Mijn hele leven zit in die vleugel

Steinway De vleugel van zijn moeder was de enige plek waarop de spanningen in de familie nimmer vat kregen, schrijft . „Mijn moeder sprak nooit over haar frustraties of angsten. Zij speelde.” Die vleugel mag nooit meer weg.

Foto Daniel Niessen

Tussen de bedrijven door speel ik piano, mijn Steinway-vleugel is het instrument waarmee ik opgroeide. Hij was van mijn moeder, naar een idee van mijn vader. Hij vond dat ze met haar aanzienlijke talent het recht had op een eersteklas instrument. „Ach jongen, ze speelde zo mooi. Ze verdiende een Steinway.” Die kocht hij voor haar, met twee persoonlijke leningen financieel op het randje, de grootste liefdesdaad van zijn leven. De elitair glanzende Steinway O verloste haar van een oude witte Steck, een krijgertje dat pianolarollen afspeelde. Er zijn nog foto’s van, met mij op de kruk. Daar zit ik, twee en al bezeten van muziek. Ik zie dat kind gelukkig kijken. Alles is voorbeschikt. Ook Steinways.

Mijn vader – muzikaal, maar zelf geen pianist – belde Bender in Amsterdam, de deftigste pianozaak van Nederland, en plaatste à raison van 24.000 gulden iets te plompverloren de bestelling. De Bender-man bestreed hautain geaffecteerd zijn enthousiasme: „Zou u niet eerst eens komen spelen?” Waarop mijn vader, Amsterdam-West 1940, met vermoedelijk een licht wraakzuchtig Amsterdams accent: „Het is toch een Steinway, het beste van het beste?” Er kwam een O en dat was dat.

Foto privé-archief

Hij kwam als geroepen. Mijn moeder was een uitstekende lerares Frans maar een nog betere pianiste. Van haar vader had ze niet naar het conservatorium gemogen, want het muzikantenbestaan was een maatschappelijk ongewenste keuze, en zij had zich geschikt. Ik hoor haar nog de geschiedenis van dit verbod trompetteren op de militante toon die onverklaarbaar contrasteerde met haar nietige, haast weerloze verschijning. „Dat accepteerde je gewoon! Hij was een potentaat! Hij dacht: Het is maar een meid, daar heb je toch niks aan! Zo dacht hij!”

Later braken vader en dochter. Hij vond mijn vader te min, sprak zich laatdunkend uit over zijn rechtenstudie, een studie voor proleten vond hij, en zij herstelde nooit van de verbittering. Nog zie ik haar stijf van kramp bij opa’s kist staan. Ik: „Je huilt niet.” Zij: „Nee. Hij heeft het verpest.” Op dat moment herinnerde ik me de muziekavonden bij ons thuis, met de renaissancemuziek die we speelden op gamba’s die hij had gebouwd. Ik had een beetje basgamba leren spelen en deed mee. In de discussies na afloop over het Cultureel Supplement, de lat lag hoog, was een geweld dat ik als kind verbijsterend normaal vond. Vader en dochter bestreden elkaar op leven en dood. En vaak won zij, formidabele debater als ze was.

Ze leken op elkaar. Dominant en rechtlijnig, aardig en charmant zolang je aan hun strenge maatstaven voldeed. Humor en authenticiteit verlaagden de drempel, maar je kon maar beter wel iets kunnen, want dat konden ze zelf ook. Zo gaan die dingen. Hij een selfmade intellectueel uit een kansloos nest, zij het wrekende kind van de rekening. Hij, die met zijn intellect en artisticiteit ontsnapte aan een fundamentalistisch biblebelt-milieu, die zichzelf cello leerde spelen en na zijn pensionering een bekwame instrumentenbouwer werd. Hij, die uitgerekend zijn muziekbegaafde dochter tot een burgerlijk bestaan veroordeelde en haar voedde met de wrok die hem de weg naar de bevrijding had gewezen. Geen ideaal gezelschap voor een neurotisch kind met faalangst. Op mijn vijftiende zei ik: „Ik geloof wel dat ik ergens een talent voor heb, maar ik weet niet wat het is.” Zij: „Als je talent had, was dat allang gebleken.”

Wat ik bedoelde, zonder het te weten, was dat ik zou gaan schrijven, en dat een schrijver op zijn vijftiende zijn métier nog niet beheerst. Ze excuseerde zich pas tien jaar later, toen ze me als taalmens eindelijk voor vol aanzag. Ik heb geen trauma. Het hielp haar te beschouwen als een jonger zusje dat soms zomaar boem zei. Via de Steinway en haar Mozart hoorde ik wie ze was, dat telde. Ik hoorde een in onze kringen door principes en erfelijke woede vermoorde zachtmoedigheid. Ik hoorde daar een ernstig kind naïef exact de waarheid zeggen.

Zo hadden wij sinds 1974 een Steinway-vleugel, die ik vanaf mijn negende dus ook bespeelde. Op een flat. Niet handig. Mijn moeder speelde drie uur per dag, ritmisch begeleid door getik op verwarmingsbuizen van geïrriteerde buren. Ondankbare honden. Ik heb weinig betere musici gekend. Haar Bach en Mozart waren magisch, zacht en geconcentreerd. Haar techniek was van een foutloze souplesse. Tegen muzikaliteit ben ik weerloos. De overlast was een versmaad privilege. Gelukkig troffen we het beter met de nieuwe buren in ons eerste rijtjeshuis. Op een dag hoorde ik op bezoek bij buurvrouw Mak dwars door de spouwmuur heen mijn moeder Mozart spelen. „Het is alsof ze in de kamer staat”, zei ik geschrokken. „We vinden het niet erg”, zei buurvrouw Mak, „ze speelt zo mooi dat we er altijd van genieten.”

Voltooid verleden tijd. Want ze is dood. In september 2003 werd mijn moeder in de week van haar vervroegde pensionering fataal gediag-nosticeerd op slokdarmkanker in een vergevorderd stadium, einde verhaal. Bij haar afscheid op school sprak ze er met geen woord over, dat vond ze emotionele chantage. Glimlachend las ze de bedankbriefjes van leerlingen, die massaal naar haar crematie zouden komen, de moeders die ze op de moedermavo tot bewustzijn had geschopt, een generatie vrouwen van gemiste kansen. Partir c’est mourir un peu, schreven ze, omdat de juf Frans gaf. Wisten zij veel.

Foto’s Daniel Niessen

De arts gaf haar acht maanden, die ze tot op de dag heeft gehaald. Met bucketlists hoefden we niet aan te komen. Ze had maar één wens. „Er zijn nog drie Bach-concerten die ik niet heb gespeeld, wil je die voor me aanschaffen?” Dat deed ik. Vervolgens zag ik haar dagelijks onbeweeglijk aan de vleugel zitten met de rust die haar explosieve natuur alleen de muze gunde. Mijn moeder sprak nooit over haar frustraties of haar angsten. Mijn moeder speelde. Om te zien wat ze erbij voelde hoefde ik alleen maar die intense, altijd kinderlijk gebleven ogen te bespieden. „Beethoven kan ik niet meer aan”, zei ze dan, „er moet rust zijn.” Binnen drie weken had ze de concerten in de vingers. Toen had ze op de orgelwerken na alles gespeeld wat Bach voor toetsinstrumenten had geschreven. „Zo”, zei ze, „nu ben ik klaar.”

„Ben je tevreden met je leven?”, vroeg ik bot. Retorische vraag. „Ja. Ik heb mijn best gedaan.”

„Ben je niet verdrietig dan?”

„Soms zie ik voor het raam een vogel vliegen, dan word ik melancholisch. En jullie kindertjes, daar denk ik aan. Verder gaat het prima.”

Dan moest je niet doorvragen. Het leven was een huis dat niet mocht instorten. Als mijn vader zijn verdriet uitsprak zei ze kortaf: „Jij ziet tenminste je kleinkinderen opgroeien.” Al gaf ze toe: „Voor hem is het moeilijker. Voor mij is het overzichtelijk. De dood is een feit.”

Intussen balsemde ze sub rosa toekomstige wonden. Ze hield speciaal voor hem een iets te vrolijk dagboek bij, zodat hij na haar dood zou zien dat ze niet had geleden. Een maand voor haar dood schreef ze, ter herinnering, met dezelfde intentie nog lieve sprookjes voor mijn kinderen. Ik vond ze laatst terug, met aandoenlijk mooie tekeningen, want dat kon ze ook. Nou niet sentimenteel worden. Ik zeg trots: fier tot haar laatste adem. Eergevoel, dat was een woord van haar. Niemand die het zo gedecideerd kon uitspreken als zij.

Foto’s Daniel Niessen

In mei 2004 stierf ze met een kalm geweten; mission accomplished. Er moet een dag zijn geweest waarop ze voor het laatst pianospeelde. Ik wil daar niet aan denken. Dat instrument, daar gaat het om, werd het symbool van wat ze was. Haar muzikaliteit, haar trots, die onverbiddelijke discipline. Haar raison d’être, zei ze zelf.

Dat symbool is sinds haar dood het mijne. De dag waarop de Steinway aankwam zal ik niet vergeten. Vriend L., een echte pianist met magisch scherpe oren, testte het erfstuk en zei: „Deze is alleen zacht bespeeld.” Dat was waar. „Jouw moeder is een zeer artistieke vrouw”, had haar en later ook mijn pedagoog Karel Hilsum me gezegd, „maar ze speelt nooit harder dan mezzoforte.” Ik was geroerd. Op een raadselachtige manier had L., die het inwendige van mensen en dingen ruikt als een drugshond coke, de ziel van mijn moeder in dat instrument geproefd. Die ziel dwong me haar maatstaven te handhaven. Vanaf dat moment speel ik even intensief als zij. Niet eens uit plichtsbesef. Muziek is ook mijn raison d’être. Bach is ook mijn eerste taal, die ik als peuter leerde spreken op de Steck, en dankzij haar in heel zijn magische bereik heb ondervonden. Het hele Wohltemperierte Klavier, alle partita’s, de Franse en Engelse suites, de toccata’s, de Goldbergvariaties. En op de valreep de concerten, die ik in de geërfde bladmuziek op een dag weer tegenkwam.

In de partituren deed ik een merkwaardige ontdekking. Mijn notoir onpsychologische moeder had op ingeplakte 3M-velletjes in dat precieze schooljuffenhandschrift haar visie op gesprekken met bezoekers opgetekend. „Wat wij moeten doormaken. Ik maak voorlopig niets door. Ik leef, ik handel.” Ik hoorde haar sopraan trompetteren en schoot met tranen in de ogen in de lach. Na zo’n waarschuwing was weer duidelijk dat opgeven geen optie was. Dat stond daar ter vermaning en vermaak voor mij, de enige die het zou lezen. Ik zal nooit zo goed worden als zij, maar dankzij de O en haar nagedachtenis kwam ik verder dan ik voor mogelijk had gehouden. Dit is iets van ons.

Foto Daniel Niessen
Foto’s Daniel Niessen

Na zestien jaar voorbeeldig samenleven zijn er haarscheurtjes gekomen in het verbond tussen de O en mij. Een Steinway heeft in principe het eeuwige leven, maar net als een auto vraagt hij onderhoud. Al een paar jaar hoorde ik hem langzaam achteruitgaan. De toon vervlakte, de diepte verdween, knappende snaren duidden op een progressieve neergang. Een revisie was onvermijdelijk.

Ik vond het een wat griezelig idee, dat bovendien zorgelijk interfereerde met een ander radicaal besluit; ik overwoog te verhuizen. Het huis met die enorme tuin werd te bewerkelijk, en ik wilde na dertien jaar sociale isolatie terug naar de stad, de mensen en het volle leven. Maar zou ik daar een plek vinden waarin de buren niet op de verwarmingsbuizen tikken? En moest ik, mocht me dat lot al bespaard blijven, niet omzien naar een jonger, groter instrument? Ik ben een ander soort speler dan mijn moeder. Met een grotere, bredere toon die misschien gebaat was bij een grotere vleugel. Een Steinway O is met zijn kastlengte van 1 meter 80 maar een kleintje. Een Steinway B komt met 2.11 al meer in de buurt. De Steinway-concertvleugel, de D, is met 2.74 helemaal het summum. Meer snaarlengte is meer toon, meer diepte, meer rust en balans in het klankbeeld, en het betekent makkelijker zachter spelen. Koop een D, zei L., het is maar een instrument en dat moet gewoon het beste zijn voor de rest van je leven. Met het oog op de te verwachten geluidsoverlast heb ik nog een derde weg overwogen, een zogenaamde silent-vleugel van Yamaha, die je ook met koptelefoon op in stilte kunt bespelen. Daar kon ik elk appartement mee aan.

Ik ging proefspelen bij de geweldige Evert Snel, mijn stemmer en de pianoleverancier van de groten. Ik probeerde Yamaha’s, Fazioli’s en een mooi belegen Steinway D, het ene instrument nog mooier dan het andere. Ik genoot van de klank maar ik was droevig. Toen wist ik al dat ik het nooit zou opbrengen de stap te zetten. Het zou verraad zijn. Ik kan geen ander instrument bespelen dan mijn moeders Steinway O. Er was een zielsverwantschap tussen ons die in dat instrument zijn rustplaats heeft gevonden. Hij was de enige plek waarop de spanningen in het gezin en de familie nimmer vat kregen.

Zo besloot ik de O compleet te laten restaureren. For sentimental reasons, zou je kunnen zeggen. In de werkplaats van Evert worden snaren en hamerkoppen vervangen, alle mechanische componenten hersteld in oude glorie. De door de tijd geschonden kast wordt weer zo glanzend zwart als toen hij 46 jaar geleden in ons leven kwam. Hij is intussen bijna klaar en hij wordt prachtig. Intussen heb ik net mijn huis verkocht en een appartement in de stad gevonden. Het is een spelersrisico na meer dan tien jaar vrijstaand wonen. Maar wat er ook gebeurt, dat staat nu vast, de O gaat mee. Als buren gaan steigeren, koop ik er voor het oefenwerk wel een kleine geluidloze Yamaha bij, zo’n brok digitaal vernuft met koptelefoonaansluiting en onnavolgbaar levensechte samples van concertvleugels. De waarheid is: mijn hele leven zit in die vleugel. Gelukkig kan hij me nu vergezellen tot mijn dood. Uit respect voor mijn medebewoners zal ik hem uitsluitend zacht bespelen. Ik weet hoe het moet, ik leerde het van de beste.