Onkruidverdelger Roundup doodt ook hommels

Ecologie De voor hommels dodelijke werking van Roundup komt mogelijk niet van de actieve stof glyfosaat, maar van additieven.

Aardhommel tussen de krokussen in 's-Graveland.
Aardhommel tussen de krokussen in 's-Graveland. Foto Frans Lemmens / ANP

De veelgebruikte onkruidverdelger Roundup doodt ook hommels. De dodelijke werking komt niet van het actieve (en omstreden) bestanddeel, glyfosaat, maar van een andere stof in het bestrijdingsmiddel. Dat concluderen onderzoekers op basis van proeven met verschillende formuleringen van glyfosaat. De studie is deze dinsdag gepubliceerd in Journal of Applied Ecology.

Volgens de drie auteurs is er bij de instanties die nieuwe gewasbeschermingsmiddelen keuren en toelaten tot de markt, te weinig aandacht voor zogeheten co-formuleringen. Dat zijn bestanddelen anders dan het actieve ingrediënt. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen, of om stoffen waardoor de gespoten druppels meer uitspreiden op een oppervlak of er beter aan blijven kleven. „Volgens de Europese regels hoef je het actieve ingrediënt maar in één representatieve formulering uitgebreid te testen. Andere formuleringen worden met dit voorbeeld vergeleken. Je hoeft dan slechts een paar hele simpele toxiciteitstests te doen, of helemaal geen”, zegt ecoloog Edward Straw, eerste auteur van het artikel en verbonden aan de Royal Holloway University of London.

Tuincentra stoppen verkoop

Glyfosaat is sinds de jaren 70 op de markt en ligt al jaren onder vuur, vooral omdat het voor mensen mogelijk kankerverwekkend zou zijn. De Wereldgezondheidsorganisatie beoordeelde het in 2015 als „waarschijnlijk kankerverwekkend bij mensen”. Maar de Europese autoriteit voor voedselveiligheid, de EFSA, vond onvoldoende bewijs voor die aanduiding. In 2017 keurde de Europese Commissie het gebruik van glyfosaat voor nog eens vijf jaar goed, tot 15 december 2022. Vooruitlopend op een mogelijk nieuwe beoordeling hebben tuincentra in Nederland afgelopen oktober aangekondigd te zullen stoppen met de verkoop van bestrijdingsmiddelen die glyfosaat bevatten.

In hun onderzoek testten de ecologen vier formuleringen, waarvan drie van het merk Roundup van fabrikant Monsanto. Van die drie bevatten er twee glyfosaat, en eentje niet. Het vierde middel (van het merk Weedol, van Scotts Miracle- Gro Company) bevatte wel glyfosaat, maar had waarschijnlijk andere co-formuleringen. „Dat weten we niet zeker, want behalve het actieve ingrediënt hoeven fabrikanten de samenstelling van een middel niet openbaar te maken”, zegt Straw.

Ze testten de vier bestrijdingsmiddelen op aardhommels. Per behandeling werden 50 individuen afzonderlijk in een doorzichtig plastic doosje gezet en besproeid met het herbicide, door twee keer in een sprayer te knijpen die vergelijkbaar was met de flessen waarin de middelen worden verkocht. Bij de twee Roundup-middelen mét glyfosaat stierf in het ene geval 94 procent van de hommels, en in het andere geval 30 procent. Bij het Roundup-middel zónder glyfosaat stierf 96 procent van de hommels. Bij het andere middel (met glyfosaat, maar ook met andere co-formuleringen) lag de sterfte onder die van het controle-experiment, waarbij hommels werden besproeid met water.

De Britse ecologen suggereren dat de sterfte samenhangt met de co-formuleringen. Zelf denken ze dat de schade wordt veroorzaakt door een oppervlakte-actieve stof (surfactant), een stof die ervoor zorgt dat druppeltjes beter uitspreiden op een oppervlak. Ze vermoeden dat zo het ademhalingsstelsel van de hommels geblokkeerd raakt. Dat stelsel bestaat uit buisjes (trachea) in het uitwendige skelet, waardoor lucht in en uit wordt gevoerd. Straw: „Misschien dat druppels van het herbicide in die buisjes terecht komen en de doorvoer van lucht blokkeren. We zagen ook dat de haren van de hommels aan elkaar plakten en als een mat op het lijf lagen. Het kan ook dat zo de buisjes worden afgesloten.”

Vaker zorgen co-formuleringen

Volgens Annemarie van Wezel, hoogleraar milieu-toxicologie aan de Universiteit van Amsterdam, zijn er in de wetenschappelijke literatuur de laatste jaren vaker zorgen geuit over de toxiciteit van co-formuleringen. Hoe erg het in dit geval is, vraagt ze zich af. „De hommels kregen de middelen rechtstreeks op zich gespoten. Waarschijnlijk gaat het in het veld om lagere concentraties.” Volgens haar zijn studies naar subtielere en meer chronische effecten relevanter.

Volgens Van Wezel, die ook lid is van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb), hebben nationale keurende instanties wel aandacht voor co-formuleringen, maar pas als het aandeel ervan in een middel boven een bepaalde drempel komt.