bekend standpunt: Verlichtingsdenkers hielden er misschien wel racistische ideeën op na, maar wie had die eigenlijk niet in de achttiende eeuw? Deze ‘blinde vlekken’ kunnen we negeren om ons te richten op de ‘universele aanspraken’ en ‘kosmopolitische interesse’ die de Verlichting ten diepste kenmerken.

Deze manier van denken heeft ervoor gezorgd dat bijvoorbeeld de hiërarchische indeling van menselijke rassen van Immanuel Kant, Verlichtingsdenker bij uitstek, lange tijd nauwelijks aandacht kreeg en volledig werd losgekoppeld van zijn universele ethiek. Zijn denigrerende beschrijvingen van niet-witte rassen en niet-Europese volkeren vervullen echter een centrale rol in zijn filosofie en kunnen daaruit niet zomaar worden weggesneden.

Typische Oosterlingen

Kant ontwikkelde zijn ideeën over rede, vrijheid en moraliteit in directe oppositie met het Jodendom. Omdat Joden zich aan geopenbaarde wetten onderwerpen en zich laten motiveren door materiële beloningen, zijn zij volgens Kant niet in staat op basis van rede, en dus op autonome wijze, morele principes te formuleren. Dit lijkt een religieuze kritiek, maar volgens Kant maken deze eigenschappen de Joden ook tot typische „Oosterlingen”. Oriëntaalse volkeren werden door Kant net als vrouwen en niet-witte rassen niet in staat geacht hun eigen lichamelijkheid te overstijgen en vallen daardoor buiten het domein van de rede.

Niet alleen ideeën over rassen en volkeren, ook die over kolonialisme hebben een centrale plek in het werk van Verlichtingsfilosofen. John Lockes invloedrijke theorie van bezit kan niet los worden gezien van zijn betrokkenheid bij het koloniaal beleid van Groot-Brittannië. Zijn ideeën hadden de bedoeling koloniale veroveringen te legitimeren en ondersteunden het idee dat de oorspronkelijke bewoners van Amerika geen aanspraak konden maken op het land waarop zij leefden.

Lees hier het essay van Ian Buruma terug: Verlichting is juist: interesse in andere culturen

Verlichtingsfilosofen als Kant en Locke hebben een grote invloed gehad op de ontwikkeling van het liberale denken. Buruma’s oproep ideeën over ras buiten beschouwing te laten en ons te richten op de universele aspiraties van de Verlichting is daarom niet alleen geschiedvervalsing, maar maakt ons ook blind voor belangrijke vragen over het heden: wie zien wij in Europa als vrij, autonoom en redelijk? Welke groepen vallen daarbuiten? En op welke manier is ons denken over rechtvaardige bezitsverdeling beïnvloed door een koloniale geschiedenis?

Universele moraal en diversiteit

Buruma doet de interesse voor de raciale dimensies van de Verlichting af als een uitvinding van een door hem niet erg duidelijk gedefinieerde groep critici geïnspireerd door ‘woke-cultuur’. Terwijl in Nederland Forum voor Democratie universiteiten al langere tijd van het ondermijnen van de westerse samenleving beschuldigt, en in Frankrijk en Groot-Brittannië de overheid haar vizier op universitair onderzoek naar structureel racisme, islamofobie en al te kritische beschouwingen van het koloniale verleden richt, had het Buruma gesierd zijn tegenstanders zorgvuldiger aan te wijzen en daarbij pal te staan voor academische vrijheid.

Het is ten slotte ook belangrijk om op te merken dat kritiek op de uitsluitende tendensen in het gedachtegoed van Verlichtingsdenkers absoluut niet nieuw en modieus is. De Joodse denker Moses Mendelssohn zette in de achttiende eeuw al vraagtekens bij het zogenaamde universalisme van Kant. Mendelssohn vond dat we geen overeenstemming moesten veinzen omdat diversiteit overduidelijk de bedoeling was van de schepping. „Waarom zouden we onszelf onherkenbaar maken voor elkaar”, vroeg hij, „juist op die gebieden die zo belangrijk voor ons zijn. Een masker dragen terwijl God ons niet voor niks allemaal een ander gezicht gaf.” Hij formuleerde hiermee een zeer kritisch antwoord op Kants idee dat iedereen uiteindelijk één universele religie moest omarmen die samenviel met zijn universele, redelijke moraal.

Mendelssohns kritiek is precies gericht op de illusie van een inclusieve Verlichting waar ook Buruma zich door laat verleiden. In het gedachtegoed van veel Verlichtingsfilosofen is voor écht verschil geen ruimte. Tweehonderd jaar later zouden we onderzoek naar de uitsluitende mechanismen in de Verlichting moeten aanmoedigen in plaats van onder het tapijt vegen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.