Opinie

Meer geld en minder vrijheid is funest voor hoger onderwijs

Onderwijsblog Beleidsmonitoring fnuikt het Nationaal Programma Onderwijs, schrijven aan de UvA. Minder papierwerk en meer vertrouwen op de expertise van de mensen op de werkvloer zullen de druk in het hoger onderwijs al behoorlijk verlagen.
Foto Koen van Weel

Werkdruk in het hoger onderwijs komt voor een groot deel voort uit alsmaar toenemende administratie met als enig doel financiële en beleidsmatige verantwoording en controle. Van dit besef is niets terug te vinden in het NRC-interview met Arno Visser, hoofd van de Algemene Rekenkamer, over de extra financiële middelen van het Nationaal Programma Onderwijs. Hetzelfde geldt voor de brief hierover van de Rekenkamer aan de Tweede Kamer van 31 maart. De uitspraak van Visser dat zonder controle via vooraf vastgelegde beleidsdoelen, de onderwijsmiljarden „op de grote hoop verdwijnen”, is ongegrond. De focus op voortdurende monitoring en evaluatie van beleidsdoelen is juist de bron van veel bureaucratische ellende in het onderwijs, die afleidt waar het in ons werk om gaat: mensen.

Het Nationaal Programma Onderwijs is mooi én noodzakelijk. De afgelopen decennia zagen een sterk teruglopende financiering van het onderwijs: met minder geld is meer werk verzet, met minder middelen zijn meer studenten bediend. Mede door initiatieven zoals #WOinActie en de actiedag van Normaal Academisch Peil – die pleit voor 1,1 miljard structureel extra voor wetenschappelijk onderwijs – begint het besef door te dringen dat deze scheefgroei heeft geresulteerd in een onhoudbare situatie. De nu beschikbaar gekomen 8,5 miljard euro maakt een verschil bij het wegwerken van door de corona-pandemie veroorzaakte achterstanden bij leerlingen en studenten, en het compenseren van de door deze crisis verder geëscaleerde werkdruk van het personeel.

Tegenstrijdige doelstellingen

De Rekenkamer stelt dat de beschikbaar gekomen extra gelden gekoppeld moeten worden aan specifieke beleidsdoelstellingen zodat de bewindslieden daarbij de teugels strak in handen kunnen houden. Als opleidingsdirecteuren van de Faculteit Geesteswetenschappen van de UvA ervaren wij dagelijks wat een dergelijke situatie betekent voor het universitaire onderwijs: eindeloze verslaglegging en betuttelende bureaucratie. Het voorstel van Visser beperkt de beleidsvrijheid in het hoger onderwijs, met noodlottige gevolgen.

Lees ook: Rekenkamer: bij onderwijsplan liggen misbruik en willekeur op de loer

Binnen universiteiten moeten wij al geruime tijd werken met budgetten met specifieke, vaak tegenstrijdige beleidsdoelstellingen. Dit maakt het plannen van de normale onderwijsactiviteiten een bijna onmogelijke uitdaging. Een voorbeeld: terwijl kleinschalige werkcolleges vanwege dalend regulier budget omgezet moeten worden in grootschalige hoorcolleges, komt er incidenteel geld beschikbaar geoormerkt voor individueel, studentgericht tutoraat. Als opleidingsdirecteuren worden wij met andere woorden geacht uit een diffuus en voortdurend veranderend palet van bekostigingsmogelijkheden, elk met andere doelstellingen, regels en voorwaarden, een samenhangende en stimulerende leeromgeving te creëren.

Daarnaast worden we geconfronteerd met een toenemende hoeveelheid overlegrondes en verantwoordingsprocedures. Tijdrovende inspraakprocessen, hoe belangrijk ook voor het draagvlak, compliceren de beleidsdoelstellingen van deze extra middelen. Onze tijd als opleidingsdirecteuren – en de mensen die het onderwijs verzorgen – wordt daarbij opgeslokt door papierwerk bedoeld om inspraak en controle mogelijk te maken. Anders gezegd: Vissers goede intenties leiden in de praktijk tot een systeem dat zichzelf vastdraait in procedures en nodeloos papierwerk. Dit alles draagt bij tot diepgevoelde frustratie en alsmaar stijgende cijfers betreffende stress en burn-out onder docenten én studenten.

Cultuur van wantrouwen

We hebben hier te maken met een breder probleem dat ook speelt in de zorg en andere overheidssectoren. De commissie-Bosman heeft recentelijk in het rapport over uitvoeringsproblemen rond complexe regelgeving gewezen op het belang van vertrouwen binnen de driehoek Tweede Kamer, departementen en uitvoeringsorganisaties. Ook bepleit zij bij de uitvoering van beleid professionals meer zeggenschap te geven. Hiertoe roepen wij de Rekenkamer dan ook op: vertrouw op de expertise van de mensen op de werkvloer van het Hoger Onderwijs, en laat de regie bij de onderwijsinstellingen zelf. Erken dat een overmaat aan management en controle de broodnodige innovatie en de menselijke maat in het onderwijs in de weg staan, en juist leiden tot een dalende kwaliteit. Steeds maar weer controleslagen toevoegen pakt contraproductief uit – voor het onderwijs zelf, voor de mensen op de werkvloer, en vooral ook voor de studenten voor wie het Nationaal Programma Onderwijs bedoeld is.

Lees ook: Waarde van onderwijs is meer dan alleen economische groei

In onze ogen zou het daarom een bijzonder slechte zaak zijn als het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het advies van de Rekenkamer opvolgt en haar vooraf laat meebepalen hoe de beleidsdoelen van het Nationaal Programma Onderwijs lokaal uitgewerkt en gecontroleerd worden. Ook al lijken de onderwijsministers Slob (ChristenUnie) en Van Engelshoven (D66) vooralsnog niet van plan mee te gaan met de Rekenkamer, laat de manier van denken van Visser – hoe goedbedoeld ook – zien waar de kern van de problematiek zit: een cultuur van wantrouwen voor de manier waarop het onderwijs (en onderzoek) verzorgd wordt, waardoor het belang van bestuurlijkheid zwaarder weegt dan de betrokkenheid en het talent van de mensen die bestuurd worden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.