Leraar en cabaretier Bert Kuijpers (1941-2021) begon elke les met een mop

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Bert Kuijpers (1941-2021) gaf ruim dertig jaar Duits en zette als stadsdichter de Helmonders op een voetstuk.

Bert Kuijpers tijdens zijn oudejaarsconfernce in 2010.
Bert Kuijpers tijdens zijn oudejaarsconfernce in 2010. Foto Gerard van Hal

Toen Bert Kuijpers in een interview de vraag kreeg of hij zich vooral cabaretier voelde of toch meer leraar, antwoordde hij zonder aarzelen: „Leraar!” Hij was toen al tijden met pensioen. Kuijpers gaf ruim dertig jaar Duits aan het Carolus Borromeus College in Helmond.

Geliefd vanwege zijn vrolijkheid, geestigheid en grote betrokkenheid bij zijn leerlingen, wist hij velen enthousiast te maken voor de Duitse taal en literatuur. Schrijver Wim Daniëls ging Duits en Nederlands studeren, mede dankzij Kuijpers’ lessen, die hij „een complete openbaring” noemt. „Ik ontdekte de romankunst. Dat je kon opgaan in een gecreëerde wereld, was voor mij iets heel nieuws.” Het ging Kuijpers niet alleen om Duits, zegt Daniëls, maar om een algeheel taalplezier. „Hij begon elke les met een mop, vaak een woordgrap. Op die manier liet hij ons nadenken over taal.”

Toen Kuijpers in 1968 aan het Carolus ging lesgeven, viel hem al snel op dat kinderen uit ‘het Haagje’, de volksbuurt achter de school, het vaak niet redden op de havo. Met zijn wiskundecollega Giel Goris, tevens pianist in het door Kuijpers opgerichte docentencabaret, besloot hij om deze leerlingen extra te begeleiden, onder meer door de ouders thuis te bezoeken. Goris: „We deden dat in onze vrije tijd, de schoolleiding kon ons er geen extra uren voor geven. Bert kende tientallen jaren later nog de namen van die leerlingen, en hij wist van bijna iedereen hoe het ze vergaan was in het leven.”

Ik was figurant, maar ik had alle rollen wel willen spelen, zo mooi vond ik de opera

Zijn liefde voor taal en de drang om die ook buiten het klaslokaal uit te dragen dreven Bert Kuijpers het podium op. Hij begon in 1964 als ‘tonprater’ bij het carnaval, trad op als zanger en conférencier in zijn eigen oudejaarsprogramma en als entertainer bij bruiloften en bedrijfsfeesten; Philips en Bavaria waren vaste klanten. Van 2007 tot 2011 was hij stadsdichter van Helmond.

Oud-leerling Udo Holtappels wilde eigenlijk arts worden, maar dankzij het leerlingencabaret onder leiding van Kuijpers werd zijn interesse in taal gewekt en ging hij Nederlands studeren. Later raakten ze bevriend en werden ze een creatief duo. Holtappels zette Kuijpers’ teksten op muziek en begeleidde hem op de piano. „Zijn liedjes waren altijd helemaal af. Alles klopte, dat is voor een componist heerlijk.”

Marije Goris, oprichter van het Literair Café in Helmond was net als haar man Giel meer dan vijftig jaar bevriend met Kuijpers en zijn vrouw Margriet: „Bert had een geweldig ritmegevoel. En hij kon schitterend rijmen op de gekste woorden.” Holtappels: „Hij was een taalvirtuoos. Hij had eens een lied gemaakt over de geschiedenis van de dichtkunst. Aan het einde kwam hij bij de experimentele poëzie en liet hij het nummer op een krankzinnige manier ontsporen. Dan moest ik altijd even stoppen met pianospelen omdat ik het niet meer hield.”

Kuijpers’ eerste optreden bij de carnavalsvereniging Keiebijters

Kuijpers kon ook vilein zijn. Als stadsdichter nam hij eens een wethouder op de hak die zich aan parkeerregels niets gelegen liet liggen. De katholieke kerk spaarde hij evenmin. Hij had ooit een wrange act, met een klein mijtertje op zijn hoofd, over een perverse bisschop. Holtappels: „Het publiek op het platteland kon dat niet altijd waarderen.”

Niet dat hij een afkeer had van het geloof, of dat hij geen gelukkige jeugd had gehad in het middenstandsgezin waar hij opgroeide, als jongste van vier kinderen. Ze woonden boven de Van Haren-schoenenwinkel van zijn ouders in de Veestraat, hartje Helmond. Zoon Sjoerd vertelt: „Ik ben ooit, als verrassing, met hem naar dat huis teruggegaan. Het eerste wat hij deed, was aanwijzen waar hij met zijn broers en zus altijd toneelstukjes opvoerde.”

Op het kleinseminarie Sint-Norbertus in Heeswijk, een gymnasium annex internaat voor jongens die voorbestemd waren om priester te worden, kreeg hij zijn muzikale en theatrale vorming. „Als ik aan Heeswijk denk, denk ik aan de opera,” schrijft Kuijpers op een website voor oud-leerlingen. In 1955 voerden het schoolkoor en orkest de opera Jozef in Egypte uit voor publiek, iedere zondag, vier maanden lang. „Ik was figurant, maar ik had alle rollen wel willen spelen, zo mooi vond ik het.”

Veel van Kuijpers’ liedjes gingen over Helmond, de voormalige industriestad waar nog altijd meer mensen dan gemiddeld in armoede leven. Hij hield van het Helmonds dialect. In zijn eigen woorden: „Een ruw, rauw dialect/ Schorre, schelle klanken/ Heel hard, en verre van verfijnd (...) Voor mij is het pure poëzie.”

En hij hield van de volksaard van de Helmonders, volgens Wim Daniëls ‘hard van buiten, maar met een zachte kern’. „Bert heeft veel voor Helmond betekend, iedereen hield van hem. Maar hij had Helmond zelf ook nodig. De grappen, de sfeer, de gezelligheid.” Hij herkende zich in die gewone Helmonder, denkt Marije Goris. „Het opkijken tegen autoriteiten bijvoorbeeld, maar daar tegelijk heel graag vanaf willen. Hij vond dat Helmond zich aan zijn haren uit het moeras moest trekken.” Udo Holtappels: „Bert heeft de Helmonders op een voetstuk gezet.”