Reportage

Ook de toeschouwer staat nu in de schijnwerpers

Theater Door corona bloeit het een-op-een-theater, waarbij een theatermaker een voorstelling speelt voor één toeschouwer. Dat is wennen, voor artiest én toeschouwer.

Actrice Anne Rats houdt de monoloog ‘Oorlog, wat zou jij doen als het hier was?’ in een huiskamer.
Actrice Anne Rats houdt de monoloog ‘Oorlog, wat zou jij doen als het hier was?’ in een huiskamer. Foto Twan de Veer

‘Vind je me slordig of onverzorgd? Onwetend, irritant, doe ik gênant, ben ik verward, praat ik te druk, te zacht?’ De onbekende jonge vrouw die tegenover me aan de keukentafel zit en zichzelf even daarvoor voorstelde als Simone, kijkt me indringend aan terwijl ze praat. Haar vingers tikken zenuwachtig op het tafelblad. „Ik zie je denken: het gaat niet goed met deze meid, ze kan het niet alleen.” Ik voel me betrapt. En ongemakkelijk. Moet ik iets terugzeggen? Het liefst zou ik weg willen kijken, maar ik wil haar niet afwijzen.

Simone is een personage, gespeeld door actrice Katelijne Beukema. Ze speelt de solovoorstelling Op de koffie, een coproductie van het Nieuw Utrechts Toneel en stadslab RAUM, bij de toeschouwer thuis, voor huishoudens vanaf één persoon. Het is een voorbeeld van een theatervoorstelling die zich keurig houdt aan de een-bezoeker-thuisregel én de anderhalve meter afstand, en dus op die manier tóch kan spelen, ondanks de gesloten theaterzalen. Wie een ticket heeft besteld, weet dat er in het gekozen tijdslot op een gegeven moment thuis wordt aangebeld – ‘Hoi, ik ben Simone, bedankt dat ik op de koffie mocht komen’ – waarna de voorstelling meteen begint. Je eigen huis is ineens het decor; de woonkamer, zithoek of keukentafel de plaats van handeling.

Dankzij de coronamaatregelen is het een-op-een-theater opgebloeid, waarbij een theatermaker een voorstelling speelt voor slechts één toeschouwer. Soms gebeurt dat bij de toeschouwer in de woonkamer, soms thuis bij de artiest en soms tóch in een theater.

Troostrijk

Theatermaker en stand-upfilosoof Laura van Dolron speelde in februari speciaal voor recensenten een week lang een-op-een-uitvoeringen van haar nieuwe voorstelling De nieuwe Laura, in een verder leeg theater Frascati in Amsterdam. Aangezien er binnen de coronarestricties wel gewerkt mag worden in de theaters, had Van Dolron geconcludeerd dat theatermakers mogen repeteren en journalisten daar verslag van mogen leggen.

Van Dolron heeft niet het gevoel dat ze zich heel anders opstelt in zo’n intieme setting. „Ook tegen een grote groep mensen praat ik tegen de toeschouwers alsof ze er in hun eentje zitten.” Het grootste verschil zit rondom de voorstellingen: „Vooraf en na afloop vond ik het wel eens zwaar. Maar zodra ik het eerste woord zeg, manifesteert mijn theater zich gewoon zoals altijd. Dat vind ik heel troostrijk: de woorden die je uitspreekt hebben kracht, die zorgen ervoor dat er theatertjes worden opgetrokken. Daar heb je geen kleedkamer, douche of volle zalen voor nodig, het kan in elke tuin of huiskamer liggen, als mensen maar willen.”

Ook Freek de Jonge speelde begin dit jaar een reeks try-outs van zijn verkiezingsconference De loterij, waarvoor hij steeds één toeschouwer in zijn werkkamer bij hem thuis in Muiderberg uitnodigde. De Jonge: „Als er maar één toeschouwer is, wordt die toeschouwer automatisch ook een soort medespeler.” Dat was voor beide partijen even wennen, vertelt hij: „Veel bezoekers kwamen aanvankelijk naar me toe met het idee dat ze naar iets heel ongemakkelijks zouden gaan. Dus dat benoemde ik dan maar meteen: ja, je zult je net zo gegeneerd voelen als ik.”

Het grootste verschil met het spelen in een reguliere theatersetting, is volgens hem het uitblijven van een ‘flow’ die kan ontstaan in een volle zaal. „Daarmee bedoel ik dat je in een situatie komt waarbij er geen omstandigheden meer zijn die invloed hebben op de voorstelling, buiten de voorstelling zelf. Je bent dan als toeschouwer even weg van je besognes.” Dat is in zo’n een-op-een-setting vrijwel uitgesloten volgens De Jonge. „Voor een volle zaal ga je bovendien makkelijker met de leuke dingen aan de haal, terwijl je een-op-een sneller geneigd bent om de diepte in te gaan. Er is meer ruimte voor complexiteit, met als gevaar dat de voorstelling zwaarder wordt dan je zou willen.”

Als voorbeeld noemt hij een verhaal over een huisartsenpost waar meerdere dokters hun praktijk houden. „Bij de ene dokter mag je je onderbroek aanhouden en bij de ander niet, maar je weet van tevoren niet welke dokter je voor je krijgt. Zo’n gegeven geeft in een volle zaal genoeg aanleiding om daar even lekker een kwartier op los te improviseren. Maar in een een-op-een-situatie blijft zoiets hangen. Het wordt niets groters.”

Ook volgens Van Dolron is er sprake van een andere energie wanneer je maar voor één toeschouwer speelt. „Je gaat niet vliegen. Een lach die uit een volle theaterzaal komt, kan als een soort versterker werken, waardoor je het gevoel krijgt dat je één zin gezegd hebt, de zaal het overneemt en de rest van de tekst eruit vloeit. Een lach geeft bovendien een mooie ritmiek omdat er dan automatisch een stilte bij mij valt. Nu moet je de toeschouwer meer van moment op moment veroveren. Dat is ook weer heel dankbaar.”

Hyperpersoonlijk

Dat je zo dicht op elkaar zit, heeft niet alleen grote impact op de beleving van de speler, maar ook op het publiek, zegt actrice Anne Rats van het Schiedamse jeugdtheatergezelschap De Stokerij. Zij toert deze maand met de monoloog Oorlog, wat zou jij doen als het hier was? langs de huizen van de toeschouwer. „Zij zien niet alleen alles wat ik doe, maar ik zie nu ook alles wat zij doen.” In een theaterzaal heb je als toeschouwer een bepaalde mate van anonimiteit, volgens haar. „Maar deze setting is hyperpersoonlijk. Alles wat ik doe en iedere pauze die ik laat vallen, beleef je als toeschouwer daardoor heel intens. Maar andersom ook: aan de manier waarop iemand zijn benen over elkaar slaat, merk ik of diegene er nog bij is. Als iemand zucht denk ik meteen: die is geraakt.”

Voor haar is de uitdaging om zich tijdens het spelen niet te veel te laten meevoeren door al haar interpretaties. „Dat is heel lastig: je moet je er niet door laten afleiden, maar je kan het publiek in zo’n intieme setting ook niet negeren. Het is een continue wisselwerking waarin je de hele tijd aan het bijstellen bent: misschien toch even versnellen, of besluiten iets over een andere boeg te gooien.”

Een-op-een-theater is dus niet alleen anders voor de uitvoerende artiest, maar zeker ook voor de toeschouwer in kwestie, die opeens zelf als het ware óók in de schijnwerpers staat. Onwillekeurig de lampen tellen als het even saai is, snel een dropje uit je broekzak grissen of subtiel een gaap onderdrukken, zit er niet meer in. NRC-recensent Ron Rijghard schreef in zijn recensie van de voorstelling van Van Dolron dat het ‘zweten’ is, om de enige toeschouwer te zijn. „Als Van Dolron haar voorstelling begint, duurt het een tijdje voor ik mijn gezichtsspieren en mijn overmatig zelfbewustzijn onder controle heb. […] Het voelt alsof iemand tegenover me aan tafel tegen me praat en ik moet de neiging onderdrukken om niet als een idioot de hele tijd aanmoedigend te knikken en te glimlachen, om niet iets terug te zeggen en om niet mijn armen over elkaar te leggen, want dat duidt op een ‘gesloten houding’.”

Katelijne Beukema herkent dit hyperbewustzijn bij haar publiek maar al te goed. „Ik krijg vaak terug dat mensen de hele voorstelling bij zichzelf hebben afgevraagd: moet ik haar nu antwoord geven of niet, haal ik haar niet uit haar concentratie?” Eigenlijk vindt vrijwel iedereen het „uitermate ongemakkelijk”, zegt ze. „Zeker in het begin, als de ongemakkelijkheid van zo’n eerste ontmoeting ook onderdeel van de voorstelling is. Als het dan gaandeweg duidelijk wordt dat ik gewoon een monoloog kom doen, komt er wat meer ontspanning bij de toeschouwer. Totdat ik ze dan ineens weer rechtstreeks vragen ga stellen.”

Zo houdt ze het ongemak bewust in stand. „Het is als actrice natuurlijk fijn als iedereen rustig naar je luistert en precies antwoord geeft op de momenten dat je dat bedacht hebt. Maar voor de spanningsboog van de voorstelling is het eigenlijk heel waardevol als mensen onverwacht of anders reageren.”

Daardoor blijft het voor haar ook elke keer weer spannend om de voorstelling te spelen. „Ik weet van tevoren nooit hoe mensen op dat soort pijnlijke momenten gaan reageren, of ze het aankunnen. Soms slaat iemands ongemak ook op mij persoonlijk over. Dan moet ik me altijd weer even bewust realiseren dat ik daar niet als mezelf zit, maar als het personage dat ik speel.”